Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2487

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-03-2021
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
200.275.969/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil over erfgrens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.275.969/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 191439)

arrest van 16 maart 2021

in de zaak van

1 [appellante1] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellante1],

2. [appellant2] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellant2],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in voorwaardelijke reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. E.T. van Dalen, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

1 [geïntimeerde1] ,

wonende te [A] ,

hierna: [geïntimeerde1],

2. [geïntimeerde2] ,

wonende te [A] ,

hierna: [geïntimeerde2],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in voorwaardelijke reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s.,

advocaat: mr. J.H. Mastenbroek, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt over het tussenarrest van 29 september 2020 waarbij een comparitie van partijen is gelast, die op 9 oktober 2020 heeft plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de processtukken.

1.2

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 Waar gaat deze zaak over?

2.1

[appellanten] c.s. zijn eigenaar van een perceel grasland in [A] . Dat perceel grenst aan een perceel waarop [geïntimeerden] c.s. wonen. [geïntimeerden] c.s. hebben een stuk grond in gebruik dat kadastraal gezien bij het perceel van [appellanten] c.s. hoort. [appellanten] c.s. maken daar bezwaar tegen, willen dat [geïntimeerden] c.s. de strook grond niet langer gebruiken en aan hen ter beschikking stellen. [geïntimeerden] c.s. willen dat niet. Zij willen erkend worden als eigenaar van de grond die zij in gebruik hebben. Dit geschil heeft de volgende achtergrond.

2.2

[appellanten] c.s. zijn sinds januari 2015 eigenaar van een perceel grond met daarop een boerderij gelegen aan [de a-straat] 2 in [A] , kadastraal bekend onder het nummer Leek

[00000] .

2.3

Aan de westzijde van het perceel van [appellanten] c.s. ligt een perceel grasland, kadastraal bekend onder het nummer Leek [00001] . [appellanten] c.s. zijn hiervan sinds maart 2018 eigenaar. Op het perceel hebben zij een oprit en een paardenbak aangelegd. Dit perceel is door [B] en zijn broer aan [appellanten] c.s. in eigendom overgedragen.

[B] en zijn broer hadden de eigendom daarvan in december 2017 verkregen van een familielid, [C] . [C] was eigenaar sinds

27 april 1966.

2.4

[geïntimeerden] c.s. zijn sinds 2 juli 1999 eigenaar van de woning met de bijbehorende grond aan [de a-straat] 4 in [A] , kadastraal bekend onder het nummer Leek [00002] . Deze onroerende zaak was eerder omstreeks 1983 in eigendom overgedragen aan de moeder, een oom en een tante van [geïntimeerde2] . Vóór hen waren de grootouders van [geïntimeerde2] eigenaar van de onroerende zaak, die zich aan de westzijde van het perceel grasland van

[appellanten] c.s. bevindt.

2.5

Aan de rechterzijde van de oprit van [geïntimeerden] c.s., gezien vanaf de weg, staat een betonnen muur, die het perceel visueel en fysiek afscheidt van de oprit op het naastgelegen grasland van [appellanten] c.s. In het verlengde van de betonnen muur staat een hek met houten palen, voorzien van gaas. In het verlengde van dit hek groeit struikgewas. Aan het einde van het struikgewas begint een sloot, die naar achteren doorloopt. De sloot heeft aan de linkerzijde betonnen walbeschoeiing. Hek, struikgewas en sloot scheiden eveneens visueel en fysiek de beide naast elkaar gelegen percelen van elkaar af.

