Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2311

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-03-2021
Datum publicatie
11-03-2021
Zaaknummer
200.273.044/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil tussen verhuurder en huurder bedrijfsruimte over terugbetaling borg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.273.044/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 7872583)

arrest van 9 maart 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,
bij de kantonrechter: gedaagde,
hierna: [appellant],

advocaat: mr. B. Jans, die kantoor houdt te Groningen,

tegen

Novus Vita B.V.,

gevestigd te Workum,

geïntimeerde,

bij de kantonrechter: eiseres,

hierna: NV,

advocaat: mr. G.J.P.M. Grijmans, die kantoor houdt te Bolsward.

Het hof neemt het tussenarrest van 24 maart 2020 hier over.

1 De verdere procedure bij het hof

1.1

In het arrest van 24 maart 2020 heeft het hof een mondelinge behandeling (comparitie van partijen) gelast. De mondelinge behandeling is, in overleg met partijen, niet doorgegaan.

1.2

Vervolgens hebben partijen de volgende processtukken gewisseld:

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord (met producties),

- een akte van [appellant] .

1.3

Vervolgens hebben partijen de processtukken overgelegd en heeft het hof een datum voor arrest vastgesteld.

1.4

[appellant] vordert in het hoger beroep - samengevat - dat het vonnis van de kantonrechter van 19 november 2019 wordt vernietigd, dat NV wordt veroordeeld tot terugbetaling van wat [appellant] op grond van dat vonnis heeft betaald en wordt veroordeeld in de kosten van de procedure bij de kantonrechter en het hof.
De vordering tot terugbetaling is alleen te begrijpen indien [appellant] ook bedoelt te vorderen dat het hof na vernietiging van het vonnis van de kantonrechter de vordering van NV, die de kantonrechter had toegewezen, alsnog afwijst. Het hof zal de vorderingen van [appellant] zo uitleggen.

2 Waar gaat het in deze zaak over?

2.1

[appellant] heeft met ingang van 1 oktober 2013 een loods aan het Industriepark 1b te Bolsward aan NV verhuurd voor de duur van 5 jaar, dus tot en met 30 september 2018. Bij het begin van de huur heeft NV een borg van € 1.815,- aan [appellant] betaald.

2.2

In een factuur van 25 september 2018 heeft [appellant] de huur voor de maand

oktober 2018 bij NV in rekening gebracht. NV heeft deze factuur niet betaald.

2.3

Op 10 oktober 2018 heeft NV de loods ontruimd, nadat [appellant] aan NV had laten weten dat hij de loods per 15 oktober 2018 aan een ander had verhuurd en dat voor die tijd de vloer van de loods gecoat moest worden.

2.4

NV heeft aanspraak gemaakt op terugbetaling van een bedrag van € 1.229,52 wegens de betaalde borg (na verrekening van de huur van 1 t/m 10 oktober 2018) en op betaling van een factuur van 4 maart 2019, waarin zij [appellant] een bedrag van € 2.940,- in rekening brengt. De factuur betreft de extra kosten die NV heeft moeten maken omdat zij op stel en sprong - halverwege de maand oktober 2018, terwijl zou zijn afgesproken dat zij die maand de loods nog mocht huren - moest verhuizen. Ook heeft NV buitengerechtelijke kosten gevorderd.

2.5

De kantonrechter heeft de vorderingen van NV toegewezen. Volgens de kantonrechter heeft NV het door [appellant] gevoerde verweer weerlegd en heeft [appellant] niet meer op deze weerlegging gereageerd. Daarmee is het verweer van [appellant] onvoldoende onderbouwd.

2.6

Het hof zal beslissen dat de vordering tot terugbetaling van de borg wel toewijsbaar is, maar die betreffende de verhuiskosten niet. Die beslissing wordt hierna toegelicht.

3 De beoordeling van het geschil
Gebreken in de dagvaarding bij de kantonrechter

3.1

Volgens [appellant] voldeed de dagvaarding waarmee de procedure bij de kantonrechter is begonnen niet aan de vereisten van artikel 111 Rv. Allereerst bevatte de dagvaarding niet de eisen en gronden, zoals op grond van artikel 111 lid 2 onder d Rv is vereist. Bovendien voldeed de dagvaarding niet aan het bepaalde in artikel 111 lid 3 Rv, omdat het verweer van [appellant] en de bewijsmiddelen waarover NV beschikte niet werden vermeld. Om die reden had de kantonrechter ‘de dagvaarding direct niet ontvankelijk behoren te verklaren’, meent [appellant] .
3.2 [appellant] heeft gelijk dat de dagvaarding niet voldoet aan de vereisten van artikel 111 lid 3 Rv. Ook zijn de gronden van de vordering wel heel summier, en ook nog eens onjuist, vermeld. Volgens de dagvaarding gaat het om een vordering wegens een “Betaalde borg’, maar dat is slechts deels het geval.

