Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2478

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-03-2021
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
200.260.077/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Burengeschil. Ontvankelijkheid van bewoner ten aanzien van vorderingen waar de eigenaar of erfpachter belang bij heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.260.077/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/148197 / HA ZA 16-101)

arrest van 16 maart 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

bij de rechtbank: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. K.A. Faber, die kantoor houdt te Heerenveen,

tegen

[geïntimeerde1] ,

en

[geïntimeerde2] ,

beiden wonende te [B] ,

geïntimeerden,

bij de rechtbank: gedaagden in conventie en (wat [geïntimeerde1] betreft) eiser in reconventie,

hierna: [geïntimeerden],

advocaat: mr. H. de Jong, die kantoor houdt te Burgum.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Naar aanleiding van het tussenarrest van 25 februari 2020 heeft een mondelinge behandeling plaatsgehad (comparitie). Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Het ter zitting gedane verzoek van de zijde van [appellant] om pleidooi is afgewezen, omdat het strijdig is met een goede procesorde. Immers, (i) [appellant] en zijn advocaat zijn bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in de gelegenheid geweest hun standpunten uiteen te zetten, (ii) de afwezigheid van [appellant] ter zitting kan daaraan niet afdoen (hij heeft te laat een aanhoudingsverzoek gedaan met opgave van een reden die niet op het laatste moment is opgekomen) en (iii) het verzoek is slechts gedaan om [appellant] alsnog de gelegenheid te geven zijn standpunten uiteen te zetten. Ten slotte hebben partijen het hof gevraagd opnieuw uitspraak te doen.

1. Waar gaat deze zaak over?

1.1

In deze procedure gaat het om een langslepend burengeschil. De kern daarvan is, dat [appellant] geen toegang krijgt tot de tuin van [geïntimeerden] c.s. aan de [a-straat] 21 in [B] om werkzaamheden te verrichten aan de zijmuur van een bijgebouw op het perceel aan de [a-straat] 23 van mevrouw [C] . Die zijmuur is gebouwd op de erfgrens van beide percelen. [appellant] verblijft vanaf 1998 overwegend in de woning op het perceel van [C] en heeft het bijgebouw in overleg met haar opgericht.

1.2

Tussen partijen zijn in diverse procedures uitspraken gedaan over de bouw en het onderhoud van het bijgebouw, het beweerdelijk frustreren daarvan door [geïntimeerden] , acties die [appellant] van zijn kant tegen [geïntimeerden] zou hebben ondernomen en de daaruit voortvloeiende schade.

1.3

In deze procedure stelt [appellant] een grote hoeveelheid vorderingen in. Hij wil dat het hof

1. [geïntimeerden] veroordeelt aan [appellant] en/of personen die in opdracht van [appellant] bouwwerkzaamheden zullen verrichten, toegang te verlenen tot het perceel van [geïntimeerden] om het bijgebouw op het perceel De [a-straat] 23 te [B] af kunnen te bouwen. De toegang dient verleend te worden binnen 2 dagen na betekening van dit arrest voor de duur van de bouwwerkzaamheden, te weten 3 maanden vanaf de eerste dag van de aanvang van de werkzaamheden;

2. [geïntimeerden] veroordeelt om de erfafscheiding, de bomen, de heggen en/of de heesters binnen 2 meter van de erfafscheiding te verwijderen, zodat [appellant] , en/of personen die in opdracht van [appellant] bouwwerkzaamheden zullen verrichten, toegang hebben tot het perceel van [geïntimeerden] om het bijgebouw op het perceel De [a-straat] 23 te [B] af kunnen te bouwen. De toegang dient verleend te worden binnen 2 dagen na betekening van dit arrest voor de duur van de bouwwerkzaamheden, te weten 3 maanden;

3. [geïntimeerden] veroordeelt tot het verwijderen van de bomen, heesters en heggen die binnen een afstand van 2 meter, respectievelijk 50 centimeter van de erfgrens van [a-straat] 23 te [B] zijn gesitueerd, en/of in de toekomst geen nieuwe bomen, heesters en/of heggen binnen 2 meter, respectievelijk 50 centimeter van de perceelgrens te planten, binnen 2 dagen na betekening van dit arrest;

4. indien [geïntimeerden] niet binnen de onder 1 tot en met 3 gestelde termijn na betekening van dit arrest tot verwijdering van de erfafscheiding, de bomen, heesters en/of heggen overgaat, [appellant] toestaat de erfafscheiding, bomen, heesters en/of heggen te verwijderen die binnen een afstand van 2 meter, respectievelijk 50 centimeter van de erfgrens van [a-straat] 23 te [B] zijn gesitueerd en [geïntimeerden] veroordeelt de kosten te vergoeden die [appellant] maakt doordat [geïntimeerden] de erfafscheiding bomen, heesters en/of heggen laat verwijderen;

5. indien [appellant] zelf de bomen, heesters en/of heggen moet laten verwijderen, [geïntimeerden] te veroordelen tot het vooruitbetalen van € 2.904,- op de derdengeldenrekening van de advocaat van [appellant] ter garantie dat de kosten van de verwijdering die [appellant] maakt, zijn gedekt;

6. [geïntimeerden] veroordeelt tot het vergoeden van de schade die is toegebracht aan de muur en het bijgebouw door bomen, heesters en/of heggen van [geïntimeerden] , welke schade nader dient te worden opgemaakt in een schadestaatprocedure;

