Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2516

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-03-2021
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
200.272.126
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Verbeuren aandeel in nalatenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2021-0065
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.272.126

(zaaknummer rechtbank Overijssel 190358)

arrest van 16 maart 2021

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

advocaat: mr. H.J.M. van Denderen,

tegen:

1 [verweerster1] ,

wonende te [B] ,

2. [verweerder2] ,

wonende te [C] ,

3. [verweerder3] ,

wonende te [C] ,

4. [verweerder4] ,

wonende te [C] ,

advocaat: mr. K. Megens-Van Mierlo.

1 Waar gaat het over

1.1

Op 5 juli 2012 is [erflater] (hierna: erflater) overleden. Hij heeft als zijn erfgenamen bij versterf achtergelaten zijn broer [D] (1/3e), zijn zus [E] (1/3e) en drie neven en een nicht (hierboven onder 1-4 genoemd; ieder 1/12e)).

1.2

De broer en zus van erflater hebben zijn nalatenschap zuiver aanvaard; de nicht en de neven hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard.

1.3

Op 28 december 2013 is de broer van erflater overleden met achterlating van zijn echtgenote [verzoekster] (hierna: [verzoekster] ) als zijn enig erfgename. De rechtbank heeft mr. J.A. Zomer en mr. C.T.M. Hudepohl tot vereffenaars van de nalatenschap van erflater benoemd (rechtbank Overijssel 28 augustus 2015).

1.4

Erflater had een bankrekening bij de Volksbank Gronau-Ahaus eG.

Het saldo op die rekening is gevormd door twee overboekingen:

  • -

    een overboeking van € 50.107,50 op 22 juni 2012; en

  • -

    een overboeking van € 432.268,23 op 27 juni 2012.

Daarna zijn er de volgende opnames geweest:

  • -

    de dag voor het overlijden van erflater (4 juli 2012) heeft zijn broer een bedrag van € 100.000 van deze rekening opgenomen;

  • -

    de dag na het overlijden van erflater (6 juli 2012) heeft zijn broer een bedrag van € 380.000 van de rekening opgenomen;

  • -

    de zus van erflater heeft op 21 november 2013 € 5.412,42 van de rekening opgenomen, waarna het saldo nul was.

Erflater heeft op 6 juni 2012 een bancaire volmacht gegeven aan zijn broer en zijn zus. Erflater heeft aan zijn broer ook een algehele volmacht gegeven. Die volmacht is vastgelegd in een onderhandse akte van 25 juni 2012. In die akte staat:

“De volmacht geldt voor alle handelingen op financieel en materieel gebied.

De volmacht gaat in per 25 juni 2012

De volmacht geldt voor onbepaalde tijd.”

Voor het doen van de opnames hebben de broer en zus van erflater van deze volmachten gebruik gemaakt.

Vanwege de boekingen en opnames stond op de sterfdag van erflater (5 juli 2012) een saldo van € 385.437 op deze rekening.

1.5

De zus van erflater heeft op of omstreeks 5 februari 2016 € 57.900 in contanten aan de vereffenaars gegeven. Deze hebben dat bedrag op de ervenrekening gestort.

1.6

De nicht en de neven hebben [verzoekster] en [E] gedagvaard en de rechtbank gevraagd voor recht te verklaren dat [verzoekster] en [E] hun aandeel in een banktegoed van

€ 385.437 dat erflater op het moment van zijn overlijden had bij de Volksbank Gronau op grond van artikel 3:194 lid 2 BW hebben verbeurd en dat dit banktegoed alleen aan de nicht en de neven toekomt. De rechtbank heeft de gevraagde verklaring voor recht gegeven en beslist dat [verzoekster] en [E] de proceskosten van de nicht en de neven moeten betalen (vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 9 januari 2019).

2 De rechtszaak bij het hof

principaal hoger beroep

2.1

[verzoekster] is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij heeft zes bezwaren (grieven) tegen de beslissing van de rechtbank en wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt. Zij vraagt het hof de nicht en de neven alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering of deze af te wijzen. Zij wil ook dat de nicht en de neven haar de proceskosten voor de rechtszaak bij het hof vergoeden.

incidenteel hoger beroep

2.2

Ook de nicht en de neven zijn het niet eens met beslissing van de rechtbank. Zij komen daarvan in hoger beroep. Zij hebben een bezwaar tegen de beslissing van de rechtbank en willen dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt. Zij hebben ook een nieuwe vordering in hoger beroep.

Zij vragen het hof voor recht te verklaren dat [verzoekster] haar aandeel in:

a. de schadevergoedingsvordering van de nalatenschap van erflater van

€ 100.000;

het banktegoed van € 385.437 dat erflater ten tijde van zijn overlijden

had bij de Volksbank in Gronau;

het geldbedrag van € 57.900;

heeft verbeurd en dat dit nog slechts aan de nicht en de neven toekomt (artikel 3:194 lid 2 BW).