3.3

Wat daar ook van zij, uit het door [appellant] gevoerde verweer blijkt dat hij heeft begrepen wat de eis was en waar deze op was gebaseerd. Daarmee is voldaan aan de eis van artikel 111 lid 2 onder d BW. De dagvaarding was dan ook niet nietig (dat is de sanctie op schending van artikel 111 lid 2 onder b Rv en niet niet-ontvankelijkheid). Bovendien heeft [appellant] zich niet nadat hij in de procedure bij de kantonrechter was verschenen op de nietigheid van de dagvaarding beroepen (artikel 122 lid 1 Rv). Daar is hij nu dan ook te laat mee.

3.4

Zoals gezegd, voldeed de dagvaarding niet aan de in artikel 111 lid 3 Rv vermelde vereisten. Op dit verzuim staat niet de sanctie van nietigheid van de dagvaarding. De rechter kan aan dit verzuim de gevolgen verbinden die hij geraden acht1. Het hof ziet in dit verzuim reden om indien het op zich zou komen tot een bekrachtiging van de proceskostenveroordeling door de kantonrechter, geen vergoeding toe te kennen voor de kosten van de dagvaarding. Of NV aanspraak heeft op een vergoeding voor de proceskosten bij de kantonrechter zal hierna blijken.

3.5

De bezwaren van [appellant] op dit punt tegen het vonnis van de kantonrechter (geformuleerd in grief I) zijn dan ook gedeeltelijk gegrond.

De vordering tot terugbetaling van de borg
3.6 [appellant] heeft in hoger beroep, anders dan bij de kantonrechter, niet aangevoerd dat sprake is van mutatieschade die met de borg verrekend zou moeten worden. Dit verweer kan dan ook onbesproken blijven. Wel heeft hij gesteld dat NV de gehele huur over de maand oktober 2018 verschuldigd is. Volgens hem is de gehele maandhuur verschuldigd ook indien slechts een deel van een maand wordt gehuurd.

3.7

Het hof volgt [appellant] niet in dit betoog. Allereerst heeft [appellant] niet onderbouwd dat partijen zijn overeengekomen dat indien de loods voor een deel van de maand wordt gehuurd NV de gehele maandhuur verschuldigd is. Uit het door hem overgelegde huurcontract blijkt dat niet. Bovendien hebben partijen volgens hem afgesproken dat NV na het einde van de overeengekomen duur van de huurovereenkomst haar verhuizing kon uitstellen tot oktober 2019 (bedoeld zal zijn 2018), maar dat een exacte datum in die maand niet is afgesproken. Bij een dergelijke afspraak ligt het niet voor de hand dat de huurder de gehele maandhuur verschuldigd is en valt al helemaal niet in te zien dat die huurder wanneer deze vervolgens instemt met het verzoek van de verhuurder om de tiende van de maand te vertrekken - zoals volgens [appellant] het geval is - toch de gehele maandhuur verschuldigd is.
3.8 De vordering betreffende de borg van € 1.229,52 is dan ook toewijsbaar. Tegen de toewijzing van de wettelijke handelsrente vanaf 21 juni 2019 over deze vordering heeft [appellant] geen bezwaar gemaakt, zodat het hof van de toewijsbaarheid van de wettelijke handelsrente dient uit te gaan.


De vordering betreffende de (extra) verhuiskosten
3.9 NV heeft haar vordering tot vergoeding van de verhuiskosten niet gebaseerd op een met [appellant] gemaakte afspraak. Het betreft een vordering tot schadevergoeding. Aan die vordering legt NV, zoals het hof begrijpt, ten grondslag dat partijen hadden afgesproken dat NV de loods gedurende de maand oktober 2018 kon huren, maar dat [appellant] die afspraak niet nakwam, waardoor zij schade heeft geleden, bestaande in de kosten van het inschakelen van derden voor de (overhaaste) verhuizing, kosten die zij anders niet gemaakt zou hebben. Van een vrijwillige verhuizing was volgens NV dan ook geen sprake.

