Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2437

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-03-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
Wahv 200.257.959/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5 Wahv. De ambtenaar heeft verklaard dat hij onderweg was naar een melding waarbij politie-inzet direct noodzakelijk was. In een dergelijke situatie mag worden afgezien van staandehouding en een sanctie op kenteken worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.257.959/01

CJIB-nummer

: 213480818

Uitspraak d.d.

: 15 maart 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 14 maart 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie had moeten vernietigen wegens een motiveringsgebrek. De officier van justitie gaat voorbij aan de gronden van het administratief beroep en overweegt ten onrechte dat sprake is van een ambtsedige verklaring.

2. Het hof stelt vast dat de officier van justitie in de beslissing (zij het summier) is ingegaan op de door de gemachtigde aangevoerde beroepsgronden. Van een motiveringsgebrek is dus geen sprake. De enkele omstandigheid dat de officier van justitie ten onrechte spreekt van een ambtsedige verklaring, maakt niet dat de kantonrechter de beslissing had moeten vernietigen.

3. De bezwaren richten zich verder tegen de opgelegde sanctie. Bij de inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 december 2017 om 19.42 uur op het Spui in ʼs-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .

4. De gemachtigde voert aan dat de sanctie ten onrechte is opgelegd met toepassing van artikel 5 van de Wahv. Artikel 5 van de Wahv is - zakelijk weergegeven - niet bedoeld voor situaties als de onderhavige, maar voor situaties waarbij in het geheel geen ambtenaar aanwezig is of situaties waarbij in het geheel geen overtreder aanwezig is.

5. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat onder meer de volgende gegevens:

“betrokkene negeerde voor de kruiding Spui met de Amsterdamse Veerkade het verkeerslicht dat in zijn/haar richting al zeker 2 seconden rood licht uitstraalde. (…)
Reden geen staandehouding: ivm omstandigheden de betrokkene geen kennisgeving kunnen uitreiken.”

7. In het dossier bevindt zich voorts een proces-verbaal van bevindingen van 21 februari 2018, waarin de ambtenaar op ambtseed verklaart:

“Ik heb de betrokkene c.q. bestuurder van dit voertuig niet staande gehouden voor deze gedraging omdat ik op dat moment op weg was naar een melding met een hogere prioriteit waarbij politie inzet direct noodzakelijk was.”

8. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt zodat aan hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.

9. Het hof volgt de gemachtigde niet in zijn standpunt dat uit de totstandkomingsgeschiedenis volgt dat artikel 5 van de Wahv alleen bedoeld is voor situaties waarbij de gedraging met behulp van technische middelen is geconstateerd of in geval van parkeerovertredingen. De voorbeelden in de totstandkomingsgeschiedenis waarop de gemachtigde dit standpunt baseert, behelzen geen limitatieve opsomming. Dit betekent dat ook in andere situaties dan de situaties in de genoemde voorbeelden een sanctie aan de kentekenhouder kan worden opgelegd zonder dat voorafgaande staandehouding heeft plaatsgevonden. Daarbij is het uitgangspunt, zoals hiervoor is overwogen, dat slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, de sanctie aan de kentekenhouder mag worden opgelegd.

10. Het hof gaat er in dit geval van uit dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. Uit de verklaring van de ambtenaar in het proces-verbaal van bevindingen volgt dat hij onderweg was naar een melding met hogere prioriteit waarbij politie inzet direct noodzakelijk was.

Op grond daarvan acht het hof aannemelijk dat er voor de ambtenaar op dat moment geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder bestond, zodat de ambtenaar terecht met toepassing van artikel 5 van de Wahv de sanctie aan de betrokkene als kentekenhouder heeft opgelegd. Het verweer van de gemachtigde treft geen doel.

11. De gemachtigde voert voorts aan dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven omdat uit de inleidende beschikking niet is gebleken dat de betrokkene is gewezen op artikel 8 van de Wahv zoals in artikel 5 van de Wahv is bepaald.

12. In artikel 5 van de Wahv is bepaald dat de betrokkene bij het opleggen van de sanctie wordt gewezen op het bepaalde in artikel 8 van de Wahv. In artikel 8 van de Wahv is bepaald dat de officier van justitie, indien de sanctie met toepassing van artikel 5 van de Wahv aan de kentekenhouder is opgelegd, de inleidende beschikking in een aantal, onder a, b en c genoemde, situaties vernietigt.

13. Het dossier bevat een kopie van de inleidende beschikking. Hieruit blijkt dat de betrokkene in de inleidende beschikking niet is gewezen op het bepaalde in artikel 8 van de Wahv. Ook anderszins blijkt uit het dossier niet dat de betrokkene hierop is gewezen. Dit is in strijd met artikel 5 van de Wahv. Nu echter niet gesteld is dat één van de in artikel 8 genoemde situaties van toepassing is, is de betrokkene hierdoor niet in een rechtens te respecteren belang geschaad. Het hof zal daarom geen gevolgen verbinden aan het ontbreken van de verwijzing naar artikel 8 van de Wahv.

14. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

15. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.