Zij willen ook dat [verzoekster] hun de proceskosten voor de rechtszaken bij het hof (principaal en incidenteel hoger beroep) en bij de rechtbank vergoedt.

De stukken

2.3

In het dossier van het hof zitten de volgende stukken:

  • -

    de stukken van de rechtszaak bij de rechtbank, met uitzondering van de conclusie van antwoord en de conclusie van repliek van de zus van erflater;

  • -

    de dagvaardingen in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven (met een bijlage);

  • -

    de memorie van antwoord/memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep (met 4 bijlagen);

  • -

    de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep (met 1 bijlage).

3 Wat beslist het hof

principaal hoger beroep

Is sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding?

3.1

[verzoekster] heeft geen (principaal) hoger beroep ingesteld tegen [E] en haar ook niet op voet van artikel 118 Rv als derde opgeroepen. In dit principaal hoger beroep moet het hof beslissen of [verzoekster] als deelgenoot nog een aandeel in banktegoed van

€ 385.437 heeft. Bij die beslissing zijn alleen nog [verzoekster] en de nicht en de neven betrokken; [E] niet meer omdat vast staat dat zij haar aandeel in dat banktegoed heeft verbeurd. De uitspraak van de rechtbank is voor haar onherroepelijk en bindt [E] en de nicht en de neven. Er is geen sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Het is niet nodig [E] in dit principaal hoger beroep alsnog op te roepen.

grief I: Zijn de nicht en de neven ontvankelijk in hun vorderingen?

3.2

[verzoekster] heeft op 4 februari 2014 op de griffie van de rechtbank verklaard dat zij de nalatenschap van haar echtgenoot – de broer van erflater – beneficiair aanvaardt. Zij is haar echtgenoot als zijn enig erfgename opgevolgd als deelgenoot in de nalatenschap van erflater. De vordering van de nicht en de neven – in het principaal hoger beroep – komt in feite erop neer dat voor recht wordt verklaard dat de broer van erflater zijn aandeel in het in 2.2 onder b genoemde goed van diens nalatenschap heeft verbeurd. Omdat de broer van erflater is overleden hebben de nicht en de neven zijn enig erfgename [verzoekster] in persoon gedagvaard. [verzoekster] vindt dat zij niet in persoon, maar als vereffenaar van de nalatenschap van haar echtgenoot had moeten worden gedagvaard omdat diens nalatenschap wettelijk moet worden vereffend. De nicht en de neven zijn volgens haar daarom niet-ontvankelijk in hun vorderingen. De nicht en de neven zeggen dat niet klopt dat [verzoekster] (nog) vereffenaar is of is geweest. Zij noemen daarvoor verschillende redenen. Een daarvan is dat er geen wettelijke vereffening is geweest, omdat de echtgenoot van [verzoekster] in zijn testament een executeur heeft benoemd die de nalatenschap ook al heeft afgewikkeld. Het hof gaat daarom ervan uit dat niet vaststaat dat [verzoekster] vereffenaar is geweest of nog steeds is en dat ook niet vaststaat dat de nalatenschap van de echtgenoot van [verzoekster] wettelijk moet worden vereffend. De nicht en de neven hebben weersproken wat [verzoekster] zegt en hebben dat ook toegelicht. [verzoekster] heeft niet aangeboden te bewijzen dat zij nog steeds vereffenaar is. Grief 1 van [verzoekster] faalt.

grief II en III: [verzoekster] heeft niets van doen gehad met de gelden van erflater in Duitsland…

3.3

[verzoekster] zegt dat zij niet betrokken is geweest bij het beheer over of het ophalen van de gelden van erflater in Gronau. Volgens haar zijn de verklaringen van [E] over haar betrokkenheid niet juist. Of dat klopt kan volgens het hof in het midden blijven. Het gaat erom dat de broer van erflater als deelgenoot in diens nalatenschap opzettelijk heeft verzwegen dat het banktegoed tot diens nalatenschap behoorde. Dat is het geval. [verzoekster] bestrijdt niet duidelijk wat de nicht en de neven daarover zeggen. Ze ontkent alleen dat zij daar zelf een rol in heeft gehad. De rechtbank heeft geoordeeld:

19. Geen van drieën heeft melding gemaakt van die geldbedragen aan mr L. Hamer, de

boedelnotaris hetgeen ook blijkt uit diens brief van 17 september 2012: “banksaldo van ongeveer € 50.000 tot € 60 000,-“ Ook uit het voorstel dat [D] en [E] aan de andere erfgenamen hebben gedaan in april 2013 blijkt dat de hier aan de orde zijnde “gelden uit Duitsland” werden verzwegen. In dat voorstel werd immers uitgegaan van spaargelden tot een bedrag van slechts € 84.653,-. Eisers zijn op dat voorstel niet ingegaan en hebben bij herhaling verzocht om meer informatie over de omvang van de boedel.”

