Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2700

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-03-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
200.287.559
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 288 lid 1, aanhef en onder b Fw.

Artikel 288 lid 3 Fw.

Bekrachtiging weigering toepassing WSNP.

Niet te goeder trouw ten aanzien van het ontstaan van de schulden die met de gefailleerde onderneming van zijn voormalige echtgenote verband houden. Eigen verantwoordelijkheid.

Niet te goeder trouw ten aanzien van het onbetaald laten van de schulden. Toenmalige echtelijke woning onderhands verkocht. Mogelijke benadeling van schuldeisers.

Geen toepassing hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Arnhem
afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.287.559

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: C/16/509804)

arrest van 22 maart 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,
hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. J. van Berk.

1 De procedure bij de rechtbank

Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 15 december 2020 is het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar dat vonnis.

2. De procedure in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 23 december 2020 ingekomen verzoekschrift met vijf producties is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 15 december 2020.
verzoekt het hof dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling toe te wijzen.

2.2

Het hof heeft naast het verzoekschrift kennisgenomen van:
- het op 22 januari 2021 andermaal door mr. Van Berk ingediende verzoekschrift, aangevuld
met producties 6, 7 en 8;
- de e-mail van mr. Van Berk van 4 februari 2021 met productie 9 (onderzoeksverslag
psychologisch onderzoek op 25 april 2018);
- de brief van mr. Van Berk van 22 februari 2021 met productie 10 (het bewindsdossier) en
- de brief van mr. Van Berk van 8 maart 2021 met producties 11 en 12.

2.3

De mondelinge behandeling was vastgesteld op 8 februari 2021. Wegens de weersomstandigheden heeft deze behandeling geen doorgang gevonden.
Vervolgens heeft het hof in overleg met mr. Van Berk de mondelinge behandeling bepaald op 15 maart 2021. Hierbij is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Van Berk. Verder is verschenen de beschermingsbewindvoerder van [appellant] , mevrouw [B] (hierna: [B] ) van BND Bewindvoerders Maatschap te Bilthoven (hierna: BND).

3
3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

[appellant] , geboren [in] 1972, was in gemeenschap van goederen gehuwd met [C] . Samen hebben zij een [in] 2010 geboren dochter.
Op 28 november 2019 is de echtscheiding tussen [appellant] en [C] uitgesproken.
Met bij beschikkingen van de kantonrechter van 12 februari 2020 verleende machtigingen is de voormalige echtelijke woning verkocht aan de moeder van [appellant] voor € 230.000 kosten koper. BND heeft de overwaarde na verkoop gereserveerd voor de schuldeisers van [appellant] en [C] . Voor de schuldeisers van [appellant] is een bedrag gereserveerd van
€ 12.047 en voor de schuldeisers van [C] € 16.895.
[appellant] is in de voormalige echtelijke woning blijven wonen. Hij betaalt hiervoor maandelijks € 700 aan huur aan zijn moeder. De dochter van [appellant] en [C] verblijft om en om bij haar ouders.
[appellant] heeft een vast contract bij Post NL voor 8 uur per week. Zijn inkomsten daaruit bedragen volgens opgave van zijn beschermingsbewindvoerder € 361 (netto) per week. Daarnaast ontvangt [appellant] sinds oktober 2020 een op een werkweek van 32 uur gebaseerde WW-uitkering van € 1.473 (netto) per maand. [appellant] betaalt een via een mediator overeengekomen bedrag van € 294 per maand op de kind-rekening van zijn dochter.
Bij beschikking van 4 februari 2019 heeft de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, [appellant] onder bewind gesteld. Op dit moment is [B] van BND zijn beschermingsbewindvoerder.
3.2 [C] heeft vanaf 1 oktober 2011 een bewindvoerderskantoor geëxploiteerd als eenmanszaak. Bij beschikking van 1 mei 2017 heeft de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, [C] ontslagen uit al haar bewindszaken, omdat uit de stukken en de behandeling ter terechtzitting is gebleken dat het vertrouwen in een goede samenwerking tussen [C] en rechthebbenden weg is en dat dit gebrek aan vertrouwen niet kan worden hersteld.
Bij uitspraken van 16 augustus 2017 heeft de kantonrechter [C] veroordeeld tot betaling van schadevergoedingen aan haar voormalige cliënten.

3.3

[appellant] heeft volgens de in hoger beroep overgelegde crediteurenlijst vier schulden voor een totaalbedrag van € 84.224,95. Het gaat om schulden aan:
- Jongerius Gerechtsdeurwaarders/Juristen/Incasso namens 11 voormalige cliënten van
[C] van € 56.317,49;
- Karansingh & Partners Gerechtsdeurwaarders namens 2 voormalige cliënten van [C]
van € 9.924,81;
- Advocatenkantoor Van Voolen (Bedriss) van € 2.936,65 en
- [D] (de moeder van [C] ) van € 15.046.

3.4

De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de afgelopen vijf jaar te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan (i) en het onbetaald laten van zijn schulden (ii) en omdat hij ook onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich maximaal zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (iii).
Voorts heeft de rechtbank geen bijzondere omstandigheden aangenomen op grond waarvan het verzoek van [appellant] toch zou moeten worden toegewezen.

