Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2349

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-02-2021
Datum publicatie
11-03-2021
Zaaknummer
TBS P20/0272
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Dadelijk uitvoerbaar verklaarde terbeschikkingstelling met voorwaarden. Moment van indienen verlengingsvordering. Officier van justitie ontvankelijk in vordering tot verlenging van terbeschikkingstelling met voorwaarden. Bij gebrek aan een wettelijke regeling is niet duidelijk hoe het openbaar ministerie diende te handelen in een geval als dit, waarin na de eerste oplegging en dadelijke uitvoerbaarheid geruime tijd is verstreken totdat de oplegging van de maatregel onherroepelijk werd en in de tussentijd geen sprake is geweest van een doorlopende tenuitvoerlegging. In de gegeven omstandigheden acht het hof de vordering tot verlenging ontvankelijk.

Afwijzing vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling. Recidiverisico zodanig beperkt dat het verantwoord is de terbeschikkingstelling te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P20/0272

Beslissing d.d. 11 februari 2021

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[terbeschikkinggestelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

wonende aan de [woonplaats] .

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 21 juli 2020, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar en - impliciet - afwijzing van het verzoek de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering en - impliciet - afwijzing van het verzoek de beslissing aan te houden opdat de reclassering en [polikliniek] het netwerk van betrokkene in kaart kunnen brengen.

Het hof heeft gelet op dezelfde stukken als de rechtbank en daarnaast op:

  • -

    het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

  • -

    de beslissing waarvan beroep;

  • -

    de akte van het namens de terbeschikkinggestelde ingediende hoger beroep van

23 juli 2020;

  • -

    het voortgangsverslag toezicht van Reclassering Nederland van 30 september 2020;

  • -

    het voortgangsverslag TBS met voorwaarden van Reclassering Nederland van

19 januari 2021.

Het hof heeft ter zitting van 28 januari 2021 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. W.E.R. Geurts, advocaat te Utrecht, en de advocaat-generaal

mr. L.H.J. Vijlbrief-Smit.

Overwegingen:

De aanvullende informatie van de reclassering

De rechtbank heeft in de beslissing van 21 juli 2020 een aantal aanbevelingen gedaan, waaronder (kort gezegd) het meer zicht krijgen op het netwerk van de terbeschikkinggestelde, monitoring van de (positieve) ontwikkelingen van de terbeschikkinggestelde en controles ten aanzien van zijn alcoholgebruik en gegevensdragers. Naar aanleiding hiervan is gesproken met een vriend van de terbeschikkinggestelde, die op de hoogte is van het delict van de terbeschikkinggestelde en diens valkuilen kent. Het gesprek is goed verlopen. De terbeschikkinggestelde heeft ruim een jaar een relatie met zijn huidige (Duitse) vriendin. Zij is inmiddels ook op de hoogte van zijn delict.

De terbeschikkinggestelde heeft in de periode dat hij vanuit de kliniek in [woonplaats] is gaan wonen nagenoeg altijd gewerkt. Momenteel werkt hij via een uitzendbureau bij een productiebedrijf in zijn woonplaats. De terbeschikkinggestelde heeft een bewindvoerder en er loopt een schuldhulpverleningstraject. Bij een verder positief verloop kan dit in mei 2022 afgesloten worden.

Tijdens een huisbezoek in oktober 2020 is een urinecontrole afgenomen. Deze uitkomst was negatief en de waarden passen volgens de test bij abstinentie. Er zijn geen aanwijzingen of signalen geweest dat de terbeschikkinggestelde contact heeft gehad en/of gezocht met kinderen of deze behoefte had. Vanuit de reclassering is contact geweest met de zedenrecherche voor wat betreft de mogelijkheden van onderzoek van gegevensdragers. Vanwege de coronamaatregelen ziet de zedenrecherche momenteel geen reden om prioritering te geven aan controles binnen deze casus.

