Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2365

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-03-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
Wahv 200.253.225/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De kantonrechter is geen bestuursorgaan, dus zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing op de kantonprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.253.225/01

CJIB-nummer

: 210557869

Uitspraak d.d.

: 11 maart 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 4 december 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 125,25.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De advocaat-generaal heeft wel aanvullende stukken overgelegd. Deze zijn (in kopie) gestuurd naar de gemachtigde van de betrokkene, waarbij de gemachtigde de gelegenheid heeft gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de beslissing van de kantonrechter moet worden vernietigd omdat de kantonrechter niet op de per beroepschrift en ter zitting aangevoerde gronden is ingegaan. Daarmee is sprake van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.

2. De kantonrechter is geen bestuursorgaan. Dat betekent dat voor de kantonrechter de door de gemachtigde genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet gelden. Het hof begrijpt het verweer dat de beslissing van de kantonrechter in strijd met artikel 13, tweede lid, van de Wahv niet met redenen is omkleed.

3. In het administratief beroepschrift heeft de gemachtigde geen gronden aangevoerd tegen de inleidende beschikking maar verzocht om een termijn om gronden in te dienen.

De officier van justitie heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat geen gronden tegen de inleidende beschikking zijn aangevoerd.

In het beroepschrift bij de kantonrechter heeft de gemachtigde slechts gronden aangevoerd tegen de omstandigheid dat de officier van justitie hem geen termijn heeft gegeven voor het indienen van gronden en zich het recht voorbehouden om een aanvullend beroepschrift in te dienen. In het dossier bevindt zich geen aanvullend beroepschrift.

4. Uit de beslissing van de kantonrechter blijkt dat de gemachtigde ter zitting is verschenen en daar heeft meegedeeld de gronden van het beroep te handhaven en daar nog aan heeft toegevoegd dat hij de brief waarin hem herstelverzuim is geboden, niet heeft ontvangen. De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie vernietigd omdat de officier van justitie ten onrechte het beroep kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu de officier van justitie de gemachtigde geen termijn heeft gegeven om de gronden van het beroep in te dienen. Vervolgens heeft de kantonrechter geoordeeld dat de gedraging niet is betwist en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.

5. Gelet op het voorgaande blijkt uit het dossier niet dat de gemachtigde eerder in de procedure gronden tegen de inleidende beschikking heeft aangevoerd. Ook in hoger beroep heeft de gemachtigde geen kopie van een beweerdelijk eerder verzonden brief met beroepsgronden overgelegd. De gemachtigde heeft slechts de beweerdelijk eerder ingediende beroepsgronden in het hoger beroepschrift ingevoegd. Nu niet is gebleken dat de gemachtigde beroepsgronden tegen de inleidende beschikking heeft ingediend, kon de kantonrechter hier ook niet op reageren en kan niet worden gezegd dat de beslissing van de kantonrechter niet met redenen is omkleed.

6. Nu de gemachtigde in het hoger beroepschrift wel gronden tegen de inleidende beschikking heeft aangevoerd, zal het hof deze gronden thans beoordelen.

7. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij die inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 93,- voor: “overschrijding maximum snelheid binnen bebouwde kom, met 11 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 1 september 2017 om 11.15 uur op de Madepolderweg in ‘s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

8. De gemachtigde stelt dat de betrokkene niet te hard gereden heeft. Hij weet waar de camera verscholen staat. De betrokkene gaat er vanuit dat de gebruikte apparatuur niet goed geijkt is. Hij merkt daarbij op dat in de digitale camera (62342) het serienummer van de radarantenne-eenheid (60530) wordt ingevoerd en opgeslagen en dat de serienummers die bij de foto staan gelijk moeten zijn. Op de foto’s staat echter 62324/60530 in plaats van 60530/60530. De gemachtigde wijst daarbij op de op rechtspraak.nl gepubliceerde arresten van het hof met de vindplaatsen ECLI:NL:GHARL: 2017:1777 en - 2017:4167. De gemachtigde voert voorts aan dat de verbalisant niet bevoegd (het hof begrijpt: bekwaam) was om de digitale radarset te bedienen. Nu er geen certificaat Multaradar CT van de verbalisant is, heeft de verbalisant niet de benodigde opleiding gehad om de apparatuur uit te lezen. Voorts is er geen akte van beëdiging van de betreffende agent te vinden en is er geen sprake van een ambtsedige verklaring. De gemachtigde is dan ook van mening dat de sanctiebeschikking vernietigd dient te worden.