3.5

Ook het hof is van oordeel dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden die met de voormalige onderneming van [C] verband houden.
De stelling van [appellant] dat hij in het geheel niet betrokken is geweest bij de onderneming van [C] en dat hij (daarom) niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de schulden die door de handelwijze van [C] in haar onderneming zijn ontstaan, kan hem niet baten. Kort gezegd komt het erop neer dat [C] met gelden van haar cliënten heeft geschoven, deze heeft overgemaakt naar haar eigen rekening maar ook naar de gezamenlijke rekening met [appellant] .
heeft zich afzijdig gehouden van de financiële huishouding, waaronder het beheer van de gezamenlijke betaal- en spaarrekening(en), en die kennelijk overgelaten aan [C] , maar dat ontslaat hem niet van zijn verantwoordelijkheid. [appellant] heeft daarmee het risico genomen dat hij op een bepaald moment met de eventuele nadelige gevolgen daarvan zou worden geconfronteerd.
Dat [appellant] door de progressieve ziekte van [C] in toenemende mate in beslag werd genomen door de zorgtaken in zijn gezin, neemt het hof zonder meer aan, maar dit doet niet af aan zijn verantwoordelijkheid om op zijn minst enig toezicht te houden op de financiële huishouding. [appellant] is daarom ten aanzien van het ontstaan van deze schulden niet te goeder trouw.

3.6

Verder kan [appellant] worden verweten dat hij deze schulden onbetaald heeft gelaten. Het hof licht dat hierna toe.
Indien moet worden uitgegaan van de in hoger beroep gestelde verkoopprijs van de voormalige echtelijke woning aan de moeder van [appellant] van € 230.000, een WOZ-waarde van € 225.000 en een door een makelaar getaxeerde waarde van de woning van € 245.000, staat in elk geval vast dat de woning voor € 15.000 onder de taxatiewaarde is verkocht.
Geld dat in beginsel de schuldeisers van [appellant] (en ook van [C] ) toekomt.
Wat voor de beoordeling hiervan ontbreekt, is behalve het taxatierapport van de makelaar gedocumenteerde informatie over de precieze hoogte van de door [appellant] en [C] voor de woning afgesloten hypothecaire lening en het bedrag van deze lening dat bij verkoop is ingelost. Ook schort het nog aan een verklaring voor het verschil in de door BND voor de schuldeisers van [appellant] en [C] gereserveerde overwaarde na aflossing van de hypotheek (€ 12.047 voor [appellant] en € 16.895 voor [C] ).

3.7

Het bij gelegenheid van de mondelinge behandeling namens [appellant] aan het hof gedane verzoek om niet aanstonds op zijn verzoek te beslissen, maar om hem in de gelegenheid te stellen de onder rov. 3.6 ontbrekende informatie te leveren, wijst het hof op grond van het volgende af.
De mondelinge behandeling biedt in beginsel de laatste mogelijkheid aan schuldenaren om (eventueel nog ontbrekende) gegevens te completeren en om vragen van het hof te beantwoorden. Van de advocaat van [appellant] had mogen worden verwacht dat hij alleen al gelet op het tijdsverloop (het vonnis van de rechtbank dateert van 15 december 2020, drie maanden voor de zitting in hoger beroep) het hof tijdig voor of uiterlijk op die zitting van de benodigde informatie had voorzien. Dit heeft hij echter niet gedaan en hij heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat dit niet mogelijk was. Daarbij weegt mee dat het verzoek niet ziet op het in geding brengen van één concreet stuk, maar op het indienen van een aanzienlijke hoeveelheid stukken.
Onder deze omstandigheden ziet het hof geen aanleiding [appellant] het gevraagde uitstel bij wijze van uitzondering te verlenen.
3.8 Tot slot heeft [appellant] een beroep gedaan op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 288 lid 3 van de Faillissementswet.
Voor toepassing van de hardheidsclausule is tenminste vereist dat voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden onder controle heeft gekregen.

3.9

[appellant] voert ter onderbouwing van zijn beroep op de hardheidsclausule het volgende aan. Door toedoen van [C] is hij in de schuldenproblematiek gekomen. Deze situatie zal zich niet meer voordoen, omdat hij inmiddels van haar gescheiden is.
Verder staat zijn vermogen al geruime tijd onder bewind. Hij leeft zeer sober en zijn schuldensituatie is onder controle. Uit het als productie 5 overgelegd sollicitatieoverzicht blijkt dat hij actief op zoek is naar (aanvullend) werk. Mede door een bij hem gediagnosticeerde beperking op psychisch gebied is hij via de WMO aangemeld voor een zogeheten Baantraject. Hij wordt in dat traject begeleid door [E] , re-integratieconsulent/jobcoach Baantraject en autismedeskundige.

3.10

Het hof is van oordeel dat [appellant] met de door hem genoemde ontwikkelingen op de goede weg is, maar deze kunnen met name door de keuze om de eigen woning te verkopen aan een familielid voor € 15.000 onder de getaxeerde waarde, op dit moment niet leiden tot toewijzing van zijn beroep op de hardheidsclausule. Het hof is van oordeel dat het voor [appellant] duidelijk moest zijn dat de woning de enige potentiële hoge opbrengst zou hebben kunnen geven om de schuldeisers tegemoet te komen. Er is echter voor gekozen om de woning voor hemzelf te behouden aldus dat hij daarin kan blijven wonen. Het feit dat de kantonrechter de beschermingsbewindvoerder toestemming heeft gegeven voor deze constructie, doet daar niet aan af. De kantonrechter kijkt immers slechts of dit in het kader van de onderbewind-stelling een goede keuze is, maar houdt zich niet bezig met het belang van de schuldeisers.
Dit had mogelijk anders kunnen liggen indien [appellant] een aanbod had gedaan om het bedrag van € 15.000 te compenseren. Van een dergelijk aanbod is echter niet gebleken.

3.11

Het hoger beroep faalt. Het vonnis van 15 december 2020 zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van
15 december 2020.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.M.I. de Waele, H. Wammes en I.M. Bilderbeek, en is op 22 maart 2021 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.