De reclassering kan zich nog steeds vinden in het advies om de terbeschikkingstelling te beëindigen. Het risico op recidive wordt (nog steeds) laag ingeschat.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal merkt over de ook in eerste aanleg opgeworpen vraag of de vordering tot verlenging tijdig is gedaan op dat daarbij rekening moet worden gehouden met de periode gedurende welke de maatregel op basis van een bevel dadelijke tenuitvoerlegging is geëxecuteerd. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de termijn van terbeschikkingstelling heeft gelopen van 9 mei 2016 tot 30 januari 2018 en - op grond van het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2020 - opnieuw is gaan lopen op 4 juli 2018. De expiratiedatum van de (eerste twee jaar van de) terbeschikkingstelling was 9 mei 2020.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling weliswaar twintig dagen te laat is ingediend, doch dat gelet op de beslissing van het hof van 12 maart 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BX2342, het openbaar ministerie mocht vertrouwen op de door de Dienst Justitiële Inrichtingen genoemde expiratiedatum van de terbeschikkingstelling, te weten 4 juli 2020. Nu de vordering wel binnen een redelijke termijn is ingediend, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vordering. DJI zal de expiratiedatum van de terbeschikkingstelling moeten aanpassen.

De advocaat-generaal heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat er nog steeds sprake is van gevaar voor herhaling. Gedrag waarbij vermijdende trekken naar voren komen heeft zich ook in de afgelopen periode nog gemanifesteerd. Het is goed dat extra controle blijft plaatsvinden. De rechtbank heeft gezegd dat het toezicht op de terbeschikkinggestelde en zijn netwerk moet worden uitgebreid, maar dat is maar beperkt gebeurd. De terbeschikkingstelling dient te worden verlengd met één jaar.

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsvrouw

De verdediging is van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn vordering tot verlenging omdat deze te laat is ingediend. Daartoe is aangevoerd dat de terbeschikkingstelling gold vanaf 9 mei 2016 tot en met 26 februari 2018 en van 4 juli 2018 tot en met 7 juli 2020. De tweejaarstermijn verstreek op 18 oktober 2018, terwijl de vordering pas is ingediend op 29 mei 2020. Dit is een zodanig forse overschrijding dat de vordering niet is ingediend binnen een redelijke termijn en er geen sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen verlenging van de termijn eist.

Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de vordering, overeenkomstig het advies van de reclassering, dient te worden afgewezen. Het gaat goed met de terbeschikkinggestelde. Hij woont samen met zijn vriendin. Het contact met de reclassering is goed. De opdracht dat er meer controle moest zijn is opgepakt. De reclassering begeleidt de terbeschikkinggestelde al jaren en schat het recidiverisico in als laag.

Het oordeel van het hof

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

De vraag is aan de orde of de officier van justitie de vordering tot verlenging tijdig heeft ingediend, dat wil zeggen niet eerder dan twee maanden en niet later dan één maand vóór het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling door tijdsverloop zou eindigen (artikel 6:6:11, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv)). In deze zaak doet zich de bijzonderheid voor dat aan de terbeschikkinggestelde in zijn strafzaak door verschillende instanties de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden is opgelegd, steeds dadelijk uitvoerbaar, terwijl tussen de eerste oplegging en het onherroepelijk worden van de maatregel ruim vier jaren zijn verstreken.

Het verloop van de zaak was als volgt.

De terbeschikkinggestelde is bij vonnis van de rechtbank Overijssel van 12 januari 2016 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden en oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden. Die maatregel is dadelijk uitvoerbaar verklaard. Het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid is ingegaan op 9 mei 2016. Op die datum is de terbeschikkinggestelde opgenomen in de FPK Assen.

In hoger beroep is aan de terbeschikkinggestelde bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 augustus 2016 eveneens de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden opgelegd en deze is ook dadelijk uitvoerbaar verklaard.

Op 30 januari 2018 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof wat betreft de strafoplegging vernietigd en de zaak teruggewezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:HR:2018:116).

Na deze beslissing van de Hoge Raad is de terbeschikkinggestelde weer in voorlopige hechtenis genomen. Feitelijk is hij echter in FPK Assen gebleven. Op 27 maart 2018 is de voorlopige hechtenis geschorst onder dezelfde voorwaarden als de eerder opgelegde terbeschikkingstelling met voorwaarden. Vervolgens is de terbeschikkinggestelde naar zijn eigen woning in [woonplaats] verhuisd.

Op 4 juli 2018 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de terbeschikkinggestelde opnieuw een terbeschikkingstelling met voorwaarden opgelegd, onder dadelijke uitvoerbaarheid.

