Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2669

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
21-004678-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van twee mishandelingen tot een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest en toewijzing van de vordering benadeelde partij tot € 200 immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004678-17

Uitspraak d.d.: 22 maart 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 23 augustus 2017 met parketnummer 18-081833-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van hetgeen hem is tenlastegelegd tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken, waarvan 3 (drie) weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1] vordert de advocaat-generaal toewijzing van € 200,00 immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. P. Figge, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte ter zake van hetgeen hem is tenlastegelegd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken, waarvan 2 (twee) weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 (drie) jaren. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1] is door de politierechter toegewezen tot een bedrag van € 200,00 immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, bij gebreke van betaling te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis. Tevens is de verdachte veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden begroot op nihil.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 2 april 2017 te [plaats1] [benadeelde partij1] heeft mishandeld door die [benadeelde partij1] tegen het hoofd te slaan/stompen;

2.
hij op of omstreeks 2 april 2017 te [plaats1] [benadeelde partij2] heeft mishandeld door die [benadeelde partij2] tegen het hoofd te slaan/stompen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Client ontkent de tenlastegelegde feiten. Cliënt heeft uitgelegd wat hij daar deed en meteen gezegd dat hij niet degene is geweest die geslagen heeft. Cliënt is pas ná 20 à 30 minuten door [benadeelde partij1] aangewezen als de persoon die geslagen heeft. Het is maar de vraag of [benadeelde partij1] en [benadeelde partij2] goed hebben kunnen zien of het verdachte is geweest die hen heeft geslagen. Uit het politiedossier blijkt niet dat er ook een onafhankelijke getuige iets over het incident heeft gezegd. De portier die cliënt zou hebben aangewezen, heeft niet gesproken.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het verweer van de verdediging strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde onder 1 en 2 wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting van het hof, stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast en wordt het volgende overwogen.1

Aangever [benadeelde partij1] heeft op 2 april 2017 aangifte gedaan van mishandeling in [plaats1] . [benadeelde partij1] heeft verklaard dat hij zag dat een groepje jongens zich opdrong aan zijn nichtje. [benadeelde partij1] sprak de jongens vervolgens aan en zei tegen hen dat zij weg moesten gaan. Kort hierop voelde [benadeelde partij1] een harde klap tegen zijn hoofd. Hij zag dat de jongen die later door de politie werd aangehouden hem met kracht tegen zijn hoofd sloeg, waardoor hij pijn en letsel heeft opgelopen. [benadeelde partij1] beschrijft de persoon als circa 1.70 meter lang, tussen de 20 à 25 jaar oud, licht getint met een Noord Afrikaans uiterlijk.2

Getuige [getuige1] heeft op 3 april 2017 verklaard dat zij zag dat een jongen meerdere malen met zijn vuisten tegen het hoofd van [benadeelde partij1] sloeg. Zij omschrijft deze jongen als volgt: leeftijd 20-25 jaar, man, ongeveer 1.70 meter lang, tenger, zij denkt Marokkaans uiterlijk, donkere jas, zij vermoedt donker haar.3

Aangever [benadeelde partij2] heeft op 2 april 2017 aangifte gedaan van mishandeling in [plaats1] , gepleegd door een licht getinte jongen die door de politie is aangehouden. Tevens verklaart [benadeelde partij2] dat de jongen die is aangehouden ook zijn zwager [benadeelde partij1] heeft mishandeld. Deze jongen heeft [benadeelde partij1] meerdere klappen gegeven. De jongen die hem mishandeld heeft maakte deel uit van een groepje jongens bestaande uit vijf personen. [benadeelde partij2] is vervolgens tussen de jongens gaan staan teneinde [benadeelde partij1] te beschermen. [benadeelde partij2] raakte in gesprek met een jongen van deze groep en hij wilde de boel sussen. Voor café [naam1] werd deze discussie voorgezet. [benadeelde partij2] kreeg vervolgens een vuistslag op zijn linkeroog door de jongen die ook [benadeelde partij1] had geslagen. [benadeelde partij2] zag dat hij met gebalde vuist met kracht werd geslagen, waardoor hij pijn voelde aan zijn oog en een gezwollen wenkbrauw had.

