Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2664

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-03-2021
Datum publicatie
29-03-2021
Zaaknummer
200.276.958/01 en 200.276.960/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietigbaarheid verdeling in verband met benadeling?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0087
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.276.958/01 en 200.276.960/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 164583 en 167513)

beschikking van 16 maart 2021

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. F. Hofstra te Leeuwarden,

en

[verweerder] ,

wonende te [A] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.S. Bauer te Leeuwarden.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 19 juni 2019 en 15 januari 2020, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 8 april 2020;

- het verweerschrift, tevens houdende een incidenteel beroep met productie(s);

- het verweerschrift op het incidenteel beroep met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Hofstra van 26 november 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Bauer van 14 januari 2021 met productie(s).

2.2.

Op 18 januari 2021 heeft een comparitie plaatsgevonden ten overstaan van een raadsheer-commissaris. Daarbij waren aanwezig partijen en hun advocaten. Na afloop van deze comparitie hebben partijen aangegeven af te zien van hun recht op een mondelinge behandeling van de zaak ten overstaan van een meervoudige kamer van dit hof.

3 De feiten

3.1.

Partijen zijn [in] 2009 met elkaar gehuwd. In 2014 hebben zij besloten uit elkaar te gaan.

3.2.

De gevolgen van de voorgenomen echtscheiding zijn in een echtscheidingsconvenant geregeld. Dit convenant is door de vrouw ondertekend op 4 juni 2018, en door de man op

6 juni 2018. In het convenant staan onder meer afspraken over een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Als peildatum voor de samenstelling en waardering van de gemeenschap zijn partijen

1 november 2014 overeengekomen.

3.3.

Op 17 december 2018 heeft de vrouw een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend. Bij de hiervoor vermelde beschikking van de rechtbank van 19 juni 2019 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Op 25 september 2019 is de echtscheidings-beschikking ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

In eerste aanleg heeft de vrouw verzocht, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang:
- te bepalen dat de man zal bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 1.500,- bruto per maand;
- de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen vast te stellen, op

een nader aan te voeren wijze;

- te bepalen dat de man dient te verstrekken jaaroverzichten van de banken, aangiftes en aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2014 tot en met 2018, onder verbeurte van een dwangsom.

4.2.

De man heeft verweer gevoerd en een zelfstandig verzoek gedaan. De man heeft verzocht, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang:
- partijen te veroordelen tot nakoming van het door partijen getekende echtscheidingsconvenant;
- primair: de vrouw te veroordelen om eraan mee te werken dat de woning gelegen aan de [a-straat] 18 te [A] binnen 2 maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking aan haar wordt toegedeeld en de man wordt ontslagen uit zijn aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld, op straffe van een dwangsom;
- subsidiair: de vrouw te veroordelen om binnen twee weken na de inschrijving van de

echtscheidingsbeschikking mee te werken aan het te koop aanbieden van de

woning op straffe van een dwangsom.

4.3.

Bij de bestreden beschikking van 15 januari 2020 (verder ook: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank de verzoeken van de vrouw afgewezen, en die van de man toegewezen, in die zin dat:
- partijen over en weer zijn veroordeeld tot nakoming van het door partijen getekende

echtscheidingsconvenant;
- de vrouw is veroordeeld om te bewerkstelligen dat de woning aan de [a-straat] 18 te [A] binnen twee maanden na de beschikking aan haar wordt toegedeeld en de man wordt ontslagen uit zijn aansprakelijkheid voor de man voor de hypotheekschuld.

5 De verzoeken in hoger beroep

5.1.

De vrouw is met negen grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vrouw verzoekt deze beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te beslissen dat:
I. de man gehouden is om binnen twee weken na dagtekening van de beschikking afschriften te verstrekken van de jaaroverzichten die de banken ter afsluiting van een jaar verstrekken aan hun cliënten waaruit de hoogte van de diverse saldi op de laatste dag van het jaar blijken;

II. de man gehouden is om binnen twee weken na dagtekening van de beschikking over de jaren 2014 tot en met 2018 de aangiftes en de aanslagen inkomstenbelasting van partijen te verstrekken;

III. de man gehouden is om volledige openheid van zaken te geven ten aanzien van zijn

gerechtigheid tot een onverdeelde nalatenschap;
IV. de man zijn aandeel in de waarde van de auto met kenteken [0-YYY-0] verbeurt op grond van art. 3:194 lid 2 BW;