Het door de verdediging ingestelde cassatieberoep tegen laatstgenoemd arrest, is bij arrest van 3 maart 2020 door de Hoge Raad verworpen (ECLI:NL:HR:2020:377). Daarbij heeft de Hoge Raad ten behoeve van de rechtspraktijk enkele overwegingen gewijd aan het aanvangsmoment van de terbeschikkingstelling met voorwaarden.

De tenuitvoerlegging van de op 9 mei 2016 aangevangen terbeschikkingstelling met voorwaarden is door de vernietiging van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 augustus 2016 voor wat betreft de strafoplegging door de Hoge Raad op 30 januari 2018 geëindigd. Vervolgens is de tenuitvoerlegging van terbeschikkingstelling met voorwaarden op 4 juli 2018 voortgezet tot heden.

Het openbaar ministerie heeft op 29 mei 2020 een vordering ingediend tot verlenging van de termijn van de maatregel van terbeschikkingstelling met een jaar.

De Hoge Raad heeft in het genoemde arrest van 3 maart 2020, kort gezegd, overwogen dat artikel 38d, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) bepaalt dat de terbeschikkingstelling geldt voor de tijd van twee jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de rechterlijke uitspraak waarbij zij is opgelegd onherroepelijk is geworden. Een redelijke wetsuitleg brengt echter mee dat in de situatie dat de dadelijke uitvoerbaarheid van de terbeschikkingstelling met voorwaarden is bevolen, de termijn van de terbeschikkingstelling aanvangt op het ogenblik waarop het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de TBS met voorwaarden ingaat.

In deze zaak is de dadelijke uitvoerbaarheid ingegaan op 9 mei 2016. Naar het oordeel van het hof heeft op grond van de overwegingen van de Hoge Raad de tijd waarin de terbeschikkingstelling met voorwaarden sindsdien ten uitvoer is gelegd te gelden als tijd waarin de termijn van de maatregel heeft gelopen. Deze periode komt in ieder geval in mindering op de maximale duur van de terbeschikkingstelling met voorwaarden van negen jaren (artikel 38e, tweede lid, Sr).

Naar het oordeel van het hof is met de vaststelling van het aanvangsmoment van de terbeschikkingstelling met voorwaarden echter niet zonder meer gegeven dat twee jaren na dat moment een toetsing van het voortduren van de maatregel dient plaats te vinden door de beoordeling van een verlengingsvordering van de officier van justitie.

Het hof heeft eerder geoordeeld over een geval waarin de dadelijke uitvoerbaarheid van de terbeschikkingstelling met voorwaarden was bevolen en die maatregel inmiddels onherroepelijk was geworden. In dat geval was een vordering tot verlenging ingediend twee jaar na het moment dat het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid was ingegaan. Het hof achtte deze vordering tijdig (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:6050).

In de zaak die nu voorligt, was het oordeel in de strafzaak nog niet onherroepelijk toen twee jaren waren verstreken na het moment dat het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid was ingegaan. Zou de verlengingsrechter op dat moment, lopende de strafzaak waarin de oplegging van de maatregel aan de orde is, al oordelen over het voortduren daarvan, zal dit in de praktijk tot onduidelijkheid kunnen leiden waarbij tegenstrijdigheid tussen de uitspraken van de opleggingsrechter en de verlengingsrechter niet is uitgesloten. Daarbij geldt dat met de oordelen van de rechtbank en het hof over de noodzaak tot oplegging van de maatregel, feitelijk ook al een oordeel is gegeven over de noodzaak tot voortduren van de (dadelijk uitvoerbaar verklaarde) terbeschikkingstelling met voorwaarden.

Het hof heeft eerder wel een vordering tot verlenging van een dadelijk uitvoerbaar verklaarde terbeschikkingstelling met voorwaarden ontvankelijk geacht, ook al was die ingediend terwijl het oordeel over de oplegging van de maatregel nog niet onherroepelijk was. Dit is te lezen in Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 oktober 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:8749. In die zaak is echter na de oplegging van een terbeschikkingstelling met voorwaarden in eerste aanleg, in hoger beroep een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opgelegd. Na verwerping van het cassatieberoep is deze maatregel onherroepelijk geworden. Het hof heeft toen geoordeeld dat het onmiskenbaar de bedoeling van de wetgever is geweest dat de eerste termijn van een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege twee jaren dient te duren. Een verlenging kan niet eerder aan de orde zijn dan twee jaren nadat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege onherroepelijk was geworden. Dit had tot gevolg dat niet binnen twee jaar, maar tweeënhalf jaar na de laatste beoordeling van de verlengingsrechter het voortduren van de maatregel opnieuw zou worden getoetst. Het hof zag echter geen mogelijkheid om anders te oordelen en overwoog dat het op de weg van de wetgever en niet van de rechter lag om hier eventueel in te voorzien.