7. [geïntimeerden] (primair) veroordeelt tot het overdragen van een strook grond van een halve meter vanaf de perceelsgrens tegen de oorspronkelijke grondprijs; subsidiair [geïntimeerden] veroordeelt tot het plaatsen van een (stenen) muur zonder openingen en/of erfafscheiding op een halve meter afstand van de perceelsgrens;

8. [geïntimeerden] verbiedt binnen anderhalve meter vanaf de perceelsgrens afluister- foto en/of filmapparatuur te plaatsen en/of te gebruiken;

9. voor recht verklaart dat [geïntimeerden] zich onrechtmatig heeft geuit over en tegen [appellant] ;

10. [geïntimeerden] verbiedt zich laatdunkend, dreigend intimiderend, beledigend en/of op andere wijze onrechtmatig tegen en over [appellant] uit te laten, zowel in schrift als in woord en daad;

11. indien [geïntimeerden] zich hieraan niet houdt, [geïntimeerden] veroordeelt tot het betalen van een dwangsom aan [appellant] voor elke onrechtmatige uiting over en/of tegen [geïntimeerden] ten bedrage van € 2500.- per uiting, met een maximum van € 20.000,- dan wel een bedrag dat het hof gelet op het geschil rechtvaardig acht;

12. indien [geïntimeerden] niet binnen de onder 1 en 2 gestelde termijn [appellant] toegang verleent tot zijn perceel om het bijgebouw af te bouwen, en/of zich niet houdt aan een van de onder 3 tot en met 7 genoemde vorderingen, [geïntimeerden] veroordeelt tot het betalen van een dwangsom van € 2.000,- per dag, waarbij een gedeelte van een dag als een hele dag zal hebben te gelden, met een maximum van € 75.000.-;

13. [geïntimeerden] veroordeelt tot betaling van de proceskosten.

1.4

De rechtbank heeft al deze vorderingen afgewezen. De strekking van het hoger beroep is, dat ze alsnog worden toegewezen. De vorderingen die van de kant van [geïntimeerden] zijn ingesteld (en die ook zijn afgewezen), staan niet meer ter discussie.

2 Het oordeel van het hof

2.1

Het hof stelt vast dat [appellant] in dit hoger beroep geen onderbouwing heeft gegeven voor enig onderdeel van zijn vorderingen die niet al door de rechtbank is beoordeeld en verworpen. Deze beoordeling is uitgebreid en deugdelijk. Daarom moet het hoger beroep stranden. Het hof voegt hier voor de duidelijkheid het volgende aan toe.

2.2

Volgens de rechtbank is [appellant] in zijn vorderingen 2., 3., 4. en 7. alleen ontvankelijk als [C] er geen bezwaar tegen heeft dat die vorderingen worden toegewezen. [appellant] is namelijk geen eigenaar of erfpachter van haar perceel. Tegen dat uitgangspunt komt [appellant] niet op. Bovendien ontbreekt ook in hoger beroep een akte van vestiging van erfpacht of een voldoende betrouwbare blijk van toestemming van [C] .

Het hof deelt wat betreft dat laatste de conclusie van de rechtbank dat met de bij de rechtbank overgelegde verklaringen van 11 september 2014, 20 april 2016, de verklaring van [C] van 12 oktober 2016 en haar aangiftes van 18 maart 1999 en 29 mei 2016 niet kan worden volstaan. De in de memorie van grieven onder 45. genoemde nadere verklaring van [C] is niet overgelegd – ook niet nadat [geïntimeerden] c.s. er in hun antwoord op hadden gewezen dat die verklaring niet was overgelegd. Het hof treft in de memorie van grieven ook verder geen bezwaren aan tegen de niet-ontvankelijkverklaring met betrekking tot deze vorderingen.

2.3

Het voorgaande geldt ook voor het op 2., 3., 4. en 7. voortbouwende oordeel van de rechtbank (i) dat de vorderingen onder 1. en 5. bij gebrek aan belang moeten worden afgewezen en (ii) dat [appellant] ten aanzien van de vordering onder 6. evenzeer niet-ontvankelijk is voor zover die is gebaseerd op artikel 5:42 lid 4 BW. Het hof voegt daaraan toe dat, mocht dat al zijn bedoeld, niet is onderbouwd dat deze laatste vordering kan worden gebaseerd op het leerstuk onrechtmatige daad.

2.4

Evenmin zijn grieven aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat ook de vorderingen onder 8. (plaatsing van audio- en videoapparatuur) en 9. (onrechtmatige uitingen) niet zijn onderbouwd.

2.5

De vorderingen onder 11., 12. en 13. bouwen voort op de al verworpen vorderingen en delen het lot daarvan.

3 De conclusie

3.1

De conclusie moet luiden dat geen van de vorderingen deugdelijk is onderbouwd, en dat de bestreden vonnissen moeten worden bekrachtigd. [appellant] zal ook in deze procedure in de proceskosten worden veroordeeld (tariefgroep II, 2 punten).

4 De beslissing

Het hof:

1. bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland in Leeuwarden van

13 juni 2018, 19 september 2018 en 20 februari 2019;

2. veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep. Tot nu toe worden die aan de kant van [geïntimeerden] c.s. vastgesteld op

  • -

    € 324,- aan procedurele kosten (verschotten) en

  • -

    € 2.228,- aan salaris.

3. wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, D.H. de Witte en H.M. Fahner en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

16 maart 2021.