Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2562

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-03-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
Wahv 200.245.940/
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5 Wahv. De enkele mededeling van de ambtenaar dat de verkeersituatie een staandehouding niet toeliet, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat er geen reële mogelijkheid was de bestuurder staande te houden. Volgt vernietiging van de sanctiebeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.245.940/01

CJIB-nummer

: 205348025

Uitspraak d.d.

: 17 maart 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank

Midden-Nederland van 3 april 2018, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is B.H.J. Hartgers, kantoorhoudende te Deventer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de hoorplicht is geschonden. Het afhaalbericht voor de brief met de uitnodiging voor de hoorzitting heeft hij niet ontvangen. PostNL heeft hem telefonisch medegedeeld dat er destijds een tijdelijke postbezorger was die de afhaalberichten niet heeft uitgereikt. Gelet hierop valt het de gemachtigde niet te verwijten dat hij de brief niet heeft opgehaald en dus ook niet dat hij niet op de brief heeft gereageerd. De officier van justitie had dan ook niet van het horen mogen afzien en de kantonrechter heeft dit miskend.

2. Het hof stelt vast dat de gemachtigde het verzoek om te worden gehoord in administratief beroep op de juiste wijze heeft gedaan en dat zich geen uitzonderingsgevallen voordoen. Bij de stukken van het dossier bevindt zich een aangetekend verzonden brief van 29 mei 2017 van de officier van justitie waarin hij de gemachtigde bericht dat deze de mogelijkheid krijgt om in persoon op 26 juni 2017 of telefonisch op 26, 27 of 28 juni 2017 gehoord te worden.

3. De officier van justitie heeft op 28 juni 2017 op het beroep beslist en het beroep ongegrond verklaard. In die beslissing is overwogen dat de gemachtigde is uitgenodigd voor een hoorzitting, maar dat hij de aangetekende brief niet heeft afgehaald en aldus niet heeft gereageerd op de uitnodiging te worden gehoord. Daarom is de officier van justitie ervan uitgegaan dat de gemachtigde niet wenste te worden gehoord.

4. Het hof stelt voorop dat een hoorzitting niet achterwege mag blijven als het antwoordformulier niet wordt teruggestuurd. Dat de brief met daarin een voorgestelde datum voor een hoorzitting niet wordt afgehaald, kan niet worden gezien als een verklaring dat geen gebruik wordt gemaakt van het recht te worden gehoord. Het hof leidt uit voormelde gang van zaken af dat de aangeboden fysieke hoorzitting geen doorgang heeft gevonden. Dit blijkt ook uit het feit dat er geen verslag van de hoorzitting van 26 juni 2017 is gemaakt. Een telefonische hoorzitting is slechts mogelijk op verzoek van een belanghebbende of om gewichtige redenen (artikel 7:19, derde lid, van de Awb). Dat is hier niet aan de orde.

5. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de gemachtigde niet in voldoende mate in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. Het hof zal de beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie daarom vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren. Het hof zal nu het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.

6. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “Rechts inhalen waar dat is verboden”, welke gedraging zou zijn verricht op 20 februari 2017 om 17:26 uur op de Rijksweg A1 te Muiden met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .

7. De gemachtigde stelt dat de gedraging niet is begaan, omdat de betrokkene en zijn voertuig ten tijde van de gedraging thuis waren en niemand anders toegang tot of de beschikking heeft gehad over het voertuig. Daarnaast is de betrokkene niet staande gehouden en uit de stukken blijkt niet waarom. Dat de verkeerssituatie dat niet zou hebben toegelaten, acht de gemachtigde vreemd en weinig concreet. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de ambtenaar ten onrechte op kenteken heeft bekeurd.

8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Rijstrook waarop betrokkene aanvankelijk reed: linker rijstrook.
Rijstrook waarop betrokkene inhaalde: middelste rijbaan.
Snelheid waarmee betrokkene inhaalde: 110 km/h.

Aantal ingehaalde voertuigen: 2.
(…)
Reden geen staandehouding: verkeerssituatie liet dit niet toe.”

9. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.

10. De door de ambtenaar opgegeven reden voor het niet staande houden van de bestuurder van het voertuig is op zichzelf niet voldoende voor de conclusie dat staandehouding niet reëel mogelijk is geweest. Niet blijkt waarom de verkeerssituatie het niet toeliet om de betrokkene staande te houden. Daarvoor is nadere informatie nodig over de verkeerssituatie ter plaatse op dat moment, de positie van de ambtenaar bij het vaststellen van de gedraging en/of de positie van het voertuig van de ambtenaar. Deze informatie ontbreekt.

11. Het verweer is van meet af aan gevoerd, desondanks is de informatie in het dossier op dit punt niet aangevuld. De advocaat-generaal heeft ervan afgezien een verweerschrift uit te brengen. Het hof ziet gelet hierop geen aanleiding om de advocaat-generaal alsnog in de gelegenheid te stellen deze informatie aan het dossier toe te voegen.

12. In dit geval moet het er daarom voor worden gehouden dat de ambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 5 van de Wahv door de sanctie aan de kentekenhouder op te leggen. Aan die onjuiste toepassing verbindt het hof de consequentie dat de beschikking, waarbij de sanctie aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd, moet worden vernietigd. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.

13. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal 3 punten te worden toegekend. Ook aan het telefonisch horen door de officier van justitie dient één punt te worden toegekend. Gelet op de door de gemachtigde geleverde inspanning zal het hof met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht het voor het horen door de officier van justitie toegekende hele punt halveren. De waarde per punt bedraagt € 534,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 934,50 (= 3,5 x € 534,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 934,50.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.