V. de man zijn aandeel in de verzwegen bankrekeningen verbeurt op grond van art. 3:194 lid 2 BW;

VI. de man zijn aandeel in de onverdeelde nalatenschap verbeurt op grond van art. 3:194 lid 2 BW;

VII. de man bij niet nakoming van hetgeen wordt gevorderd onder I, II en III een dwangsom zal verbeuren van € 100,-- voor iedere dag of dagdeel dat hij in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen, tot een door het hof in goede justitie te bepalen maximale dwangsom:

VIII. het echtscheidingsconvenant wordt vernietigd op grond van dwaling;

IX. het recht op partneralimentatie van de vrouw met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking wordt vastgesteld op € 1.500,- per maand, althans een zodanig bedrag als het hof juist acht.

5.2.

De man heeft verweer gevoerd, en heeft verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen. Verder heeft de man een incidentele grief opgeworpen over de proceskosten. De man wil dat de vrouw in beide instanties in deze kosten wordt veroordeeld. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.

6 De beoordeling in het principaal hoger beroep


Verdeling

* vernietiging convenant

6.1.

De vrouw heeft aangevoerd dat het door partijen gesloten convenant dient te worden vernietigd omdat er sprake is van een situatie als bedoeld in art. 3:196 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Een verdeling is op grond van dit artikel vernietigbaar wanneer een deelgenoot omtrent de waarde van een of meer van de te verdelen goederen en schulden heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld.

6.2.

De vrouw heeft aangegeven dat zij méér informatie van de man nodig heeft, zoals ook door haar is verzocht, om tot een behoorlijke onderbouwing te kunnen komen van het vermoeden dat er sprake is van benadeling van de vrouw. Zij kan zich niet verenigen met de afwijzing door de rechtbank van haar verzoek ex artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv). De man heeft activa verzwegen, waaronder gelden die door hem zijn verkregen uit een nalatenschap, spaargelden en een auto. Om die reden heeft de vrouw in de procedure bij het hof ook verzocht te bepalen dat de man deze zaken verbeurt op grond van art. 3:194 lid 2 BW.

6.3.

Het hof stelt voorop dat de beoordeling van de vraag of sprake is van benadeling voor meer dan een kwart alleen geschiedt aan de hand van een vaststelling van de waarde van de boedelbestanddelen die in de verdeling werden betrokken. Voor zover er dus sprake is geweest van overgeslagen of verzwegen bestanddelen, zoals de vrouw betoogt, kan de waarde van deze bestanddelen niet worden betrokken bij de berekening van de benadeling (art. 3:196 lid 3 BW).
Van een overgeslagen bestanddeel kan op grond van art. 3:179 lid 2 BW alsnog een nadere verdeling worden gevorderd. Verder kent de wet een sanctie op het verzwijgen van bestanddelen, als omschreven in art. 3:194 lid 2 BW.

6.4.

Los van de vraag of een beroep op dwaling is uitgesloten, zoals de man heeft betoogd, omdat er volgens de man sprake is van een vaststellingsovereenkomst en partijen de verdeling te zijner of harer bate en/of schade hebben aanvaard, merkt het hof over het door de vrouw gedane beroep op benadeling voor meer dan een kwart het volgende op.

6.5.

De vrouw heeft op geen enkele wijze onderbouwd waarom er, uitgaande van de verdeling van de in het convenant genoemde activa en passiva van de huwelijks-gemeenschap, sprake zou zijn van benadeling van de vrouw, terwijl dit wel op haar weg had gelegen. De vrouw heeft geen (globale) rekensom gemaakt of stukken in het geding gebracht waaruit van enige benadeling van de vrouw zou kunnen blijken. Haar verzoek om te bepalen dat de man (eerst) nog diverse gegevens dient te verstrekken kan dat gebrek niet repareren. Ook al niet omdat de vrouw niet duidelijk heeft gemaakt dat en waarom die gegevens van belang zijn voor de beoordeling van de benadeling. Daarbij geldt, zoals hiervoor al is overwogen, dat overgeslagen of verzwegen bestanddelen niet worden betrokken bij de berekening van de benadeling. Ter zitting bij het hof heeft de vrouw ook verklaard dat de aan haar toebedeelde woning méér waard is dan de woning die aan de man is toebedeeld, en dat partijen dit tegen elkaar wilde wegstrepen. De man heeft dit bevestigd. Hieruit volgt in ieder geval niet dat de vrouw bij deze verdeling is benadeeld.

6.6.

