Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2312

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-03-2021
Datum publicatie
11-03-2021
Zaaknummer
200.277.106/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenleasezaak. Dexia. Partijen vorderen met een beroep op ECLI:NL:HR:2016:2012 (Beckers-Dexia) volledige schadevergoeding. Het beroep van Dexia op verjaring is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.277.106/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel 6062542)

arrest van 9 maart 2021

in de zaak van

1 [appellant1] ,

2. [appellante2] ,

wonende te [A] ,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten 1 en 2],

3. [appellant3] ,

4. [appellante4] ,

wonende te [A] ,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten 3 en 4],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

advocaat: mr. M.J.R. Maas, kantoorhoudend te Deventer,

tegen

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

De in het arrest van 10 november 2020 bepaalde comparitie heeft op 17 februari 2021 plaatsgehad. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal is aan het dossier toegevoegd, samen met de comparitieaantekeningen van partijen. Vervolgens hebben partijen aan het hof gevraagd om opnieuw arrest te wijzen.

2 Waar gaat deze zaak over

[appellanten 1 en 2] en [appellanten 3 en 4] hebben door bemiddeling van SpaarSelect B.V. effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomsten zijn geëindigd met een restschuld. [appellanten 1 en 2] en [appellanten 3 en 4] vorderen van Dexia volledige vergoeding van de door hen geleden schade en wijzen daarbij op een arrest van de Hoge Raad van 2 september 20161. Dexia beroept zich op verjaring van de vorderingen van [appellanten 1 en 2] en [appellanten 3 en 4] .

3 De feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.1

[appellanten 1 en 2] en [appellanten 3 en 4] hebben in 2000 met de rechtsvoorganger van Dexia (Bank Labouchere N.V.) effectenleaseovereenkomsten gesloten, waarop maandelijks moest worden betaald. De overeenkomsten hebben gemeen dat met geleend geld werd belegd in effecten. De maandelijkse betalingen werden zoveel mogelijk gedaan van de beleggingsrekeningen.

3.2

De overeenkomsten zijn tot stand gekomen na advies en bemiddeling van een

medewerker van SpaarSelect.

3.3

Ruim twee jaar later was de waarde van de beleggingsrekeningen (vrijwel) verdampt waardoor de maandelijkse betalingen stagneerden. [appellanten 1 en 2] is door Bank Labouchere in een brief van 6 november 2002 hierover ingelicht. In een brief van 6 december 2002 heeft (de advocaat van) [appellanten 1 en 2] de vernietiging van de overeenkomst ingeroepen. [appellanten 3 en 4] heeft op 4 augustus 2003 een brief van Dexia ontvangen in reactie op de door hem op

19 november 2002 en 11 januari 2003 gezonden brieven. Dexia wijst in haar brief aansprakelijkheid en het beroep van [appellanten 3 en 4] op ontbinding van de overeenkomsten af. De overeenkomsten van [appellanten 1 en 2] en [appellanten 3 en 4] eindigden met een restschuld.

3.4

[appellanten 1 en 2] en [appellanten 3 en 4] hebben in juli 2007 zogenoemde opt-outverklaringen afgelegd, waardoor zij niet gebonden zijn aan de door het Gerechtshof Amsterdam in

januari 2007 algemeen verbindend verklaarde Duisenbergregeling.

3.5

In een brief van 12 januari 2017 hebben [appellanten 1 en 2] en [appellanten 3 en 4] Dexia aansprakelijk gesteld voor geleden schade.

4 De beoordeling in hoger beroep

De vorderingen

4.1

[appellanten 1 en 2] vordert, kort samengevat, betaling van € 94.084,07 en [appellanten 3 en 4] van

€ 49.736,27, vermeerderd met wettelijke rente, incassokosten en proceskosten. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellanten 1 en 2] en [appellanten 3 en 4] afgewezen, omdat deze naar zijn oordeel zijn verjaard. De strekking van de bezwaren (grieven) van [appellanten 1 en 2] en [appellanten 3 en 4] is, dat hun vorderingen alsnog moeten worden toegewezen, omdat de verjaring is gestuit, althans het beroep van Dexia op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.2

Het hof komt net als de kantonrechter tot de conclusie dat de vorderingen moeten worden afgewezen. Hieronder volgt de uitleg op grond waarvan het hof tot die conclusie is gekomen.