2.6

Op 8 mei 2018 heeft op verzoek van [appellanten] c.s. een meting door het kadaster

plaatsgevonden om de kadastrale erfgrens tussen het perceel grasland van

[appellanten] c.s. en het perceel van [geïntimeerden] c.s. vast te stellen. Het kadaster heeft in de grond van het perceel van [geïntimeerden] c.s. piketpaaltjes geslagen als markering van de uitmeting van de erfgrens. Verder heeft het kadaster als markering van de erfgrens aan de voorzijde van het perceel van [geïntimeerden] c.s. een metalen pin in de grond bij de openbare weg geslagen. De pin en de piketpaaltjes bevinden zich links van de betonnen muur en het daarachter gelegen hek, het struikgewas en de sloot. Uit de kadastrale meting is gebleken dat de feitelijke erfgrens tussen de beide percelen afwijkt van de kadastrale erfgrens, in die zin dat een strook grond (hierna te noemen: de strook grond) beginnende aan de linkerzijde van de betonnen muur en in het verlengde daarvan doorlopend links van het hek, het struikgewas en de sloot volgens de kadastrale meting bij het perceel grasland van [appellanten] c.s. hoort.

2.7

De advocaat van [appellanten] c.s. heeft [geïntimeerden] c.s. op 24 mei 2018 gesommeerd om de strook grond aan [appellanten] c.s. ter beschikking te stellen. De (toenmalige) gemachtigde van [geïntimeerden] c.s. heeft vervolgens op 8 juni 2018 aan de advocaat van [appellanten] c.s. geschreven dat [geïntimeerden] c.s. eigenaar zijn van de strook grond en gevraagd of [appellanten] c.s. willen meewerken aan de formele vastlegging daarvan. [appellanten] c.s. hebben dit geweigerd.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellanten] c.s. hebben in eerste aanleg in conventie gevorderd dat de rechtbank [geïntimeerden] c.s. veroordeelt om binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis, de strook grond van circa 80 m2 te ontruimen en ter beschikking te stellen aan

[appellanten] c.s. op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.2

[geïntimeerden] c.s. hebben in eerste aanleg in voorwaardelijk reconventie gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat de vordering tot revindicatie van de strook grond is verjaard en/of dat [geïntimeerden] c.s. door verjaring de eigendom van de strook grond hebben verkregen.

3.3

De rechtbank heeft op 11 december 2019 in conventie de vordering van [appellanten] c.s. afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank voor recht verklaard dat [geïntimeerden] c.s. door verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond gelegen tussen de kadastrale en de feitelijke erfgrens van de percelen van partijen en dat de vordering van [appellanten] c.s. tot revindicatie is verjaard.

4 Het geschil in hoger beroep

4.1

[appellanten] c.s. hebben in hoger beroep hun eis vermeerderd. Tegen deze eiswijziging hebben [geïntimeerden] c.s. geen bezwaar gemaakt. Ambtshalve ziet het hof geen reden deze wijziging buiten beschouwing te laten zodat zal worden beslist op de gewijzigde eis.

4.2

[appellanten] c.s. hebben vernietiging gevorderd van de vonnissen van de rechtbank van 21 augustus 2019 en 11 december 2019. Daarnaast hebben zij in conventie gevorderd:

primair [geïntimeerden] c.s. alsnog te veroordelen om de strook grond van circa 80 m2 die deel uitmaakt van het perceel van [appellanten] c.s. aan het adres [de a-straat] 2 in [A] , kadastraal bekend onder nummer Leek [00000] en dat feitelijk in gebruik is bij [geïntimeerden] c.s. zoals aangegeven op het uittreksel van de kadastrale kaart, te ontruimen en feitelijk weer ter beschikking te stellen aan [appellanten] c.s. op straffe van verbeurte van een dwangsom en

subsidiair te verklaren voor recht dat [geïntimeerden] c.s. onrechtmatig hebben gehandeld door bij verkoop van het stuk grasland niet aan [appellanten] c.s. mee te delen dat het stuk grasland door [geïntimeerden] c.s. in bruikleen is gekregen; [geïntimeerden] c.s. te veroordelen om als schadevergoeding het stuk grasland dat feitelijk bij [geïntimeerden] c.s. in gebruik is te ontruimen en weer ter beschikking te stellen aan [appellanten] c.s., op straffe van verbeurte van een dwangsom en meer subsidiair te verklaren voor recht dat de eisen van redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW eraan in de weg staan dat [geïntimeerden] c.s. een beroep toekomt op verkrijgende verjaring van het stuk grasland, de grond te ontruimen en feitelijk weer ter beschikking te stellen aan [appellanten] ;

In reconventie hebben [appellanten] c.s. gevorderd dat de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. alsnog worden afgewezen. In conventie en in reconventie hebben [appellanten] c.s. verder gevorderd dat [geïntimeerden] c.s. in de proceskosten, daaronder begrepen de nakosten, worden veroordeeld.