Omdat er ter zake de (niet nader genoemde) banksaldi in het convenant is bepaald dat deze in onderling overleg worden verdeeld, kunnen deze bij het berekenen van de benadeling niet worden meegenomen. Dit geldt ook voor de (niet genoemde waarde van de) inboedel en de auto ( [merk] ), en de verdeling van de belastingaanslagen. Indien en voor zover de verdeling van deze bestanddelen niet is verlopen conform de afspraken in het convenant, zal de vrouw hiervan alsnog nakoming kunnen vorderen.
Al met al is van een benadeling van de vrouw voor meer dan een kwart op grond van de verdelingsafspraken in het convenant niet gebleken.

6.7.

De vrouw heeft zich verder nog beroepen op de algemene dwalingsbepaling uit art. 6:228 BW. Ondanks het feit dat deze bepaling is uitgesloten bij verdelingen (art. 3:199 BW), meent de vrouw dat zij zich hier toch op kan beroepen vanwege de wijze van totstandkoming van het convenant, met name (het ontbreken van) de uitleg door de toenmalige advocaat over de juridische merites. De tekortkomingen van deze advocaat zijn inmiddels door de Raad van Discipline als ernstig verwijtbaar aangemerkt, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde beslissing van de Raad van Discipline van 23 november 2020.

6.8.

Artikel 6:228 BW bepaalt dat een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar is:

a. indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten;

b. indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten;

c. indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden.

De partij die de vernietiging inroept draagt de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de onjuiste voorstelling van zaken (de dwaling als zodanig), het causaal verband tussen (de inhoud van) de overeenkomst en die onjuiste voorstelling en het zich voordoen van een van de drie dwalingsgevallen van lid 1 onderdeel a (onjuiste mededeling), onderdeel b (verzwijging) en onderdeel c (wederzijdse dwaling).

6.9.

Uit de wettelijke regeling van art. 6:228 BW (dwaling) volgt dat dit wilsgebrek in verband moeten staan met enig handelen of nalaten van de contractuele wederpartij van de partij die een beroep doet op dit wilsgebrek. Deze contractuele wederpartij is in dit geval de man. De feiten en omstandigheden die door de vrouw aan het wilsgebrek ten grondslag zijn gelegd betreffen echter een handelen en/of nalaten van de voormalig advocaat. Dat ook de man een onjuiste voorstelling van zaken had, dan wel wist of behoorde te begrijpen dat de vrouw dat had, is gesteld noch gebleken. De door de vrouw genoemde feiten en omstandigheden kunnen dan ook niet leiden tot een geslaagd beroep op dwaling.

6.10.

De conclusie luidt dan ook dat de grieven die zien op de vernietiging van (de verdeling in) het convenant niet slagen.


* omvang huwelijksgemeenschap

6.11.

Omdat het convenant in stand blijft, geldt dit ook voor de in het convenant opgenomen peildatum voor de samenstelling en waardering van de gemeenschap van

1 november 2014.

6.12.

Het is juist, zoals de vrouw ook stelt, dat de huwelijksgemeenschap voortduurt totdat zij overeenkomstig art. 1:99 BW is ontbonden. In dit geval duurde de huwelijksgemeenschap voort tot 17 december 2018, de datum waarop de vrouw het verzoek tot echtscheiding heeft ingediend bij de rechtbank. Het stond partijen echter vrij om, zoals zij ook hebben gedaan, in onderling overleg een andere datum te kiezen voor het bepalen van de omvang van de huwelijksgemeenschap.

6.13.

De datum 1 november 2014 is de datum waartegen de omvang van de te verdelen gemeenschap is bepaald. Deze datum is destijds zo gekozen, zo hebben partijen in de stukken uiteengezet, omdat partijen sinds september 2014 gescheiden leven. Het traject tot aan de scheiding heeft vervolgens lang geduurd. Partijen hebben ter zitting bij het hof verteld dat dit met name verband hield met het feit dat de vrouw nog een financiering moest regelen voor het ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. Vóór het ondertekenen van het convenant in 2018 is een aantal zaken in het convenant aangepast, en actueel gemaakt, zoals bijvoorbeeld de ingangsdatum van de partneralimentatie. Partijen hebben toen niet een andere - recentere - peildatum afgesproken en/of verdeling van na de overeengekomen peildatum (en tot de datum van ondertekening) opgekomen zaken alsnog in het convenant laten opnemen.

6.14.