Verjaring

4.3

Artikel 3:310 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon zo worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade dan wel het enkele vermoeden welke persoon voor de schade aansprakelijk is, niet volstaat.

De verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is afhankelijk van de relevante omstandigheden van het geval.

4.4

Bank Labouchere heeft [appellanten 1 en 2] in een brief van 6 november 2002 geschreven dat het saldo op zijn beleggingsrekening vrijwel was verdampt. De toenmalige advocaat van [appellanten 1 en 2] heeft Bank Labouchere vervolgens op 6 december 2002 geschreven dat [appellanten 1 en 2] onjuist en onvolledig is geïnformeerd door een medewerker van SpaarSelect, “een persoon die, in ieder geval in feitelijke zin is opgetreden als vertegenwoordiger van uw vennootschap, dan wel als tussenpersoon informatie heeft verstrekt en heeft bewerkstelligd dat de effectenleaseovereenkomst met uw vennootschap werd gesloten” en heeft de vernietiging van de overeenkomst ingeroepen. [appellanten 3 en 4] heeft in zijn brieven van

19 november 2002 en 11 januari 2003 aan Bank Labouchere aangegeven verkeerd te zijn voorgelicht door SpaarSelect en heeft zich beklaagd over de wijze waarop Bank Labouchere uitvoering heeft gegeven aan haar zorgplicht. Uit deze brieven blijkt dat [appellanten 1 en 2] en [appellanten 3 en 4] eind 2002 al wisten dat sprake was van nadeel, van schade, en dat zij Bank Labouchere daarvoor verantwoordelijk en aansprakelijk hielden. In februari 2005 ( [appellanten 3 en 4] ) en februari 2006 ( [appellanten 1 en 2] ) heeft Dexia hen eindafrekeningen gestuurd. In 2006 hebben [appellanten 1 en 2] en [appellanten 3 en 4] (opnieuw) een advocaat ingeschakeld en in juli 2007 hebben zij opt-outverklaringen uitgebracht. Hieruit volgt dat [appellanten 1 en 2] en [appellanten 3 en 4] in elk geval voor 12 januari 2012 (vijf jaar voor hun brief van 12 januari 2017 aan Dexia) bekend waren met de schade en met Dexia als aansprakelijke partij.

4.5

[appellanten 1 en 2] en [appellanten 3 en 4] hebben zich op het standpunt gesteld dat de verjaringstermijn pas aanving na het eerder genoemde arrest van de Hoge Raad van

2 september 2016, omdat zij toen pas wisten op welke juridische grond zij aanspraak hadden op volledige schadevergoeding. [appellanten 1 en 2] en [appellanten 3 en 4] hebben ter zitting van het hof nog aangegeven dat zij voor het wijzen van dat arrest geen slagingskansen zagen voor een vordering tegen Dexia. Het arrest van 2016 zag op dezelfde situatie als dat van hen, ook zij waren bij Dexia aangebracht door SpaarSelect, een cliëntenremisier, die zonder over de daartoe vereiste vergunningen te beschikken, beleggingsadvieswerkzaamheden had verricht. Het hof verwerpt dat standpunt. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad2 volgt dat onbekendheid met of onzekerheid over de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, niet aan aanvang van de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW in de weg staat. De verjaring was op 12 januari 2017 dan ook voltooid, tenzij de lopende verjaring tijdig is gestuit.

De verjaring is niet gestuit.

4.6

[appellanten 1 en 2] en [appellanten 3 en 4] stellen dat de lopende verjaring is gestuit (tegengehouden) door een keten van proefprocedures, collectieve stuitingsbrieven, zoals van Leaseproces en door overleg met belangenorganisaties. Volgens hen moeten die door Dexia opgezette proefprocedure(s) gelijk worden gesteld met een collectieve actie als bedoeld in artikel 3:305a BW, die op grond van artikel 3:316 lid 2 BW stuitende werking heeft.