4.3

[appellanten] c.s. hebben drie grieven ingebracht tegen het vonnis van de rechtbank. De eerste grief richt zich tegen het oordeel dat de conventionele vordering in alle varianten van [appellanten] c.s. is afgewezen en de reconventionele vordering van [geïntimeerden] c.s. is toegewezen. Met de tweede grief komen [appellanten] c.s op tegen de beslissing dat zij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Met de niet als zodanig aangeduide derde grief, komen [appellanten] c.s. op tegen de beslissing van de rechtbank die meebrengt dat zij bij de toewijzing van de reconventionele vordering niet heeft vastgesteld welke strook grond precies door verjaring eigendom van [geïntimeerden] c.s. is geworden.

5 De beoordeling van de grieven

De opzet en de conclusie van deze uitspraak

5.1

De tegen het vonnis van 11 december 2019 gerichte grieven bestrijden, in de kern genomen, het door de rechtbank gegeven oordeel over de vraag wie eigenaar is van de strook grond die feitelijk deel uitmaakt van het perceel van [geïntimeerden] c.s. maar kadastraal gezien deel uitmaakt van het perceel grasland van [appellanten] c.s. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. De conclusie daarvan zal zijn dat zij niet kunnen slagen en dat de twee vonnissen van de rechtbank moeten worden bekrachtigd.

Het perceelnummer

5.2

[appellanten] c.s. stellen dat de strook grond waar dit geschil over gaat, hoort bij het perceel dat van hen is en kadastraal bekend staat onder nummer Leek [00000] . Het hof gaat ervan uit dat [appellanten] c.s. hebben bedoeld te vorderen dat de strook grond behoort bij het perceel dat bekend staat onder nummer Leek [00001] en dat sprake is van een kennelijke verschrijving. Weliswaar hebben [geïntimeerden] c.s. aangevoerd dat [appellanten] c.s. zich eerder in de procedure hebben vergist en dat van hen verwacht mag worden dat zij in hoger beroep meer accuraat procederen maar, zo blijkt uit de processtukken, het is [geïntimeerden] c.s. duidelijk om welk kadastraal perceelnummer het gaat. Het afwijzen van de vordering vanwege de onjuiste kadastrale aanduiding gaat het hof te ver. [geïntimeerden] c.s. zijn niet in hun processuele belangen geschaad als het hof de vordering leest zoals deze overduidelijk is bedoeld.

De oppervlakte van de strook grond

5.3

[appellanten] c.s. hebben onder meer in het debat tussen partijen gesteld dat de omvang van de strook grond ongeveer 80 m2 is. Anders dan [appellanten] c.s. ter comparitie naar voren hebben gebracht, zijn ook [geïntimeerden] c.s. die mening toegedaan. De oppervlakte van de strook grond is dus niet in geschil, zodat in rechte ervan uit wordt gegaan dat de oppervlakte ongeveer 80 m2 is.

Verkrijgende verjaring?

5.4

[appellanten] c.s. stellen zich op het standpunt dat de kadastrale grens tussen hun perceel grasland en het perceel van [geïntimeerden] c.s. de juridische grens vormt.

