Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2364

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-03-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
Wahv 200.253.227/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het verslag van de hoorzitting hoeft niet door de officier van justitie te worden toegezonden wanneer daar niet om is gevraagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.253.227/01

CJIB-nummer

: 206589259

Uitspraak d.d.

: 11 maart 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 4 december 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat de kantonrechter niet is ingegaan op door hem naar voren gebrachte gronden, te weten dat er geen ijkrapport te vinden is en de bevoegdheid van de verbalisant. Het hof overweegt dat uit de beslissing van de kantonrechter blijkt dat deze wel op bovengenoemde gronden is ingegaan. De gemachtigde stelt voorts dat de kantonrechter niet is ingegaan op de door hem aangevoerde grond dat er geen hoorverslag is toegezonden. Uit het dossier blijkt dat de gemachtigde in de fase bij de kantonrechter op het punt van het horen enkel heeft aangevoerd dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden. De kantonrechter heeft dit verweer verworpen, onder verwijzing naar het verslag van de hoorzitting. Gelet op het voorgaande is geen sprake van een motiveringsgebrek in de beslissing van de kantonrechter.

2. De gemachtigde voert voorts aan dat de officier van justitie niet is ingegaan op de door de gemachtigde aangevoerde grond dat de afstand tot de rijlijn en de afstand tot het gemeten voertuig niet in het zaakoverzicht is vermeld. Voorts heeft de officier van justitie ten onrechte vermeld dat er gehoord is. Er heeft geen hoorzitting plaatsgevonden. De gemachtigde heeft in zijn systeem hier geen notitie van staan en heeft ook het verslag van de hoorzitting niet gezien.

3. De officier van justitie heeft in de beslissing onder meer vermeld dat de gemachtigde heeft aangevoerd dat de rijlijn niet is vermeld en dat de meting daardoor onbetrouwbaar is. Vervolgens overweegt de officier van justitie dat hetgeen de gemachtigde aanvoert geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de juistheid van de beschikkingsgegevens, dat aan de wettelijke vereisten is voldaan en dat vaststaat dat met het voertuig te snel is gereden. Naar het oordeel van het hof blijkt hieruit voldoende dat de gronden van het beroep in de beslissing zijn betrokken. Van een motiveringsgebrek is geen sprake.

4. Het hof stelt voorts vast dat zich in het dossier een verslag van de op 2 november 2017 gehouden (fysieke) hoorzitting bevindt, waarin de door de gemachtigde aangevoerde gronden zijn vermeld. Anders dan de gemachtigde meent heeft er in de onderhavige zaak dus wel een hoorzitting plaatsgevonden. Met betrekking tot het verweer dat de gemachtigde het verslag van de hoorzitting niet heeft gezien, overweegt het hof als volgt. Voor zover de gemachtigde meent dat het verslag van de hoorzitting met het besluit van de officier van justitie kenbaar dient te worden gemaakt, overweegt het hof dat uit vaste jurisprudentie blijkt dat dit geen steun vindt in het recht. Voorts is de gemachtigde bij brieven van de rechtbank van 25 juni 2018 en 1 november 2018 (waarin hij werd uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter van respectievelijk 31 juli 2018 en 4 december 2018) gewezen op de mogelijkheid om tot uiterlijk één week voor de zitting de stukken te kunnen inzien op de griffie. Het verweer faalt.

5. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 279,- voor: “overschrijding maximum snelheid binnen de bebouwde kom, (verkeersbord A1) met 27 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 9 april 2017 om 20.20 uur op de Noord West Buitensingel in

ʼs-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [YY-YY-00] .

6. De gemachtigde voert aan dat de afstand tot de rijlijn niet staat vermeld, hetgeen volgens het arrest van het hof met nummer ECLI:NL:GHLEE:2010:BN5645 wel nodig is. Het zaakoverzicht kan niet gelden als ambtsedige verklaring, zodat de officier van justitie een aanvullend proces-verbaal had moeten opvragen. Er is geen ijkrapport te vinden van de laser met nummer LF03303, wat impliceert dat de apparatuur niet bestaat of niet geijkt is. Daarnaast is er geen niet-geanonimiseerde akte van beëdiging van de betreffende agent te vinden. Dit impliceert dat deze verbalisant niet is aangesteld of beëdigd en geen bon mocht uitschrijven. De gemachtigde is van oordeel dat de sanctie om deze redenen geen stand kan houden.

7. Het hof stelt voorop dat de Wahv niet de eis stelt dat aan een krachtens die wet opgelegde administratieve sanctie een ambtsedig proces-verbaal van een opsporingsambtenaar ten grondslag ligt. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte snelheidsmeetmiddel.

Gemeten (afgelezen) snelheid : 80 km per uur.

Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid : 77 km per uur.

Toegestane snelheid : 50 km per uur.

Overschrijding met : 17 km per uur.

(…)

Merk/soort meetmiddel: Prolaser

(…)

Meetafstand : 94,00 m.

Goedkeuring meetmiddel geldig tot: 18-05-2017.”

9. Het hof stelt vast dat in het zaakoverzicht de meetafstand tot het voertuig is opgenomen, namelijk 94,00 meter. De afstand tot de rijlijn ontbreekt. Het is vaste jurisprudentie van het hof dat het enkele feit dat is verzuimd om deze informatie in het zaakoverzicht te vermelden niet meebrengt dat zodanige twijfel ontstaat aan de betrouwbaarheid van de meting dat niet kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht (vgl. onder meer de arresten van het hof gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHLEE:2008:BC9840 en ECLI:NL:GHARL:2019:5194).

10. Verder leidt de enkele opmerking dat de gemachtigde geen ijkrapport kan achterhalen, niet tot twijfel aan het resultaat van de meting. Het verweer ten aanzien van de betrouwbaarheid van de meting faalt. Het hof gaat dan ook ervan uit dat, zoals het zaakoverzicht vermeldt, sprake is geweest van een snelheidsmeting uitgevoerd middels een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte snelheidsmeter.

11. Zoals het hof heeft overwogen in het arrest van 23 december 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:10797, is het bestaan van de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar ten tijde van het opleggen van de sanctie het uitgangspunt. Dit is slechts anders indien wat wordt aangevoerd gerede twijfel wekt aan die bevoegdheid. Dat de gemachtigde alleen een geanonimiseerde akte van beëdiging van de ambtenaar heeft kunnen achterhalen, doet een dergelijke twijfel niet ontstaan. Ook dit verweer faalt.

12. Gelet op de gegevens in het dossier kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook bevestigen.

13. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.