Het hof is het met dat oordeel eens.

Notaris Hamer heeft opdracht van de broer en zus van erflater gehad om een verklaring van erfrecht op te stellen. Zij heeft op 17 september 2012 een uitgebreide brief aan de nicht en de neven gestuurd (bijlage 21 van de nicht en de neven; brief van hun advocaat van 16 januari 2017 aan de rechtbank). Zij schrijft dat de broer van erflater graag de nalatenschap van erflater zou willen afwikkelen namens de erfgenamen en daarvoor graag een volmacht van hen zou krijgen. Namens de broer en zus van erflater laat notaris Hamer de nicht en de neven het volgende weten:

“(…)

Uw oom en tante hebben mij te kennen gegeven dat de nalatenschap een positief saldo kent. Tot de nalatenschap behoort volgens uw oom het huis aan de [a-straat] 103 te [A] en een banksaldo van ongeveer €50.000,= tot €60.000,=.

(…)

Daarnaast adviseer ik u contact op te nemen met uw oom omtrent de reeds tijdens het leven van uw overleden oom ingezette verkoop van de [a-straat] .

Uw oom investeert thans fors uit eigen middelen in dit huis teneinde het voor verhuur geschikt te maken en voor latere verkoop. Hierover moeten denk ik tussen u en uw oom goede afspraken worden gemaakt, waarbij toedeling van het huis aan uw oom ook zeker een optie is.

(…)

Het is goed om u te realiseren dat de waarde van de nalatenschap vooral vastzit in de woning. Nu deze voor langere tijd wordt verhuurd kan de woning niet op korte termijn worden "verzilverd".

Dit zou een probleem kunnen geven met de af te dragen erfbelasting (u valt in de 2e tariefgroep, dit houdt in dat u een vrijstelling hebt van € 2.012,00, dat u over de eerste

€ 118.708,00 30% belasting moet afdragen en over het meerdere 40%).

Er zijn gelukkig wel uitstelmogelijkheden bij de belastingdienst (deze zijn wel rentedragend). (…)”

Vervolgens schrijft mr. Assink op 9 april 2013 namens de broer en de zus van erflater een brief aan de nicht en de neven (bijlage 23 van de nicht en de neven; brief van hun advocaat van 16 januari 2017 aan de rechtbank) en doet namens de broer en de zus een voorstel tot afwikkeling. Hij schrijft:

“(…)

Op 5 juli 2012 is (…) (uw oom) overleden. Tot de nalatenschap behoort zijn woning (…) te [A] . Voorts waren er nog spaargelden tot een bedrag van € 84.653,00 en overige bezittingen voor een bedrag van € 1.615,00. De kosten van de uitvaart bedroegen

€ 6.145,00. (…)”

Toen de broer van erflater de opgave aan de notaris deed en toen hij het voorstel aan de nicht en de neven deed had hij moeten spreken over de ‘gelden in Duitsland’. Hij heeft op dat moment ervoor gekozen te zwijgen. Hij heeft op dat moment ook niet kenbaar gemaakt dat erflater deze rekening had en welke opnames daarvan waren gedaan. Door in de wetenschap dat de “gelden in Duitsland” tot de nalatenschap behoorden te zwijgen toen spreken geboden was heeft hij zijn aandeel in deze ‘gelden in Duitsland” al op 17 september 2012, maar in elk geval in april 2013 verbeurd. Gedragingen van [verzoekster] voor en na zijn overlijden kunnen dat niet anders maken. De grieven II en III falen.

grief IV: [verzoekster] heeft nalatenschap van haar echtgenoot op 4 februari 2014 beneficiair aanvaard..

3.4

Of [verzoekster] de nalatenschap van haar echtgenoot ondanks de verklaring van beneficiaire aanvaarding al eerder zuiver had aanvaard of niet kan in het midden blijven. In beide gevallen blijft staan dat haar echtgenoot zijn aandeel in de nalatenschap van erflater heeft verbeurd. De wijze van aanvaarding is daarvoor niet relevant. Grief IV faalt.

Grief V: Heeft [verzoekster] de bescherming van de beneficiaire aanvaarding verspeeld?

3.5

De rechtbank heeft in rov. 26 geoordeeld:

“26. Voor het geval toch sprake mocht zijn geweest van een (tijdige en juridische juiste)

beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap van [D] , heeft [verzoekster] de bescherming daarvan verspeeld door ten nadele van de overige erfgenamen in de nalatenschap van erflater te handelen gelijk zij samen met [D] en [verzoekster] heeft gedaan. De redelijkheid en billijkheid die de relatie tussen gerechtigden tot een onverdeeldheid beheerst staat er aan in de weg dat [verzoekster] zich in dit kader nog kan beroepen op bescherming op basis van beneficiaire aanvaarding.”