5.5

[geïntimeerden] c.s. stellen daartegenover dat de feitelijke erfgrens tussen beide percelen die gevormd wordt door de betonnen muur, het hek, het struikgewas en de sloot, de juridische grens vormt. [geïntimeerden] c.s. stellen dat de feitelijke erfafscheiding zoals die nu bestaat, sinds 1958/1959 ongewijzigd aanwezig is. [geïntimeerden] c.s. en hun rechtsvoorgangers hebben de strook grond tussen de kadastrale grens en de feitelijke erfgrens al meer dan vijftig jaar in bezit en zijn door verkrijgende verjaring daarvan eigenaar geworden. De grootvader van [geïntimeerde2] heeft in of voor 1958 dan wel 1959 de strook grond van ongeveer 80m2 met inbegrip van de sloot gekocht dan wel geruild van een rechtsvoorganger van [appellanten] c.s. en in bezit genomen. Tegenover de verkrijging van de strook grond zou de grootvader van [geïntimeerde2] als tegenprestatie een boerderij hebben verbouwd. De vereiste notariële levering heeft evenwel niet plaatsgevonden. Aan de voorzijde is de muur geplaatst als erfafscheiding, naar achteren is een hek geplaatst en zijn bosschages geplant die aansluiten op de sloot. De strook grond, inclusief de sloot, is al die jaren door [geïntimeerden] c.s. en zijn rechtsvoorgangers gebruikt, onderhouden en de strook grond maakt visueel deel uit van het perceel van [geïntimeerden] c.s. Vanaf (omstreeks) 1983 hebben de moeder, een oom en een tante van [geïntimeerde2] het bezit van de strook grond gekregen en vanaf medio 1999 [geïntimeerden] c.s. [geïntimeerden] c.s. weten niet anders dan dat de feitelijke grens de erfgrens vormt en dat de strook grond behoort bij hun perceel. [geïntimeerde2] is sinds haar geboorte regelmatig bij opa en oma op bezoek geweest en weet dat de situatie nooit is veranderd. [geïntimeerden] c.s. hebben hun stellingen onderbouwd door overlegging van verklaringen van [D] , [E] en

[F] , een luchtfoto uit 1999 en trouwfoto’s uit 1966 waarop onder meer een muur zichtbaar is.

5.6

Het hof overweegt dat voor het huidig recht artikel 3:105 lid 1 BW bepaalt dat hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, dat goed verkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. Vereist is dat de verkrijger het bezit heeft op het moment waarop de verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit wordt voltooid. Op grond van artikel 3:314 lid 2 BW vangt de verjaringstermijn van een rechtsvordering die strekt tot beëindiging van het bezit van een niet-rechthebbende aan op de dag nadat een ander dan de rechthebbende bezitter is geworden. Op grond van artikel 3:306 BW bedraagt de verjaringstermijn voor een dergelijke rechtsvordering 20 jaar.

5.7

Voor het verkrijgen van een goed door verjaring is dus bezit vereist. De vraag of op het tijdstip van voltooiing van de verjaring sprake is van bezit dient te worden beantwoord aan de hand van artikel 3:107 BW en volgende. Bezit is het houden van een goed voor zichzelf (artikel 3:107 BW). Of er sprake is van bezit wordt beoordeeld naar de verkeersopvattingen met inachtneming van de wettelijke regels en overigens op grond van de uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). Voor de beantwoording van de vraag of iemand een zaak in bezit heeft genomen, is bepalend of hij de feitelijke macht over die zaak is gaan uitoefenen (artikel 3:113 lid 1 BW). Indien de zaak in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor inbezitneming onvoldoende (artikel 3:113 lid 2 BW). De machtsuitoefening moet zodanig zijn dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet. Dit is een kwestie van feitelijke aard. De rol van de verkeersopvatting brengt mee dat bij de aan de orde zijnde vraag de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moeten worden genomen.

5.8

Het is aan [geïntimeerden] c.s. te stellen en te bewijzen dat zij en hun rechtsvoorgangers tenminste 20 jaar het bezit van de strook grond hebben gehad. Van belang hierbij is dat een lopende verjaring kan worden afgebroken.

