Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2538

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-03-2021
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
21-000295-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof schat het netto wederrechtelijk verkregen voordeel op € 6623,- en stelt de verplichting tot betaling aan de staat op € 4.453,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000295-19

Uitspraak d.d.: 17 maart 2021

TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 18 januari 2019 met parketnummer 18-179671-18 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De betrokkene heeft tegen de hiervoor genoemde beslissing hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 9.746,- en oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van hetzelfde bedrag. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en zijn raadsman, mr. O.A. van Oorschot, naar voren is gebracht.

De beslissing waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met de beslissing waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

Vordering

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 26.899,34 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van hetzelfde bedrag. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 9.746,- en dat aan betrokkene wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van hetzelfde bedrag.

Standpunt verdediging

Door de verdediging is primair bepleit het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op het bij betrokkene aangetroffen geldbedrag van € 2170,-. Subsidiair heeft de verdediging bepleit aan te sluiten bij de vordering van de advocaat-generaal. Meer subsidiair heeft de verdediging bepleit aan te sluiten bij een alternatieve berekening die de raadsman heeft opgesteld en derhalve het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op een bedrag van € 11.353,68.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De betrokkene is bij arrest van dit hof van 17 maart 2021 (parketnummer 21-000294-19) ter zake van het telen van hennep en diefstal van elektriciteit veroordeeld tot straf.

Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.

Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 6.623,-. Het hof komt als volgt tot deze schatting.

Betrokkene heeft vanaf het moment dat de politie naar aanleiding van een MMA melding bij hem thuis aanbelde openheid van zaken gegeven over de hennepkwekerij in zijn woning en de wijze waarop hij elektriciteit had afgetapt. Hij heeft bij de politie uitgebreid verklaard over hoe hij de hennepkwekerij heeft opgebouwd, hoe hij de planten onderhield en hoe hij de elektra heeft aangelegd. Daarnaast heeft hij verklaard over de opbrengsten en de kosten. Betrokkene heeft verklaard dat hij ongeveer € 12.000,- euro aan opbrengsten heeft gegenereerd en dat hij ongeveer € 8.000,- aan kosten heeft gemaakt.

Het hof acht het – gelet op de verklaring van betrokkene – aannemelijk dat betrokkene € 12.000,- heeft verdiend met de hennepkwekerij. Nu de door betrokkene opgegeven kosten van € 8.000,- niet gespecificeerd zijn sluit het hof met betrekking tot de kosten aan bij de ‘Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij’ d.d. 20 juni 2018. Blijkens dat rapport worden de gemaakte kosten geschat op € 2.253,26. Daarnaast zal het hof de elektriciteitskosten in mindering brengen. Op basis van het dossier en hetgeen ter zitting is besproken acht het hof aannemelijk dat deze kosten ten bedrage van € 3.122,84 door betrokkene aan [naam] zijn voldaan.

Het hof schat het netto wederrechtelijk verkregen voordeel aldus op (€ 12.000,00 – € 2.253,26 - € 3.122,84) = €6.623,90, af te ronden naar € 6.623,-

De verplichting tot betaling aan de Staat

In de woning van verdachte is een contant geldbedrag van € 2170,- aangetroffen. Verdachte heeft daarvan afstand gedaan. Het hof zal dit bedrag in mindering brengen op de betalingsverplichting.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in hoger beroep in deze zaak het volgende. Namens verdachte is op 18 januari 2019 hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de politierechter. Het onderhavige arrest dateert van 17 maart 2021. Daarmee is de redelijke termijn in de fase hoger beroep in beperkte mate, te weten met twee maanden, overschreden. Het hof is van oordeel dat kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM, nu in de gelijktijdig behandelde strafzaak strafvermindering wordt toegepast op grond van overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof stelt de verplichting tot betaling aan de Staat aldus op een bedrag van (€6.623 – € 2170,-) = €4.453,-

Gijzeling

Op grond van artikel 36e, elfde lid, Sr – gewijzigd bij de op 1 januari 2020 in werking getreden Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet USB) – dient de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur van de gijzeling te bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv ten hoogste kan worden gevorderd. Bij het bepalen van de duur van de gijzeling wordt voor elke volle 50 euro van het opgelegde bedrag één dag gerekend. De maximale duur van de gijzeling bedraagt 1080 dagen.

Gelet op het voorgaande en gelet op de hoogte van het bedrag dat betrokkene aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dient te betalen, bepaalt het hof de duur van de gijzeling die kan worden gevorderd op ten hoogste 89 dagen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 6.623,00 (zesduizend zeshonderddrieëntwintig euro).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van €4.453,00 (vierduizend vierhonderddrieënvijftig euro).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 89 dagen.

Aldus gewezen door

mr M.B. de Wit, voorzitter,

mr. L.T. Wemes en mr. M.C. van Linde, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Veenbaas, griffier,

en op 17 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.