9. Zoals het hof heeft overwogen in het arrest van 23 december 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:10797, is het bestaan van de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar ten tijde van het opleggen van de sanctie het uitgangspunt. Dit is slechts anders indien hetgeen wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan omtrent de bevoegdheid van de ambtenaar. Dat de gemachtigde geen akte van beëdiging van de ambtenaar heeft kunnen achterhalen, doet een dergelijke twijfel niet ontstaan. Het verweer ter zake van de bevoegdheid van de ambtenaar treft geen doel.

10. De Wahv stelt niet de eis dat aan een krachtens die wet opgelegde administratieve sanctie een ambtsedig proces-verbaal van een opsporingsambtenaar ten grondslag ligt. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

11. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van een voor de meting getest, geijkt en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel.

Gemeten (afgelezen) snelheid : 64 km per uur.

Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid : 61 km per uur.

Toegestane snelheid : 50 km per uur.

Overschrijding met : 11 km per uur.”

12. Verder bevat het dossier een foto van de gedraging waarop een voertuig met voornoemd kenteken te zien is. De gegevens in de databalk komen overeen met de gegevens in het zaakoverzicht. De bij de foto’s vermelde gegevens van datum, tijd, plaats en (afgelezen) snelheid, stemmen overeen met de in het zaakoverzicht daaromtrent vermelde gegevens. Verder is onder andere het serienummer 62342 vermeld.

13. Het verweer dat de apparatuur niet (correct) is geijkt, treft geen doel. Dat op de foto van de gedraging altijd tweemaal het nummer van de antenne-eenheid zou moeten staan, zoals door de gemachtigde is betoogd, is in zijn algemeenheid niet juist. Uit de arresten waarnaar de gemachtigde verwijst, is dit ook niet af te leiden. Dat op de foto’s twee nummers achter elkaar staan vermeld, laat zich verklaren doordat de camera en de antenne-eenheid elk over een uniek serienummer beschikken en doorgaans als een set worden gebruikt en ook als zodanig door het NMi worden onderzocht. Dat is niet ongebruikelijk (vgl. het arrest van het hof van 14 mei 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2018:4377). Het betoog van de gemachtigde geeft dan ook geen aanleiding om te betwijfelen dat, zoals in het zaakoverzicht is vermeld, de gebruikte apparatuur (correct) is geijkt.

14. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd evenmin aanleiding om te twijfelen aan de bekwaamheid van de betreffende ambtenaar om de gebruikte apparatuur te bedienen. De enkele omstandigheid dat geen certificaat ten bewijze van de bekwaamheid van de betrokken ambtenaar voor de bediening van de gebruikte meetapparatuur in het dossier aanwezig was en dat de gemachtigde het certificaat niet heeft kunnen vinden, doet op zichzelf genomen geen twijfel ontstaan omtrent de vereiste bekwaamheid van deze ambtenaar en de juistheid van de gegevens die met behulp van die apparatuur zijn verkregen, respectievelijk die door de ambtenaar voor de sanctieoplegging zijn gebruikt. Daarnaast heeft de advocaat-generaal in hoger beroep een kopie van een certificaat| ”bedienaar Robot Multaradar CT (mobiele digitale radar)”van 8 december 2016 overgelegd. Het verweer van de gemachtigde faalt.

15. Tot slot klaagt de gemachtigde dat de kantonrechter de proceskostenvergoeding niet juist heeft vastgesteld.

16. Gelet op wat het hof in het arrest van 28 april 2020 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336) heeft overwogen is er in dit geval geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarom behoeft dit bezwaar geen bespreking.

17. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Het verzoek om een proceskostenvergoeding in hoger beroep wordt afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.