Voor zover de brief van 24 mei 2018 van [appellanten] c.s. aan [geïntimeerden] c.s. als stuitingshandeling kan worden aangemerkt, blijkt niet dat die stuitingshandeling (in de zin van artikel 3:317 lid 2 BW) binnen zes maanden is gevolgd door een stuitingshandeling in de zin van artikel 3:316 BW. Dit betekent dat per saldo in 2018 geen stuitingshandeling heeft plaatsgevonden. [appellanten] c.s. hebben op 9 april 2019 hun vordering ingesteld. Dit brengt met zich dat [geïntimeerden] c.s. voor 9 april 1999 van [appellanten] c.s. de strook grond in bezit moeten hebben verkregen, willen zij aanspraak kunnen maken op eigendomsverkrijging daarvan. Met andere woorden: het bezit van [geïntimeerden] c.s. van de strook grond moet vóór

9 april 1999 zijn aangevangen.

5.9

Het hof stelt vast dat niet in geschil is dat de strook grond is afgescheiden van het perceel grasland door de betonnen muur, het hek, het struikgewas en in het verlengde daarvan de sloot en dat visueel, naar uiterlijke verschijningsvormen de strook grond, deel uitmaakt van het perceel van [geïntimeerden] c.s. Ook is niet in geschil dat de strook grond na de plaatsing van de betonnen muur, het hek en het struikgewas dat aansluit op de sloot, enkel toegankelijk is vanaf het perceel van [geïntimeerden] c.s. Tegen deze achtergrond hebben [geïntimeerden] c.s. nader gesteld dat de strook grond door de grootvader omstreeks 1958 dan wel 1959 betrokken is bij het perceel, dat die situatie zich niet meer heeft gewijzigd en dat vervolgens [geïntimeerden] c.s. het bezit hebben verkregen toen zij de eigendom van het perceel in juli 1999 verkregen van de moeder, een oom en tante van [geïntimeerde2] . Zij hebben namelijk gesteld dat zij deze, in 1999 reeds visueel bij het perceel betrokken strook grond net als hun rechtsvoorgangers altijd hebben gebruikt en onderhouden als onderdeel van hun perceel. Om deze stellingen nader te onderbouwen hebben [geïntimeerden] c.s. onder meer verwezen naar schriftelijke verklaringen van [D] en [E] die verklaren dat de betonnen muur er in ieder geval heeft gestaan vanaf 1970, dat zij niet anders weten dan dat de muur er stond en dat die muur ook als erfafscheiding diende. [F] verklaart dat zij sinds ongeveer 1960 bekend is met de feitelijke situatie omdat zij getrouwd is geweest met de zoon van een rechtsvoorganger van [geïntimeerden] c.s. en dat de situatie van toen nog overeenkomt met ‘de situatie zoals deze nu nog is’. Op de in het geding gebrachte trouwfoto’s uit 1966 is onder meer een muur te zien die het perceel van thans [geïntimeerden] c.s. afscheidt van het perceel grasland. Uit de in het geding gebrachte luchtfoto uit 1999 valt af te leiden dat de feitelijke grens niet samenvalt met de kadastrale grens maar daar oostelijk van loopt.

5.10

De voorgaande stellingen van [geïntimeerden] c.s. zijn onvoldoende gemotiveerd door [appellanten] c.s. betwist. Zo wordt weliswaar de vraag opgeworpen of de muur op de trouwfoto’s gelijk is aan de huidige muur, maar niet gesteld of gebleken is dat er een andere muur heeft bestaan dan de huidige en zo ja, wanneer die muur dan is verdwenen of verplaatst. Dat had gezien de gemotiveerde stellingen van [geïntimeerden] c.s. op dit punt wel op de weg van [appellanten] c.s. gelegen. [appellanten] c.s. hebben verder aangevoerd dat [geïntimeerden] c.s. slechts als houder kunnen worden aangemerkt omdat sprake is van een bruikleenovereenkomst. De strook grond zou door de grootvader van [geïntimeerde2] in bruikleen zijn verkregen. [appellanten] c.s. verwijzen daarvoor naar de door hen in het geding gebrachte verklaring van [B] en stellen vraagtekens bij de betrouwbaarheid van de verklaringen van [D] , [E] en [F] . Het hof gaat hieraan voorbij. De blote stelling van [appellanten] c.s. dat zij hebben ‘begrepen dat het voor de familie [geïntimeerde1] en de rechtsvoorgangers van het perceel grond altijd helder en duidelijk was dat er sprake was van bruikleen van de strook grond’, is een onvoldoende betwisting van de gemotiveerde stellingen van [geïntimeerden] c.s.