4.7

Het klopt dat door en tegen Dexia meerdere procedures zijn gevoerd om antwoorden te krijgen op vragen die in veel effectenleasegeschillen spelen. Een aantal van die procedures zijn door Dexia en haar wederpartij als proefprocedures aangemerkt (waarbij aan de zijde van de cliënten van Dexia veelvuldig sprake is van een claimstichting of soortgelijk collectief dat de procedure feitelijk voert). Ook al hadden [appellanten 1 en 2] en [appellanten 3 en 4] , net als veel anderen, belang bij de uitkomsten van die procedures, zij waren daarbij geen partij. Door die procedures werd de lopende verjaring ten aanzien van hen dan ook niet gestuit. Door [appellanten 1 en 2] en [appellanten 3 en 4] is ook niet gesteld dat zij met Dexia hebben afgesproken

- of aan Dexia kenbaar hebben gemaakt - dat zij het resultaat van die procedures zouden afwachten, voordat zij zelf hun vordering aanhangig zouden maken. Een gewone procedure, ook als die als proefprocedure is aangeduid, kan niet gelijk worden gesteld met een collectieve actie als bedoeld in artikel 3:305a BW, omdat het daarbij gaat om een bijzondere, wettelijk geregelde procesgang die aan bepaalde eisen moet voldoen. [appellanten 1 en 2] en [appellanten 3 en 4] waren niet aangesloten bij belangenorganisaties die uit hun naam stuitingsbrieven hebben verstuurd. Dexia kon dus ook op die manier niet weten dat zij nog schadevergoedingsvorderingen geldend willen maken. Nu ook overigens niet van stuitingshandelingen is gebleken, blijft de conclusie dat de vorderingen zijn verjaard.

Het beroep op verjaring is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

4.8

De ratio van verjaring is het dienen van rechtszekerheid. [appellanten 1 en 2] en [appellanten 3 en 4] waren het niet eens met de uitkomst van de Duisenbergregeling en wilden daaraan niet gebonden zijn. Zij hebben daarom in juli 2007 opt-outverklaringen afgelegd. Wanneer [appellanten 1 en 2] en [appellanten 3 en 4] met het instellen van hun vordering wilden wachten op de afloop van procedures die door anderen werden gevoerd, hadden zij dat eenvoudig aan Dexia kenbaar kunnen maken door eens in de vijf jaar een brief aan Dexia te sturen waarin zij duidelijk maakten dat zij zich het recht op schadevergoeding voorbehielden. Daarmee zou de verjaring zijn gestuit en wist Dexia waar zij aan toe was. [appellanten 1 en 2] en [appellanten 3 en 4] hebben echter bijna tien jaar lang niets van zich laten horen. Daarin verschilt hun geval ook van de zaak in het door hen genoemde arrest (ECLI:NL:HR:2000:AA4113). In dat arrest was sprake van een uitzonderlijke situatie, waarin is geoordeeld dat het gelet op alle omstandigheden in samenhang gezien begrijpelijk was dat er geen aansprakelijkstelling (stuiting) werd uitgebracht. Van uitzonderlijke omstandigheden is hier geen sprake.

Dat zij geen slapende honden wakker wilden maken, zoals zij op de zitting bij het hof hebben verklaard, waarmee [appellanten 1 en 2] en [appellanten 3 en 4] bedoelden dat zij niet wilden dat Dexia een incassoprocedure tegen hen zou beginnen, is geen reden om de vordering tot schadevergoeding waar zij meenden recht op te hebben niet veilig te stellen. Het beroep van Dexia op verjaring is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.

Slotsom

4.9

De grieven falen. Het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij worden [appellanten 1 en 2] en [appellanten 3 en 4] in de proceskosten van Dexia veroordeeld begroot op € 5.517,- voor verschotten en op € 6.556,- (2 punten/tarief V) voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief. Daarnaast worden nakosten toegewezen als in het dictum vermeld.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbankbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle van

16 januari 2018;

veroordeelt [appellanten 1 en 2] en [appellanten 3 en 4] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Dexia vastgesteld op € 5.517,- voor verschotten en op € 6.556,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellanten 1 en 2] en [appellanten 3 en 4] in de nakosten, begroot op € 163,- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85,- in geval [appellanten 1 en 2] en [appellanten 3 en 4] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak hebben voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I. Tubben, J.H. Kuiper en M.M.A. Wind en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

9 maart 2021.

1 ECLI:NL:HR:2016:2012 (Beckers/Dexia).

2 ECLI:HR:2017:552, rov 3.3.2, ECLI:HR:2018:677, rov 3.3.3 en ECLI:NL:HR:2020:1603, rov 3.3.3