Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2620

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-03-2021
Datum publicatie
22-03-2021
Zaaknummer
200.286.771
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1:255 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.286.771

(zaaknummer rechtbank Overijssel 252233)

beschikking van 18 maart 2021

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E.G. Blankestijn te Almelo,

en

raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Almelo,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de vader,

en

[de stiefvader] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de stiefvader,

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Overijssel,

gevestigd te Hengelo (O),

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 8 september 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook te noemen: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 4 december 2020;

- het verweerschrift van de raad;

- een journaalbericht van mr. Blankestijn van 16 februari 2021 met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 18 februari 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

- [C] namens de raad,

- de vader,

- de stiefvader,

- [D] namens de GI,

3 De feiten

3.1

De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2013.

De vader heeft [de minderjarige] erkend. De moeder is belast met het gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] woont bij de moeder en de stiefvader.

3.2

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter op verzoek van de raad [de minderjarige] voor de duur van een jaar, met ingang van 8 september 2020 tot 8 september 2021, onder toezicht gesteld van de GI.

3.3

Bij beschikking van 21 september 2020 heeft de rechtbank inzake het recht van [de minderjarige] op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders als omgangsregeling vastgesteld dat [de minderjarige] met ingang van 1 november 2020 minimaal twee uur per twee weken omgang heeft met de vader onder begeleiding van de GI. De rechtbank heeft ook bepaald dat het aan de GI is om in het kader van de ondertoezichtstelling de omgang op een voor [de minderjarige] aanvaardbaar tempo verder uit te breiden en toe te werken naar een onbegeleide omgangsregeling. Het verzoek van de vader om naast de moeder te worden belast met het gezag over [de minderjarige] heeft de rechtbank afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en de raad alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in eerste aanleg dan wel dit verzoek af te wijzen.

4.2

De raad voert verweer. De raad verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.2

De moeder kan zich met de bestreden beschikking niet verenigen en voert daartoe het volgende aan. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt volgens de moeder dat de omstandigheid dat omgang niet van de grond komt onvoldoende aanleiding en grond vormt ondertoezichtstelling uit te spreken. [de minderjarige] functioneert in het dagelijks leven uitstekend en er zijn geen zorgen vastgesteld over haar ontwikkeling. [de minderjarige] groeit volgens de moeder bovendien op in een stabiele gezinssituatie met de moeder, de stiefvader en haar broertje en haar zusje. [de minderjarige] doet het goed. Nergens blijkt volgens de moeder ook uit dat het ontbreken van omgang met de vader een ernstige bedreiging voor [de minderjarige] oplevert. Juist als bij [de minderjarige] wordt aangedrongen op contact met de vader leidt dit tot spanningen, slecht slapen, nachtmerries en opstandig gedrag. De moeder heeft verder zonder bemoeienis van de raad dan wel de hulpverlening contact opgenomen met de vader om de mogelijkheden van contactherstel op een voor [de minderjarige] acceptabel tempo te bezien. De vader heeft met dit voorstel ingestemd. Doordat de ondertoezichtstelling is uitgesproken heeft dit initiatief van de moeder geen kans gekregen.

5.3

De raad voert verweer. Volgens de raad wordt [de minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling bedreigd, omdat zij geen (onbelast) contact heeft en kan hebben met de vader, terwijl daarvoor geen contra-indicaties zijn. De raad is er onvoldoende gerust op dat de ouders zonder ondersteuning van de GI tot concrete en structurele afspraken kunnen komen. De moeder geeft aan dat zij zal meewerken aan totstandkoming van contact, maar het ontbreekt haar aan intrinsieke motivatie. Dat blijkt volgens de raad ook uit het beroepschrift, waar de moeder beschrijft dat het goed gaat met [de minderjarige] en dat [de minderjarige] bij contact met de vader achteruitgang in haar gedrag laat zien. Het is de ouders ook al jarenlang niet gelukt om zelfstandig of met vrijwillige hulpverlening een omgangsregeling tot stand te brengen. De raad maakt zich daarom zorgen over de identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] .