Het hof stelt vast dat de wetgever zich dit onderwerp nog niet heeft aangetrokken. Naar het oordeel van het hof bevat het al genoemde arrest van 3 maart 2020 van de Hoge Raad evenmin aanknopingspunten. Immers in dat arrest heeft de Hoge Raad zich, voor zover hier van belang, beperkt tot overwegingen ten behoeve van de berekening van de maximale duur van de terbeschikkingstelling, maar dit arrest houdt geen aanwijzingen in voor de berekening van de termijn waarbinnen een vordering tot verlenging van de (dadelijk uitvoerbaar verklaarde) terbeschikkingstelling moet worden gedaan. Evenmin verschaffen overigens wet en rechtspraak opheldering over de vraag of indien de termijn van de op basis van een bevel dadelijke uitvoerbaarheid geëxecuteerde terbeschikkingstelling met voorwaarden de twee jaar dreigt te overschrijden een vordering tot verlenging dient te worden gedaan.

Het hof heeft de vraag onder ogen gezien of met een rechterlijke beslissing een nadere regeling kan worden gegeven. Het hof ziet daar echter vanaf nu het een nadere wettelijke regeling gelet op de aard van de nogal complexe en niet eenvoudig overzienbare problematiek noodzakelijk acht. Enerzijds dient, zoals overwogen, het risico van tegenstrijdige rechterlijke uitspraken te worden voorkomen. Anderzijds kan een tijdige toetsing aangewezen worden geacht te zijn in een geval zoals hier voorligt, waarin de beslissing tot oplegging van de terbeschikkingstelling met voorwaarden pas onherroepelijk wordt na cassatie. In de onderhavige casus is de zaak zelfs tweemaal in cassatie aan de orde geweest. Dan kan sinds de ingang van het bevel van dadelijke uitvoerbaarheid geruime tijd zijn verstreken. In die tijd kan de terbeschikkinggestelde belangrijke stappen hebben gezet in zijn behandeling en resocialisatie.

De slotsom is dat bij de huidige stand van zaken van geval tot geval moet worden beslist. Bij die beslissing kan onder meer betekenis worden toegekend aan de termijn die is verlopen na de laatste betrokkenheid van de rechter die de maatregel heeft opgelegd en/of het tijdstip waarop de maatregel door een onherroepelijk geworden vonnis of arrest definitief voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.

Bij gebrek aan een wettelijke regeling is niet duidelijk hoe het openbaar ministerie diende te handelen in een geval als dit, waarin geen sprake is geweest van een doorlopende tenuitvoerlegging van de terbeschikkingstelling met voorwaarden op basis van een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid. In de gegeven omstandigheden acht het hof de vordering tot verlenging ontvankelijk waarbij het hof de betrokkenheid van de opleggingsrechter(s) in aanmerking heeft genomen en naar aanleiding van de uitspraak van het Hof Arnhem Leeuwarden de tenuitvoerlegging op 4 juli 2018 weer is hervat.

Het hof merkt op dat aan de beslissing van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 maart 2012 (ECLI:NL:GHARN:2012:BX2342) niet de algemene betekenis toekomt die de advocaat-generaal daaraan verbindt.

Beëindiging terbeschikkingstelling

Het hof zal de beslissing waarvan beroep vernietigen. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen niet langer verlenging van de terbeschikkingstelling eist. Daarom zal het hof beslissen tot afwijzing van de vordering van het openbaar ministerie die strekt tot verlenging van de terbeschikkingstelling. Hiertoe overweegt het hof het volgende.

