Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2423

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-03-2021
Datum publicatie
29-03-2021
Zaaknummer
200.274.908/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgekochte in eigen beheer opgebouwde pensioenrechten vallen niet onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (: Wvps) van verrekening van pensioen op grond van de Wvps kan dan geen sprake zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-03-2021
V-N Vandaag 2021/803
FutD 2021-1104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.274.908/01

(zaaknummer rechtbank 167309)

beschikking van 9 maart 2021

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man

advocaat: mr. S.A. Wortmann te Groningen,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.C. Braak te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van 22 mei 2019 en 27 november 2019 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Hierna wordt de beschikking van 27 november 2019 de bestreden beschikking genoemd.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 27 februari 2020;

- het verweerschrift met productie;

- een journaalbericht van mr. Wortmann van 8 oktober 2020 met producties.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft op 23 oktober 2020 plaatsgevonden. De man en de vrouw zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1.

Partijen zijn [in] 1991 met elkaar gehuwd. In een notariële akte van 2 april 1991 zijn de tussen partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden vastgelegd. Daarin is, voor zover relevant, overeengekomen dat tussen partijen geen gemeenschap van goederen zal bestaan. Partijen zijn geen verrekenbeding overeengekomen.

3.2.

Partijen zijn elk voor 50% aandeelhouder van [C] B.V. (hierna: de bv) en partijen zijn beiden werknemer van de bv. Beiden hebben bij de bv pensioen in eigen beheer opgebouwd.

3.3.

Bij brief van 9 november 2016 heeft de heer [D] van [E] belastingadviseurs de man en de vrouw geïnformeerd over de komende Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen. In de brief staat onder meer:

“Voor alle pensioenen in eigen beheer (derhalve ook reeds ingegane of premievrije pensioenen) biedt het voorstel de hierna volgende drie opties, waarvan u vanaf 2017 één dient te kiezen:

1. afstempelen en afkoop;

2. afstempelen en omzetting in een oudedagsverplichting (ODV);

3. behoud eigen beheer (premievrije aanspraak).

Positie (ex-)partner

Wij merken op dat de positie van de (ex-)partner een belangrijke rol speelt bij de keuze. De partner heeft belangen ten aanzien van het pensioen die gewaarborgd dienen te worden. De partner zal volledig in de besluitvorming rond het pensioen moeten worden betrokken, zodat hij / zij zich bewust is van de gevolgen van de keuze.”

3.4.

Medio juni 2017 zijn partijen feitelijk uit elkaar gegaan. Zij hebben per 1 juli 2017 de saldi van hun bankrekeningen verdeeld en vanaf dat moment hebben zij hun financiën gescheiden gehouden.

3.5.

In deze tijd heeft de vrouw zich laten adviseren door de heer [F] van Administratiekantoor [G] , gevestigd te [H] .

3.6.

Op 1 december 2017 zijn twee overeenkomsten gesloten tot afkoop van de bij de bv opgebouwde pensioenrechten; elk van partijen heeft als werknemer een overeenkomst tot afkoop ondertekend en die overeenkomst is door de andere partij, als partner van de werknemer, medeondertekend. De man heeft voor het op zijn naam opgebouwde ouderdoms- en partnerpensioen een bruto bedrag van € 237.195,05 ontvangen en de vrouw voor het op haar naam opgebouwde ouderdoms- en partnerpensioen een bruto bedrag van € 50.382,77.

In de overeenkomsten van de vrouw en van de man staat, voor zover hier van belang:

“Alle bij de werkgever in eigen beheer opgebouwde pensioenrechten worden afgekocht per 01-12-2017.

(…)

Door het ondertekenen van deze overeenkomst kunnen de werkneemster/werknemer en de partner geen aanspraak maken op de bovenstaande pensioenen.

De werkneemster/werknemer en de partner verklaren door het ondertekenen van deze overeenkomst zich bewust te zijn van de consequenties van het afkopen van de bovenstaande pensioenaanspraken.”

3.7.

Bij e-mail van 8 november 2018 heeft de vrouw aan de man geschreven, voor zover van belang:

“De pensioenverplichtingen die de BV naar ons beiden had, zijn in 2017 afgekocht. Ik heb gezien dat de pensioenverplichtingen per 31-12-2017 op nul staan. Fijn dat dat is afgewikkeld. Dat scheelt weer bij de scheiding. De pensioenverplichtingen staan daaraan niet meer in de weg.”

3.8.

Op 26 november 2018 is het verzoekschrift tot echtscheiding ingediend.

3.9.

Bij beschikking van 22 mei 2019 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en heeft de rechtbank de beslissing over de verzochte nevenvoorzieningen aangehouden. Het huwelijk van partijen is op 5 juni 2019 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

De vrouw heeft in eerste aanleg, voor zover van belang, als nevenvoorziening onder G verzocht te bepalen dat partijen gehouden zijn de door hen ontvangen afkoopbedragen ter zake het gezamenlijk opgebouwd pensioen in eigen beheer (ad € 287.578,-) met elkaar te verrekenen, dit binnen twee weken na ontvangst van de definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2017 door partijen.

