Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2582

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-03-2021
Datum publicatie
24-03-2021
Zaaknummer
21-007185-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

5 weken gevangenisstraf terzake diefstal van een geldbedrag van € 720,-, waarbij verdachte op slinkse wijze de pinpas en pincode van een 81-jarige vrouw verkregen en heeft daarna met die pinpas voormeld bedrag uit de pinautomaat van de Rabobank heeft gehaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-007185-17

Uitspraak d.d.: 18 maart 2021

VERSTEK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 12 december 2017 met parketnummer 16-167970-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

wonende te [woonplaats] ,

[woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken onvoorwaardelijk, alsmede toewijzing van de vordering van de benadeelde partij voor het volledige bedrag van € 720,-, met toewijzing van de schadevergoedingsmaatregel en verhoogd met de wettelijke rente.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 14 januari 2015 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld (€ 720,-), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of het weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, namelijk door zonder toestemming van voornoemde [benadeelde partij] met haar pinpas geld afkomstig van haar bankrekening op te nemen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 14 januari 2015 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld (€ 720,-) toebehorende aan [benadeelde partij] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, namelijk door zonder toestemming van voornoemde [benadeelde partij] met haar pinpas geld afkomstig van haar bankrekening op te nemen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een geldbedrag van € 720,-. Verdachte heeft op slinkse wijze de pinpas en pincode van een 81-jarige vrouw verkregen en heeft daarna met die pinpas voormeld bedrag uit de pinautomaat van de [bank] gehaald.

Diefstal is een ergerlijk feit en berokkent gevoelens van angst bij de slachtoffers.

Het hof rekent het verdachte zwaar aan dat zijn slachtoffer een kwetsbare vrouw op leeftijd is.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend

Uittreksel Justitiële Documentatie van 27 januari 2021 waaruit blijkt dat verdachte in 2013 mede voor een vergelijkbaar feit onherroepelijk is veroordeeld.

Het hof houdt tevens rekening met het tijdsverloop dat na het plegen van het feit is verstreken.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de eerste rechter opgelegd en thans door de advocaat-generaal gevorderd, passend en geboden is.

Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is noodzakelijk vanuit het oogpunt van normhandhaving en ter vergelding van het door verdachte begane delict.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 720,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) weken.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 720,- (zevenhonderdtwintig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 720,00 (zevenhonderdtwintig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 14 (veertien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 14 januari 2015.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. R. de Groot, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G.G. Eisma, griffier,

en op 18 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.