3.10

Het hof volgt NV niet in dit betoog. Uit de door NV overgelegde app-berichten van begin oktober 2018 tussen partijen volgt dat [appellant] aan NV heeft meegedeeld dat hij de loods per 15 oktober 2018 aan een derde had verhuurd en dat voor die tijd de vloer gecoat zou moeten worden. Van de zijde van NV is daarop aangegeven dat NV haar best zal doen om de loods zo spoedig mogelijk te ontruimen. Deze berichten wijzen erop dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een beëindiging van de na 30 september 2018 voortgezette huurovereenkomst (ruim) voor het einde van de maand oktober 2018. Onder deze omstandigheden heeft NV onvoldoende onderbouwd dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst tussen partijen. Indien, zoals NV stelt, de loods voor de hele maand oktober 2018 was verhuurd, hoefde NV het verzoek van [appellant] om de loods al aan het begin van de maand te ontruimen niet te honoreren. Door in te stemmen met dat verzoek - kennelijk zonder afspraken te maken over de vergoeding van extra verhuiskosten, want daarover is zoals gezegd niets aangevoerd - en de loods vervolgens ook daadwerkelijk te ontruimen, heeft zij de loods vrijwillig ontruimd.

3.11

De vordering van NV tot vergoeding van schade strandt dan ook op het ontbreken van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [appellant] . Bij deze stand van zaken kan de vraag of NV wel schade heeft geleden, en zo ja hoe hoog die schade is, onbesproken blijven.

Conclusies
3.12 De vordering van NV is gedeeltelijk, voor wat betreft de borg, toewijsbaar. De grieven II en III slagen voor zover zij gericht zijn tegen toewijzing van de vordering betreffende de verhuiskosten.

3.13

De kantonrechter heeft ook de gevorderde buitengerechtelijke kosten toegewezen. Tegen toewijzing van deze vordering heeft [appellant] niet afzonderlijk bezwaar gemaakt. Het hof zal de vordering om die reden, net als de kantonrechter, toewijzen, maar zal bij de omvang uitgaan van de verschuldigde hoofdsom van € 1.229,52. Dat leidt, uitgaande van ook door de kantonrechter gehanteerde staffel van artikel 2 van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, tot € 184,43.

3.14

Bij deze stand van zaken, waarbij beide partijen in hoger beroep over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof de kosten van de procedure in hoger beroep compenseren. Omdat NV wel inspanningen heeft moeten verrichten om het verschuldigde deel van de door haar ingestelde vordering te incasseren, zou er reden zijn om [appellant] te veroordelen in een deel van de proceskosten bij de kantonrechter. Gelet op wat het hof hiervoor heeft overwogen over de kosten van de inleidende dagvaarding, zal het hof ook de kosten van de procedure bij de kantonrechter compenseren. Aan de door [appellant] opgeworpen vraag over de omvang van de proceskosten komt het hof dus niet toe.

3.15

Het hof zal NV veroordelen tot terugbetaling van wat [appellant] meer aan NV heeft betaald dan op grond van dit arrest verschuldigd is.

3.16

Het vonnis van de kantonrechter kan niet in stand blijven en zal worden vernietigd.

4 De beslissing

Het hof:

4.1

vernietigt het vonnis van kantonrechter te Leeuwarden van 19 november 2019 en doet opnieuw recht;

4.2

veroordeelt [appellant] om aan NV te betalen € 1.413,95, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 1.229,52 vanaf 21 juni 2019 tot aan het tijdstip van betaling;

4.3

veroordeelt NV om aan [appellant] te betalen wat [appellant] op grond van het vonnis van de kantonrechter te Leeuwarden van 19 november 2019 meer heeft betaald dan hij op grond van de veroordeling onder 4.2 verschuldigd is, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit meerdere vanaf het moment van betaling van het meerdere tot aan het moment van terugbetaling;

4.4

verklaart de veroordelingen onder 4.2 en 4.3 uitvoerbaar bij voorraad;

4.5

compenseert de kosten van de procedure bij de kantonrechter en bij het hof, in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen;

4.6

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, W.P.M. ter Berg en K.M. Makkinga en is door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

9 maart 2021.

1 Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, p. 3.