4.2.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 27 november 2019 beslist op de aangehouden nevenverzoeken in de echtscheidingsprocedure en heeft daarbij - voor zover van belang - onder 3.2. bepaald:

“dat partijen gehouden zijn de door hen ontvangen afkoopbedragen ter zake het gezamenlijk opgebouwde pensioen in eigen beheer (ad € 287.578.00 bruto) met elkaar te verrekenen, rekening houdend met de hierover door ieder van hen verschuldigde inkomstenbelasting, binnen twee weken na ontvangst door partijen van de definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2017,-“

4.3.

De man kan zich in die beslissing niet vinden en verzoekt in hoger beroep dat het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 27 november 2019 zal vernietigen, voor zover het betreft de beslissing onder 3.2 en opnieuw recht doende:

I. het verzoek van de vrouw in haar verweerschrift tegen het verzoek tot echtscheiding, tevens houdende zelfstandige verzoeken onder G af te wijzen;

II. de vrouw te veroordelen om aan de man (terug) te betalen het bedrag dat hij aan haar heeft overgemaakt ter uitvoering van de beschikking van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden d.d. 27 november 2019, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling;

III. de proceskosten tussen partijen te compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten dient te dragen.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

De man heeft één grief opgeworpen. Deze houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de afkoopbedragen ter zake van het opgebouwde pensioen in eigen beheer verrekend moeten worden.

5.2.

Het hof is van oordeel dat de grief van de man slaagt. Het hof overweegt daartoe het volgende.

5.3.

Partijen hadden elk pensioen in eigen beheer opgebouwd in de bv.

5.4.

Op grond van artikel 1 lid 4 sub a van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps) vallen pensioenaanspraken die door een directeur-grootaandeelhouder in eigen beheer zijn opgebouwd onder de Wvps. Het door partijen opgebouwde pensioen viel derhalve onder de Wvps.

5.5.

Op 1 april 2017 is de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen in werking getreden. Deze wet omvat een aantal wijzigingen van andere wetten met als doel het pensioen in eigen beheer uit te faseren. Op grond van deze wet had de directeur-grootaandeelhouder tot en met 31 december 2019 de mogelijkheid om het pensioen in eigen beheer fiscaal voordelig af te kopen of om te zetten in een oudedagsverplichting, dan wel premievrij voort te zetten in de eigen onderneming.

Omdat deze keuzes financiële gevolgen konden hebben voor de partner, was in art. 38n lid 4 Wet op de loonbelasting 1964 bepaald dat afkoop of omzetting uitsluitend mogelijk was met schriftelijke toestemming van de partner. Zo kon de partner bijvoorbeeld alvorens toestemming te verlenen een compensatie bedingen voor het eventuele verlies van rechten.

5.6.

Zodra een pensioen wordt afgekocht, is er geen pensioen meer dat onder de Wsvp valt.

5.7.

Op grond van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen hebben beide partijen hun in eigen beheer opgebouwde pensioen afgekocht en hebben zij elk als partner ingestemd met de afkoop door de ander. Het gevolg hiervan is dat er op het moment van ontbinding van het huwelijk geen pensioen (meer) aanwezig was in de zin van de Wvps. Er kan dan ook geen sprake zijn van verrekening van pensioen op grond van de Wvps.

5.8.

De vrouw stelt dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, die de rechtsverhouding tussen de ex-echtgenoten beheersen, voortvloeit dat partijen hun in eigen beheer opgebouwde afgekochte pensioenen moeten verrekenen. Het hof volgt de vrouw hierin niet.

Uit het systeem van de wet volgt dat het moment om over enige compensatie te spreken het moment was waarop de vrouw als partner de overeenkomst tot afkoop ondertekende. Zij heeft dit toen niet gedaan. De vrouw heeft verder geen relevante feiten en omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven van het wettelijk systeem af te wijken. Uit de stukken blijkt dat de vrouw heeft aangestuurd op afkoop van het door haar in eigen beheer opgebouwde pensioen, omdat dit volgens de accountant fiscale voordelen had. Uit de weergave van de feiten blijkt dat zowel de man als de vrouw er op zijn gewezen dat de positie van de partner een belangrijke positie is met belangen die gewaarborgd moeten worden. Partijen zijn hierop gewezen en dat wetende hebben zij over en weer ingestemd met afkoop van de pensioenrechten. Daarbij had de vrouw bijstand van een eigen adviseur, zodat het er voor gehouden moet worden dat zij wist wat de gevolgen van afkoop waren. Ook de stelling van de vrouw dat zij hebben geleefd als waren ze in gemeenschap van goederen getrouwd, ook al zou dit juist zijn, kan niet tot een verdeling bij helfte van de afgekochte pensioenrechten leiden.

6 De slotsom

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt de grief. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

6.2.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

27 november 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en (in zoverre) opnieuw beschikkende:

wijst af het verzoek van de vrouw in haar verweerschrift tegen het verzoek tot echtscheiding, tevens houdende zelfstandige verzoeken onder G;

veroordeelt de vrouw om aan de man (terug) te betalen het bedrag dat hij aan haar heeft overgemaakt ter uitvoering van de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden d.d. 27 november 2019, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C. Koopman, I.M. Dölle en Z.J. Oosting, bijgestaan door E.V. Hendrikse als griffier, en is op 9 maart 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.