Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2588

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-03-2021
Datum publicatie
30-03-2021
Zaaknummer
200.287.230
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 1:265b BW en art. 1:265c BW. Verlenging machtiging uithuisplaatsing. Minderjarige heeft door forse hechtings- en trauma gerelateerde problematiek begeleiding nodig van professionele opvoeders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.287.230

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 506108)

beschikking van 16 maart 2021

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. H.S.K. Jap-A-Joe te Utrecht,

en

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.


Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de vader.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 11 september 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder te noemen: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 9 december 2020;

- het verweerschrift met producties;

- een journaalbericht van mr. Jap-A-Joe van 10 februari 2021.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 11 februari 2021 plaatsgevonden. Aanwezig waren:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- [B] , namens de GI.

Met kennisgeving vooraf was namens de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad) niemand aanwezig. Hoewel behoorlijk opgeroepen was de vader niet aanwezig.

3 De feiten

3.1

De moeder en de vader hebben een relatie gehad. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2011 te [A] . De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] .

3.2

Bij beschikking van 17 september 2013 heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (verder te noemen: de kinderrechter), [de minderjarige] onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar tot 17 september 2014. De ondertoezichtstelling is vervolgens steeds verlengd. Bij beschikking van 26 september 2019 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 17 september 2020.

3.3

Bij beschikking van 22 februari 2018 heeft de kinderrechter de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend. Deze machtiging is vervolgens steeds verlengd. Bij beschikking van 16 juli 2020 is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 17 september 2020.

3.4

[de minderjarige] is op 22 februari 2018 geplaatst bij een pleeggezin. Vanaf 29 maart 2018 tot

15 maart 2019 verbleef [de minderjarige] bij [C] en vanaf 15 maart 2019 tot 22 juli 2019 in een gezinshuis. Sinds 22 juli 2019 verblijft [de minderjarige] weer bij [C] .

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 17 september 2021 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder 24 uurs verlengd tot 17 september 2021.

4.2

De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen - naar het hof begrijpt – voor wat betreft de verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] en opnieuw beschikkende, het verzoek van de GI tot verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] af te wijzen, kosten rechtens.

4.3

De GI verzoekt het hof de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep, dan wel het verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.2

De moeder kan zich met de verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] niet verenigen. De moeder stelt dat de rechtbank en de NIFP-psychologe onvoldoende oog hebben gehad voor het feit dat zij zich de afgelopen jaren heeft bekwaamd in het omgaan met [de minderjarige] door middel van diverse opvoedtrainingen om zo haar opvoedingsvaardigheden te verbeteren. Zij heeft tijdens het NIFP-onderzoek onvoldoende de kans gehad om die verbeteringen te laten zien. Ook heeft zij aan zichzelf gewerkt met een psychologe waardoor zij in staat is om [de minderjarige] niet met haar persoonlijke problematiek te belasten. Verder constateert de moeder dat [de minderjarige] tot op heden nog geen adequate behandeling heeft gehad en zij acht de huidige situatie niet in het belang van [de minderjarige] . Zij vreest voor zijn psychisch welzijn indien deze situatie blijft voortduren.

De GI heeft het standpunt van de moeder gemotiveerd betwist.

5.3

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengd moest worden en dat de gronden voor uithuisplaatsing ook op dit moment nog aanwezig zijn. Het hof overweegt daartoe als volgt.

5.4

In 2018 is [de minderjarige] met spoed uithuisgeplaatst. Zijn veiligheid was in het geding omdat de moeder niet in staat was om te gaan met het zeer zorgelijke gedrag van [de minderjarige] . Uit het dossier, waaronder het NIFP-rapport van de moeder en [de minderjarige] van 26 juni 2020, komt naar voren dat [de minderjarige] een zeer kwetsbare jongen is. Bij [de minderjarige] is sprake van ADHD en forse hechtings- en trauma gerelateerde problematiek. Zijn problematiek uit zich in ernstige gedragsproblemen, waarbij [de minderjarige] heel boos kan worden en agressief gedrag kan laten zien.

Omdat de problematiek van [de minderjarige] dermate ernstig is, was het moeilijk om voor hem een geschikte woonplek te vinden. Een plaatsing bij pleegouders en later in een gezinshuis is niet gelukt. [de minderjarige] heeft zeer veel behoefte aan duidelijke kaders, stabiliteit en structuur. [de minderjarige] heeft behoefte aan een opvoeder met meer dan gemiddelde pedagogische, sensitieve en responsieve vaardigheden. Weliswaar blijkt uit voormeld NIFP-rapport dat de moeder over adequate pedagogische vaardigheden lijkt te beschikken, maar uit het rapport blijkt ook dat de moeder onvoldoende toegerust is om tegemoet te komen aan de meer dan gemiddelde opvoedvaardigheden die nodig zijn om [de minderjarige] op te voeden en te verzorgen. De orthopedagogische behandelsetting van [C] waar [de minderjarige] nu verblijft (met 24-uurs toezicht) voldoet aan zijn specifieke opvoedvraag. Uit voormeld NIFP-rapport en het plan van aanpak van [C] blijkt dat [de minderjarige] een (kleine) vooruitgang laat zien. Daaruit blijkt dat het pedagogische klimaat op de groep aansluit bij de behoeftes van [de minderjarige] . Vanuit de stabiliteit en rust die [de minderjarige] nu geboden krijgt, is een start gemaakt met zijn behandeling en therapie. [de minderjarige] heeft nog wel een lange weg te gaan.

Dit alles tezamen brengt het hof tot het oordeel dat handhaving van de huidige opvoedingssituatie voor [de minderjarige] vanwege zijn ernstige problematiek een zwaarwegend belang vormt, waarvoor de belangen van de moeder in dit geval dienen te wijken. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat volgens de GI het zorgelijke gedrag van [de minderjarige] niet meer bespreekbaar is met de moeder, omdat de moeder niet de gedragsproblemen bij [de minderjarige] ervaart die [C] , de school en de vader wel bij hem ervaren. Daarmee lijkt de moeder de ernst van de problematiek van [de minderjarige] te miskennen. Het hof acht daarom de uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] .

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.2

Gelet op de aard van de procedure, ziet het hof aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van

11 september 2020;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, H. Phaff en R. Krijger, bijgestaan door de griffier, en is op 16 maart 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.