Hierop kwam de politie ter plaatse en die ging in gesprek met [benadeelde partij1] . Het groepje waar de persoon bij hoorde stond toen ook nog op straat. Zij gaven aan dat zij weg wilden gaan, omdat zij nog twee uren moesten rijden naar [plaats2] . [benadeelde partij2] zag dat zij in een zwarte Volkswagen Golf stapten en dat die auto vervolgens wegreed in de richting van [naam2] .

[benadeelde partij2] zag dat [benadeelde partij1] kort hierop de persoon zag lopen die hen had mishandeld. Toen [benadeelde partij2] in de richting keek van deze persoon herkende hij ook de persoon als de persoon die hem en [benadeelde partij1] heeft mishandeld. De politie heeft vervolgens die persoon aangehouden.4

Getuige [getuige2] heeft op 2 april 2017 verklaard getuige te zijn geweest van de mishandeling van [benadeelde partij2] . Getuige zag dat een dunne Marokkaan naar [benadeelde partij2] liep en van achteren op hem insloeg. Zij zag dat die man meerdere keren zijn vuisten tegen het hoofd van [benadeelde partij2] sloeg. Zij zag dat de man erg snel was en meerdere vuistslagen in korte tijd gaf. Zij omschrijft de dunne Marokkaan als 20 tot 30 jaar, slank postuur, lengte 1.60 à 1.70 meter, kort donker haar, donkere bovenkleding.5

Verbalisanten [verbalisant1] en [verbalisant2] verklaren dat zij op zondag 2 april belast waren met een horecadienst in de binnenstad van [plaats1] . Omstreeks 04:40 uur hoorden zij een bezoeker van de plaatselijke horeca op [adres1] zeggen dat er op de hoek van de [adres2] ter hoogte van de ABN AMRO bank een verwarde man aan het schreeuwen was met zijn gezicht onder het bloed.

Verbalisanten zijn ter plaatse gegaan en troffen op de hoek van de [adres2] ter hoogte van Café [naam1] een groepje mannen aan die luid aan het schreeuwen waren. Verbalisanten hebben de partijen gescheiden en zagen een man met een bebloede mond. Dit bleek later aangever [benadeelde partij1] te zijn.

Verbalisanten hoorden [benadeelde partij1] zeggen dat hij op zijn bek was geslagen door een paar gasten uit [plaats2] . Zij hoorden [benadeelde partij1] zeggen dat de man die hem had geslagen niet meer bij het groepje stond ter hoogte van de [adres2] , maar dat hij was weggelopen. Verbalisanten zagen dat het groepje naar een zwarte Volkswagen, type Golf liep en instapte. De auto was voorzien van kenteken [kenteken] . Verbalisanten zagen dat de auto over de [adres3] wegreed richting schouwburg [naam2] .

Een ogenblik later zag [benadeelde partij1] aan de overzijde van de straat een man aan komen lopen. Dit bleek later verdachte te zijn. Verbalisanten hoorden [benadeelde partij1] zeggen dat dat de man was die hem geslagen had. Verbalisant [verbalisant1] hoorde de portier van Café [naam1] zeggen dat dat de man was waar [benadeelde partij1] ruzie mee had. Verbalisanten omschrijven de verdachte als volgt: man, licht getinte huidskleur, 20 tot 25 jaar oud, donker haar, blauwe jas, zwarte spijkerbroek. Vervolgens is de man aangehouden ter zake van mishandeling.6

Conclusie

Gelet op de ontkennende verklaring van de verdachte is voor een bewezenverklaring van de hiervoor door aangevers [benadeelde partij1] en [benadeelde partij2] omschreven mishandelingen vereist dat hun verklaringen in voldoende mate steun vinden in de overige bewijsmiddelen. Naar het oordeel van het hof bevat het dossier voldoende bewijsmiddelen om te kunnen komen tot het wettig en overtuigend bewijs dat verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde geweldshandelingen heeft begaan.

Het hof overweegt dat de verklaringen van aangevers [benadeelde partij1] en [benadeelde partij2] , dat zij mishandeld zijn door verdachte, steun vinden in de verklaring van de getuige [getuige1] , getuige [getuige2] en de bevindingen van de politie ter plaatse. De verklaringen van de aangevers ondersteunen elkaar ook over en weer. Van een eventuele persoonsverwisseling is het hof niet gebleken.