Het is voor deze procedure niet van belang of [verzoekster] de bescherming van de beneficiaire aanvaarding heeft verspeeld of niet en of de nicht en de neven zich kunnen verhalen op haar eigen vermogen. Het gaat in deze procedure in principaal hoger beroep om de vraag of de broer van erflater zijn aandeel in het banktegoed heeft verbeurd. Voor dat oordeel is niet van belang of verhaal mogelijk is op het eigen vermogen van [verzoekster] . De nicht en de neven hebben de rechtbank en het hof ook niet gevraagd daarover te beslissen. Grief V kan niet leiden tot het ongedaan maken van de beslissing van de rechtbank.

Grief VI: verbeuren aandeel

3.6

[verzoekster] is de enige erfgename van haar echtgenoot. Doordat deze zijn aandeel in het goed dat in 2.2 onder b is genoemd heeft verbeurd:

  • -

    behoort dit goed niet langer tot de nalatenschap van erflater, maar behoort het toe aan de nicht en de neven samen. Ook [E] heeft immers haar aandeel in dat goed verbeurd;

  • -

    behoort het aandeel in dat goed ook niet tot de nalatenschap van de echtgenoot van [verzoekster] .

[verzoekster] heeft als erfgename dan ook geen aandeel in dat goed verkregen. Zij kan dan ook zelf niets meer verbeuren; dat heeft haar echtgenoot al bij leven gedaan. Of [verzoekster] zoals de rechtbank het zegt ‘belast’ is met het bij haar echtgenoot aanwezige opzet is een manier van zeggen. De rechtbank bedoelt kennelijk dat [verzoekster] de gevolgen ervan ondervindt dat haar echtgenoot het goed opzettelijk heeft verzwegen. Dat heeft immers tot gevolg dat zij zijn aandeel in dat goed niet in zijn nalatenschap aantreft.

De slotsom in het principaal hoger beroep

3.7

Geen van de bezwaren van [verzoekster] tegen de beslissing van de rechtbank treft doel. Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen en bepalen dat [verzoekster] aan de nicht en de neven de proceskosten vergoedt.

incidenteel hoger beroep

Is sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding?

3.8

De nicht en de neven hebben hun incidenteel hoger beroep ingesteld tegen [verzoekster] . Zij hebben [E] niet op voet van artikel 118 Rv als derde opgeroepen. In dit incidenteel hoger beroep moet het hof beslissen of [verzoekster] als deelgenoot nog een aandeel heeft in de schadevergoedingsvordering van de nalatenschap van erflater van

€ 100.000 en het geldbedrag van € 57.900. Bij die beslissing zijn niet alleen [verzoekster] en de nicht en de neven betrokken, maar ook [E] . De nicht en de neven stellen dat de schadevergoedingsvordering en het geldbedrag behoren tot de nalatenschap van erflater. Niet staat vast dat [E] haar aandeel in die beide goederen heeft verbeurd. Er is hier wel sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Het is wenselijk dat één beslissing over die rechtsverhouding voor alle daarbij betrokken partijen kan worden gegeven. De nicht en de neven hebben niet alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding opgeroepen. Het hof zal hun ambtshalve de gelegenheid geven om [E] alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op voet van artikel 118 Rv.1 Doen zij dat niet, dan zal het hof hen niet-ontvankelijk verklaren in hun incidenteel hoger beroep.

3.9

Het hof zal nu beslissen als volgt en iedere verdere beslissing aanhouden.

4 Beslissing

Het hof, recht doende in

principaal hoger beroep

bekrachtigt het vonnis dat de rechtbank Overijssel van 9 januari 2019;

veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de nicht en de neven vastgesteld op € 324 voor griffierecht en op € 3.278 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (1 punt; tarief V);

verklaart dit arrest wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

incidenteel hoger beroep

verwijst de zaak naar de rol van 4 mei 2021en geeft de nicht en de neven de gelegenheid alsnog de zus van erflater tegen die roldatum in het incidenteel hoger beroep te betrekken dan wel op die datum mee te delen dat zij dit zullen nalaten;

bepaalt dat voor het geval de nicht en de neven ervoor kiezen de zus van erflater in het incidenteel hoger beroep te betrekken, de zaak vervolgens zal worden verwezen naar de rol van (4 weken na de eerste roldatum) voor het nemen van de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep aan de zijde van de zus van erflater;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, M.H.H.A. Moes en J.U.M. van der Werff en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2021.

1 HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411.