Indien en voor zover de vrouw een vordering wil instellen, waarin zij verdeling vraagt van ná de overeengekomen peildatum (tot aan de datum van ontbinding van de gemeenschap) opgekomen bestanddelen, omdat het convenant hiertoe zou kunnen leiden, dient zij dat in een aparte procedure te doen. Onderdeel van het debat in de onderhavige zaak is immers de (on-)geldigheid van het convenant, en niet de uitleg van het convenant, uitgaande van de geldigheid daarvan. Dat de vrouw naast de vernietiging van het convenant nog verdeling/verbeurdverklaring heeft gevraagd van een aantal (na de peildatum opgekomen) bestanddelen maakt dit oordeel niet anders. Daaruit heeft de man - zoals blijkt uit het verweerschrift en het verhandelde ter zitting - immers niet kunnen afleiden dat de vrouw in de onderhavige procedure de uitleg van het convenant ter sprake heeft willen brengen, met daaraan gekoppeld een vordering tot verdeling van de in de periode van 1 november 2014 tot aan 17 december 2018 opgekomen bestanddelen.

6.15.

Een en ander betekent dat het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man gehouden is om gegevens te verstrekken over de periode vanaf 2014 tot 2018 niet voor toewijzing vatbaar is, omdat de vrouw heeft uiteengezet - en ter zitting nog eens heeft bevestigd - dat deze gegevens met name nodig zijn om te bezien of er ná de overeengekomen peildatum (en tot aan de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding) nog zaken aan de man zijn toegevallen (waaronder een al dan niet onder uitsluiting verkregen nalatenschap). In de hierboven genoemde (eventueel nog te voeren) procedure dient, indien het standpunt van de vrouw juist zou zijn, alsnog een boedelbeschrijving te worden gemaakt per 17 december 2018 en zullen de daarvoor benodigde gegevens door beide partijen moeten worden aangeleverd.

Alimentatie

6.16.

In het convenant zijn partijen overeengekomen dat de man aan de vrouw voor de duur van acht jaren vanaf 1 maart 2018 een bedrag van € 850,- bruto per maand zal voldoen. De vrouw heeft gesteld dat deze alimentatieovereenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (art. 1:401 lid 5 BW).

6.17.

Het hof stelt voorop dat de rechter de overeengekomen alimentatie niet reeds kan wijzigen wanneer hij op grond van dezelfde gegevens tot een ander resultaat zou komen, maar dat het overeengekomen bedrag in een evidente wanverhouding moet staan tot die gegevens. Een dergelijke wijziging is slechts mogelijk wanneer de echtgenoten zich wel op de wettelijke maatstaven hebben willen richten, maar door onjuist inzicht in de betekenis van de maatstaven of doordat zij uitgingen van onjuiste of onvolledige gegevens, zijn gekomen tot een resultaat dat evident in strijd is met de uitkomst die bij toepassing van de wettelijke maatstaven zou zijn bereikt.

6.18.

De vrouw heeft niet onderbouwd waarom er sprake zou zijn geweest van grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Zij stelt dat zij dit pas kan, wanneer zij over financiële gegevens van de man beschikt.

6.19.

Op basis van de gegevens die voorhanden zijn komt het hof tot de volgende conclusie. In 2015 is een draagkrachtberekening opgesteld. De man heeft deze berekening in het geding gebracht. De daarin opgenomen jaarinkomens (voor de man circa € 37.000,- en voor de vrouw circa € 10.000,-) waren in overeenstemming met de toenmalige inkomens van partijen, zo hebben zij ter zitting van het hof bevestigd. Uit deze berekening bleek dat de man beschikbaar had (methode Buys) een bruto bedrag van € 1.063,- per maand. Daartegenover staat dat de vrouw een netto besteedbaar inkomen had van € 778,- per maand. Dat er een alimentatie is overeengekomen van € 850,- bruto per maand staat dan ook niet in een evidente wanverhouding tot de beschikbare gegevens. Van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven is dan ook geen sprake.

7 De beoordeling in het incidenteel hoger beroep

7.1.

De man heeft verzocht de vrouw in beide instanties in de proceskosten te veroordelen.

7.2.

Omdat partijen ex-echtelieden zijn en het een procedure over de verdeling en partneralimentatie betreft zal het hof, zoals gebruikelijk, de proceskosten compenseren.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van

15 januari 2020;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C. Koopman, O.E. Mulder en I.M. Dölle, bijgestaan door mr. I.G. Vos als griffier, en is op 16 maart 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.