Psychiater Ronhaar heeft in het rapport van 10 april 2020 geschreven dat bij de terbeschikkinggestelde sprake is van een niet-exclusieve pedofiele stoornis gericht op jonge meisjes en van een persoonlijkheidsstoornis met vooral ontwijkende trekken. De stoornis in het gebruik van alcohol is reeds in langdurige remissie. Het gevaar op herhaling van soortgelijke strafbare feiten wordt onder de huidige omstandigheden als laag beoordeeld. Bij het wegvallen van het huidige kader van terbeschikkingstelling kan dit vanwege de combinatie van de pathologie van de terbeschikkinggestelde en de zwakke sociaal-maatschappelijke inbedding op langere termijn oplopen tot een laag-matig risico. Om de resterende risico’s te doen afnemen dient het risicomanagement zich voor een belangrijk deel te richten op het voorkomen van sociale isolatie en vereenzaming. Begeleiding van zijn huidige relatie, uitbreiding van zijn sociaal-maatschappelijke inbedding en behoud van werk en dagstructuur kunnen daaraan bijdragen, in combinatie met continuering van het toezicht.

De reclassering heeft geadviseerd de terbeschikkingstelling niet te verlengen. De terbeschikkinggestelde is in mei 2016 opgenomen in forensisch psychiatrische kliniek (FPK) Assen voor een klinische behandeling. Deze opname heeft geduurd tot maart 2018, waarna de terbeschikkinggestelde een huurwoning in [woonplaats] heeft betrokken. De behandeling is ambulant voortgezet door het ForFact-team van forensische polikliniek [polikliniek] in [plaats] . De terbeschikkinggestelde heeft de afgelopen jaren, mede dankzij de klinische behandeling, een positieve ontwikkeling doorgemaakt. De reclassering schat het recidiverisico laag in. Het indexdelict deed zich voor in een periode dat de terbeschikkinggestelde zijn leven niet op orde had, zich isoleerde en alcohol dronk. Gelet op zijn persoonlijkheidsstructuur zou dit opnieuw aan de orde kunnen zijn als hij langdurig alleen komt te staan, bijvoorbeeld na een relatiebreuk en/of verlies van werk. Desondanks lijkt de terbeschikkinggestelde het afgelopen jaar geen problemen te hebben ervaren nadat twee eerdere relaties werden verbroken en heeft hij nagenoeg niet zonder werk gezeten.
Voor wat betreft risicofactoren voorafgaande aan het delict, heeft de terbeschikkinggestelde op dit moment zijn zaken op orde. Er zijn geen signalen van alcoholmisbruik, hij heeft inkomsten uit werk, ondersteuning van een bewindvoerder en hoopt medio 2022 het schuldhulpverleningstraject positief af te ronden. Verder is het contact met moeder en zus verbeterd en heeft hij inmiddels ruim een jaar een relatie met een nieuwe vriendin. De reclassering bezoekt de terbeschikkinggestelde eens per drie weken. De verwachting is dat er komend jaar geen grote veranderingen plaats zullen vinden. Er is geen reden om te denken dat betrokkene is teruggevallen in delictgedrag. Daarnaast heeft hij een klinische zedenbehandeling positief afgerond en beschikt hij over een signalenkaart en signaleringsplan, opgesteld vanuit FPK Assen en actueel gemaakt en gehouden met behulp van [polikliniek] . De behandelaar bij [polikliniek] vraagt zich af of de contacten met de terbeschikkinggestelde nog een meerwaarde hebben. De terbeschikkinggestelde heeft geen behandeldoelen meer en er is al langere tijd sprake van een vinger aan de pols houden.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat thans geen sprake meer is van behandeling van de terbeschikkinggestelde en dat diens resocialisatie is afgerond. Als gevolg daarvan is de controle van de reclassering en/of [polikliniek] uiterst minimaal. De terbeschikkinggestelde is bekend met zijn risicofactoren en deze factoren heeft hij onder controle, zoals hij de afgelopen periode heeft aangetoond. Hij beschikt bovendien over een steunend netwerk en is voldoende ingebed in de maatschappij. Gelet hierop is naar het oordeel van het hof het recidiverisico zodanig beperkt dat het verantwoord is de terbeschikkingstelling te beëindigen.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle van 21 juli 2020 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [terbeschikkinggestelde].

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vordering tot verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden.

Wijst af de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling.

Aldus gedaan door

mr. M.E. van Wees als voorzitter,

mr. G. Mintjes en mr. P.C. Vegter als raadsheren,

en drs. A. Vissers en drs. C.J.J.C.M. van Gestel als raden,

in tegenwoordigheid van mr. N.D. Mavus-ten Elshof als griffier,

en op 11 februari 2021 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.