Niet is aangevoerd en evenmin valt uit de verklaring van [B] af te leiden welke partijen de bruikleenovereenkomst hebben gesloten, wanneer dit is gebeurd en wat de exacte inhoud van die overeenkomst is. [B] , die pas vanaf 2017 mede-eigenaar van het perceel grasland werd, kan hierover niet uit eigen waarneming verklaren. Ook zijn vader naar wie hij in zijn verklaring verwijst, kan dat niet. Redengevende feiten of omstandigheden die een andere conclusie rechtvaardigen zijn verder onvoldoende gemotiveerd aangevoerd. Nu [appellanten] c.s. aldus de gemotiveerde stellingen van [geïntimeerden] c.s. onvoldoende hebben betwist, komt het hof aan verdere bewijslevering niet toe.

5.11

De conclusie is dat voldoende aannemelijk is geworden dat [geïntimeerden] c.s. bezitter van de strook grond zijn geworden op het moment dat zij op 2 juli 1999 eigenaar werden van hun perceel en dat zij dit bezit hebben verkregen van de directe rechtsvoorgangers die sinds 1983 eigenaar waren. Daarmee staat vast dat het bezit van de strook grond door

[geïntimeerden] c.s. en hun rechtsvoorgangers vóór 9 april 1999 is aangevangen en dat zij zich in ieder geval op verkrijging door verjaring van de strook grond in de zin van artikel 3:105 BW kunnen beroepen.

5.12

Ten aanzien van de sloot overweegt het hof als volgt. [appellanten] c.s. hebben nog aangevoerd onder verwijzing naar de kadastrale tekening die door hen als productie 1 bij dagvaarding in het geding is gebracht, dat alleen het voorste gedeelte van de kadastrale overschrijding bij [geïntimeerden] c.s. in gebruik is geweest en niet het achterste gedeelte van de kadastrale overschrijding achter de inham, omdat daar de sloot ligt. Ook de verklaringen en de foto’s die door [geïntimeerden] c.s. in het geding zijn gebracht, zouden enkel betrekking hebben op het voorste deel.

5.13

[geïntimeerden] c.s. hebben dit betwist en gesteld onder verwijzing naar de kadastrale tekening die zij als productie 10 bij conclusie van antwoord in het geding hebben gebracht, dat de strook grond met de feitelijke erfafscheiding bestaande uit de muur, het hek en het struikgewas dat aansluit op de sloot, in het veld geen knik of inham kent en vanaf de muur in een rechte lijn naar achteren loopt. De verkrijging door verjaring omvat, aldus

[geïntimeerden] c.s., ook de sloot. [geïntimeerden] c.s. hebben daartoe gesteld dat zij en hun rechtsvoorgangers de sloot altijd hebben onderhouden. Alleen inclusief de sloot omvat de strook grond een oppervlakte van ongeveer 80m2. Zonder de sloot heeft het die omvang niet.

5.14

Naar het oordeel van het hof hebben [geïntimeerden] c.s. onvoldoende gesteld dat zij en hun rechtsvoorgangers, naast de strook grond tussen de kadastrale grens en de feitelijke erfgrens, ook de gehele sloot in bezit hebben genomen. Het enkel plegen van onderhoud aan de sloot is daartoe onvoldoende. Dat alleen inclusief de gehele sloot de strook grond een oppervlakte van ongeveer 80 m2 heeft, is onvoldoende redengevend om anders te oordelen. De oppervlakte van de strook grond is weliswaar niet in geschil, maar is door partijen slechts bij benadering -‘ongeveer’ - gegeven en daardoor te weinig concreet en onderscheidend. Uit de gemotiveerde stellingen van [geïntimeerden] c.s. dat door het plaatsen van de muur en in het verlengde daarvan het hek en het struikgewas dat weer aansluit op de sloot, een feitelijke erfafscheiding is gecreëerd, leidt het hof af dat de sloot een natuurlijk onderdeel van de feitelijke erfgrens vormt die de twee percelen van partijen van elkaar scheidt. De juridische grens ligt dan, daar waar de feitelijke grens door de sloot wordt gevormd, in het midden van de sloot. Redengevende feiten of omstandigheden die een andere conclusie rechtvaardigen, zijn onvoldoende gesteld of gebleken, vergelijk artikel 5:36 BW. Het voorgaande heeft geen gevolgen voor het dictum van het vonnis van de rechtbank van

