Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2697

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
24-03-2021
Zaaknummer
21-005359-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging vonnis met uitzondering van de opgelegde straf. Aanvulling van bewijsmiddelen. Schending redelijke termijn.

Veroordeling wegens poging zware mishandeling met voorbedachten rade tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005359-17

Uitspraak d.d.: 23 maart 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 20 september 2017 met parketnummer 16-660198-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

thans, naar eigen zeggen, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde tot een taakstraf voor de duur van 240 uren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, waarvan 120 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J.A.C. van den Brink, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 20 september 2017 de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur 4 maanden, met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank met betrekking tot de bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde op juiste wijze heeft beslist. De verweren die in hoger beroep zijn gevoerd, zijn in de kern gelijk aan die in eerste aanleg naar voren zijn gebracht. Op grond van de bewijsmiddelen zoals die in het vonnis zijn uitgewerkt - de hierna te noemen aanvullingen daarbij in aanmerking genomen - kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad. Het hof zal het vonnis dan ook bevestigen, met dien verstande dat het hof de gebezigde bewijsmiddelen op onderdelen zal aanvullen. Voorts komt het hof ten aanzien van de opgelegde straf tot een andere beslissing dan de rechtbank, zodat het vonnis in zoverre zal worden vernietigd.

Aanvulling van bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zoals die in het vonnis zijn opgenomen ter zake van het primair tenlastegelegde worden als volgt aangevuld:

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 september 2016, opgenomen op pagina’s 26 t/m 29 in het dossier:

Op 28 augustus 2016 werd hij rond 18:00 uur door [naam1] gebeld met de vraag of hij naar de skatebaan te [plaats] kon komen.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] d.d. 30 augustus 2016, opgenomen op pagina 100 in het dossier:

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij aangever, nadat hij een aantal weken eerder door hem in elkaar was geslagen, bij de skatebaan in [plaats] op 26 augustus 2016 met zijn vuisten heeft geslagen, in de richting van zijn gezicht.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 6 september 2016, opgenomen op pagina 120 in het dossier:

Hij droeg die dag, te weten 26 augustus 2016, een rode trui.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met medeverdachte [medeverdachte] schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling met voorbedachten rade. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben via een derde persoon aangever onder valse voorwendselen naar de skatebaan te [plaats] doen laten komen, kennelijk om wraak te nemen vanwege een eerder handgemeen tussen aangever en medeverdachte [medeverdachte] . Aangever is, eenmaal bij de skatebaan aangekomen, door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] geschopt/getrapt en met handen/vuisten meermalen hard geslagen. Toen aangever ten gevolge daarvan op de grond kwam te liggen, is verdachte boven op aangever en diens handen gaan zitten zodat deze zich niet kon verweren, terwijl medeverdachte [medeverdachte] hem met een tak vaak en hard in het gezicht en tegen zijn hoofd sloeg. Pas toen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] merkten dat een getuige vermoedelijk de politie had gebeld, zijn zij opgehouden en van de skatebaan weggelopen. Aangever had met name door het geweld dat op zijn hoofd is uitgeoefend, zwaar lichamelijk letsel kunnen oplopen. Dat het letsel van aangever relatief beperkt lijkt te zijn gebleven en het aldus bij een poging is gebleven, is naar het oordeel van het hof niet aan verdachte te danken geweest, maar aan het optreden van omstanders die de politie hebben gebeld. Verdachte heeft, door aldus te handelen, een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Bovendien veroorzaakt dergelijk geweld gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij, zeker als een dergelijk voorval zich te midden van anderen in de openbare ruimte voordoet.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 3 februari 2021 - eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van geweldsdelicten.

Ook heeft het hof rekening gehouden met hetgeen door en namens verdachte ter zitting met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden is aangevoerd.

Tot slot houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, bij de strafvervolging van verdachte is geschonden. Deze overschrijding is mede, zij het in mindere mate, veroorzaakt door de uitgevoerde onderzoekswensen van de verdediging. Zonder schending van de redelijke termijn en alles afwegende, zou naar het oordeel van het hof een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn in hoger beroep is geschonden met 42 maanden - gerekend vanaf de datum van het instellen van hoger beroep door verdachte op 3 oktober 2017 tot de datum van de uitspraak in hoger beroep op 23 maart 2021 - zal het hof een strafvermindering van 2 maanden toepassen en derhalve volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van voorarrest.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 47, 63 en 303 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de door de rechtbank opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. M.B. de Wit, voorzitter,

mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. E. Pennink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.J. Flach, griffier,

en op 23 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.