5.4

De vader heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat hij veel zorgen heeft over [de minderjarige] . De vader vraagt de moeder al zeven jaar of hij [de minderjarige] mag leren kennen, maar dat is nog nooit gelukt. [de minderjarige] heeft volgens de vader veel problemen, dat blijkt ook uit de rapportage van Kind en Gezin. De vader wil de omgang niet afdwingen en heeft dat aan [de minderjarige] laten weten, maar daarmee zijn de problemen niet weg. De woede en weerstand bij [de minderjarige] tegen contact met de vader blijven, terwijl niet duidelijk is waar die vandaan komen. De vader gunt het [de minderjarige] dat zij deze ballast niet meer heeft in de toekomst, maar hij vreest dat dat niet lukt door geen contact tussen hen te laten plaatsvinden. Het contact tussen de moeder en de vader verloopt nu goed, maar de vader weet niet of dat zo blijft als de spanningen oplopen, want er is over en weer ook veel onbegrip. Daardoor weet de vader ook niet of het in een vrijwillig kader lukt om met de moeder tot afspraken over [de minderjarige] te komen.

5.5

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255, eerste lid, BW. Het hof voegt hier nog het volgende aan toe.

5.6

In het briefrapport van Kind en Gezin van 9 februari 2021 is het volgende te lezen:

“Zodra [de minderjarige] merkt dat we haar biologische vader ( [de vader] ) in het gesprek willen introduceren, zien we een andere [de minderjarige] . Ze laat eerst vooral boosheid zien. Ze blijkt boos te zijn, omdat ze het al heel vaak heeft moeten vertellen en nu moet ze het weer vertellen bij ons. En ze is ook zo boos, omdat “hun”, ze bedoelt eerdere hulpverleners, “willen dat ik [de vader] moet leren kennen”.

Volgens haar, had en heeft ze echter al “een papa” ( [de stiefvader] ) in haar dagelijks leven. Ze heeft echt niet begrepen waarom men haar dan toch wilde dwingen tot het leren kennen van en omgaan met die “andere papa” ( [de vader] ).

Ze geeft nadrukkelijk aan dat ze het er echt niet over wil hebben omdat ze zich tot nu toe nooit gehoord heeft gevoeld. (…)

Advies

Het is in het belang van [de minderjarige] om haar wensen op dit moment te respecteren. Dat is de enige manier om [de minderjarige] op een andere manier te kunnen laten omgaan met beide “vaders” in haar leven. [de vader] zal als biologische vader altijd met [de minderjarige] verbonden zijn en blijven. De invulling van de rol van [de vader] als biologische vader kan, gezien de stem van [de minderjarige] , nu niet anders dan vader op afstand zijn.

De heftigheid van haar emoties nu zouden een belemmering kunnen vormen om in de toekomst nieuwsgierig te mogen worden naar haar biologische vader. Daarom zullen moeder en [de stiefvader] de rol van [de vader] als vader op afstand moeten respecteren en [de minderjarige] ondersteunen in het leren van omgang met de nieuwe rol van haar biologische vader. Iemand waar ze nu geen contact mee wil, maar wel iemand waarmee zij wel verbonden blijft, ook als er geen contact is. (…)

Kind en Gezin heeft naar [de minderjarige] toe ook de boodschap van [de vader] verteld dat hij laat weten dat hij haar vader is en blijft en altijd voor haar klaar zal staan. Hij zal er voor haar zijn als ze hem nodig heeft.”

5.7

Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek bij Kind en Gezin blijkt dat er op dit moment geen ruimte bij [de minderjarige] is voor contact met de vader. De vader heeft zich daar bij neergelegd en dit is met behulp van Kind en Gezin naar [de minderjarige] gecommuniceerd. Dit laat onverlet dat de ouders - in het belang van [de minderjarige] - moeten werken aan een betere onderlinge verstandhouding en samenwerking, zodat zowel de vader als de moeder als de stiefvader naar [de minderjarige] kunnen uitdragen dat het goed is dat zij haar vader leert kennen. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de samenwerking tussen de ouders de afgelopen acht jaar niet van de grond is gekomen en er geen redenen zijn om aan te nemen dat dit op korte termijn wel zal gebeuren. De GI heeft ter mondelinge behandeling verklaard mogelijkheden te zien om de ouders daarbij te helpen en begeleiden. Op deze manier kan op termijn het contact tussen de vader en [de minderjarige] hersteld en genormaliseerd worden en dat vindt het hof, gelet op de onverklaarbare woede en weerstand van [de minderjarige] richting de vader, in het belang van [de minderjarige] . Het hof is dan ook van oordeel dat het verzoek van de moeder in hoger beroep niet kan worden toegewezen.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 8 september 2020;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, M.H.F. van Vugt en A.T. Bol, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 18 maart 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.