11 december 2019.

Onrechtmatig handelen?

5.15

Subsidiair hebben [appellanten] c.s. gesteld dat [geïntimeerden] c.s. onrechtmatig

jegens hen handelen nu zij eigendom pretenderen op de strook grond, terwijl zij weten of althans behoren te weten dat zij en hun rechtsvoorgangers die strook grond slechts in bruikleen hadden. [appellanten] c.s. bieden bewijs aan door het horen van [B] en zijn familieleden, die specifiek kunnen bevestigen dat er destijds sprake is geweest van een bruikleenovereenkomst met betrekking tot de strook grond.

5.16

Het hof overweegt dat een persoon die een zaak in bezit neemt, wetende

dat een ander daarvan eigenaar is, tegenover die eigenaar onrechtmatig handelt.1 Dat sprake was van een bruikleenovereenkomst is door [appellanten] c.s. onvoldoende gemotiveerd gesteld. [appellanten] c.s. hebben niet gesteld en evenmin valt uit de verklaring van

[B] af te leiden welke partijen de bruikleenovereenkomst hebben gesloten, wanneer dit is gebeurd en wat de exacte inhoud van die overeenkomst is (vergelijk rechtsoverweging 5.10). Aan bewijslevering wordt aldus niet toegekomen. Omdat het bestaan van een bruikleenovereenkomst in rechte niet kan worden vastgesteld, kan ook niet worden geconcludeerd dat [geïntimeerden] c.s. wisten of behoorden te weten dat sprake was van een bruikleenovereenkomst, laat staan dat zij dit aan [appellanten] c.s. hadden moeten mededelen. Nu ook anderszins geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat [geïntimeerden] c.s. de strook grond in bezit hebben genomen wetende dat een ander daarvan eigenaar was, dient het gevorderde op basis van onrechtmatig handelen te worden afgewezen.

Redelijkheid en billijkheid?

5.17

Meer subsidiair hebben [appellanten] c.s. een beroep gedaan op artikel 6: 248 lid 2 BW.

Ook de meer subsidiaire vordering is gebaseerd op de feitelijke stelling dat

[geïntimeerden] c.s. en hun rechtsvoorgangers al decennia weten dat zij de strook grond slechts in bruikleen van de toenmalige eigenaren van de strook grasland hebben gekregen.

5.18

Het hof overweegt dat nu de gestelde bruikleen van de strook grond in deze procedure niet kan worden vastgesteld, ook de vordering op de meer subsidiaire grondslag niet toewijsbaar is. Het bewijsaanbod van [appellanten] c.s. is ook in dit verband onvoldoende gespecificeerd en wordt gepasseerd.

6 De slotsom

6.1

De grieven falen. De bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd. [appellanten] c.s. zullen ook in deze procedure in de proceskosten worden veroordeeld (tarief II, 2 punt).

7 De beslissing

Het hof:

1 bekrachtigt de vonnissen van 21 augustus 2019 en 11 december 2019 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen;

2 veroordeelt [appellanten] c.s. in de proceskosten in hoger beroep. Tot nu toe worden die vastgesteld op

- € 332,- aan procedurele kosten (verschotten) en

- € 2.228,- aan salaris advocaat (tarief II, 2 punt);

3 wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. K.M. Makkinga, J.H. Kuiper en J.E. Wichers en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

16 maart 2021.

1 Vgl. Hoge Raad van 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309.