Het hof verwerpt aldus de door de verdediging gevoerde verweren en is net zoals de advocaat-generaal van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om te komen tot een bewezenverklaring van de mishandelingen van [benadeelde partij1] en [benadeelde partij2] op 2 april 2017 in de vroege ochtend, te [plaats1] , door hen tegen het hoofd te slaan.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 2 april 2017 te [plaats1] [benadeelde partij1] heeft mishandeld door die [benadeelde partij1] tegen het hoofd te slaan;

2.
hij op 2 april 2017 te [plaats1] [benadeelde partij2] heeft mishandeld door die [benadeelde partij2] tegen het hoofd te slaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:

telkens:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot oplegging van een gevangenisstraf van 6 (zes) weken, waarvan 3 (drie) weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht niet over te gaan tot oplegging van een gevangenisstraf, nu dat niet proportioneel is. De verdediging verzoekt ofwel een voorwaardelijke straf ofwel een werkstraf op te leggen, gelet op het tijdsverloop, de justitiële documentatie van verdachte en het feit dat het goed gaat met verdachte, nu hij een vast adres en een eigen bedrijf heeft.

Oordeel van het hof

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van het een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 2 april 2017 schuldig gemaakt aan twee mishandelingen. Verdachte heeft [benadeelde partij1] en [benadeelde partij2] geslagen in het gezicht, waardoor zij letsel hebben opgelopen en pijn hebben geleden. Hij heeft hiermee een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Daarnaast hebben de strafbare feiten plaatsgevonden op de openbare weg, onder de ogen van meerdere getuigen. Dergelijke feiten leiden veelal tot een gevoel van onveiligheid bij hen die daarvan getuigen zijn.

Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 februari 2021 is gebleken dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten. Die eerdere veroordelingen hebben hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Het hof houdt voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier en zoals die tijdens het onderzoek ter terechtzitting van het hof zijn besproken.

Voorts heeft het hof bij de strafoplegging in aanmerking genomen de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Die oriëntatiepunten houden ten aanzien van mishandeling lichamelijk letsel ten gevolge hebbend een geldboete van € 750,- in. Nu het hier meerdere mishandelingen op de openbare weg betreft en gelet op het strafblad van verdachte, acht het hof hier echter een andere strafmodaliteit op zijn plaats.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat oplegging van een taakstraf van 60 (zestig) uren, subsidiair 30 (dertig) dagen hechtenis, passend en geboden is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1]

Standpunt van het openbaar ministerie

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij vordert de advocaat-generaal toewijzing van de immateriële schade, zijnde € 200,00, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. Subsidiair refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof.

Oordeel van het hof

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 200,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor hetzelfde bedrag.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof stelt voorop dat de hoogte van de immateriële schadevergoeding naar billijkheid moet worden vastgesteld, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard en de ernst van de aantasting in persoon en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. Het hof heeft daarbij ook gelet op uitspraken die door andere rechters zijn gedaan. Het hof stelt vast dat aangever letsel heeft bekomen ten gevolge van het feit en dat het feit pijn teweeg heeft gebracht. Het hof acht alles afwegende een bedrag van € 200,00 billijk. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 200,00 (tweehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 200,00 (tweehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 2 april 2017.

Aldus gewezen door

mr. L.G. Wijma, voorzitter,

mr. F. van der Maden en mr. A.H. toe Laer, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.G. Veenstra, griffier,

en op 22 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier, dossiernummer PL0100-2017083737, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering, gesloten en getekend op 10 juni 2017 door [verbalisant3] , hoofdagent van de politie Eenheid Noord-Nederland. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Aangifte [benadeelde partij1] , d.d. 2 april 2017, pagina 19-20.

3 Getuige [getuige1] , d.d. 3 april 2017, pagina 40-41.

4 Aangifte [benadeelde partij2] , d.d. 2 april 2017, pagina 24-26.

5 Getuige [getuige2] , d.d. 2 april 2017, pagina 36-37.

6 Bevindingen, verbalisanten [verbalisant1] en [verbalisant2] , d.d. 2 april 2017, pagina 43-44.