Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2169

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-03-2021
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
200.274.960/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verhaalsprocedure. Het door het hof berekende verhaalsbedrag valt lager uit dan het bedrag dat door de Dienst is berekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.274.960/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 166983)

beschikking van 4 maart 2021

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoeker] ,

advocaat: mr. J.D. Nijenhuis te Leeuwarden,

en

de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslȃn,

zetelend te Franeker,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de Dienst.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 4 december 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder te noemen: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 2 maart 2020;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Nijenhuis van 14 april 2020 met productie(s);

- een brief van de Dienst van 18 december 2020 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 4 februari 2021 plaatsgevonden. [verzoeker] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de Dienst is de heer

[B] verschenen (via een beeldbelverbinding).

3 De feiten

3.1

[verzoeker] is [in] 2002 gehuwd met [C] , verder te noemen: [C] . Dit huwelijk is [in] 2018 ontbonden door echtscheiding.

3.2

[verzoeker] en [C] zijn de ouders van [D] , geboren [in] 2004. Op grond van de beschikking van de rechtbank Overijssel van 17 januari 2018 en het daarin opgenomen echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan draagt [verzoeker] met ingang van 12 februari 2018 € 153,50 per maand bij als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [D] (kinderalimentatie).

3.3

Met ingang van 10 november 2016 verleent de Dienst aan [C] een - kort gezegd - bijstandsuitkering, mede ten behoeve van [D] , naar de norm voor een alleenstaande (onder korting van de ontvangen kinderalimentatie). De Dienst heeft zich geconformeerd aan genoemd bedrag zoals opgenomen in de beschikking van de rechtbank.

3.4

De Dienst wenst de verstrekte bijstand op [verzoeker] te verhalen tot de grens van zijn onderhoudsplicht jegens [C] , welke grens de Dienst bij beschikking van 6 augustus 2018 heeft vastgesteld op € 398,63 per maand met ingang van 1 september 2018. De Dienst heeft het voornemen daartoe aangezegd op 14 juni 2018 en het besluit op 6 augustus 2018 aan [verzoeker] verzonden.

3.5

Omdat [verzoeker] niet tot betaling overging, heeft de Dienst op 9 mei 2019 besloten tot verhaal in rechte en op 14 mei 2019 een verzoek bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, ingediend, strekkende tot vaststelling van het verhaalsbedrag met ingang van

1 september 2018. [verzoeker] heeft zich daartegen verweerd.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is het verhaal door de Dienst op [verzoeker] van de aan [C] verstrekte bijstand. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking en voor zover hier van belang het verhaalsbedrag met ingang van 1 september 2018 vastgesteld op het door de Dienst verzochte bedrag van afgerond € 399,- bruto per maand.

4.2

[verzoeker] is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op de behoeftigheid (grief 1), de ingangsdatum (grief 2), de behoefte (grief 3), de draagkracht van [verzoeker] (grief 4) en de bevoegdheid tot verhaal (grief 5). [verzoeker] verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de Dienst tot vaststelling van een verhaalsbijdrage voor [C] alsnog af te wijzen.

4.3

De Dienst voert verweer en heeft haar verzoek in hoger beroep gewijzigd. Zij vraagt het hof de door [verzoeker] met ingang van 1 september 2018 te betalen verhaalsbijdrage te verlagen naar € 319,54 per maand.

4.4

Nadat de bestreden beschikking is gegeven zijn de omstandigheden gewijzigd. Bij besluit van 18 december 2020 heeft de Dienst bepaald dat de aan [C] verstrekte bijstand vanaf 1 januari 2021 niet langer op [verzoeker] zal worden verhaald.

4.5

Het hof zal de grieven per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

De ingangsdatum

5.1

[verzoeker] is van mening dat de Dienst, zoals overgenomen door de rechtbank, ten onrechte 1 september 2018 als ingangsdatum voor het verhaalsbedrag heeft vastgesteld. [verzoeker] voert daartoe aan dat de Dienst weliswaar bij brief van 6 augustus 2018 mededeling heeft gedaan van de vaststelling van het te verhalen bedrag, maar dat zij tot

14 mei 2019 heeft gewacht met de indiening van het verzoekschrift strekkende tot verhaal. Daarnaast is de Dienst financieel minder afhankelijk van de bijdrage dan een onderhoudsgerechtigde in een reguliere alimentatiezaak, aldus [verzoeker] .

5.2

Het hof is het met [verzoeker] eens dat de Dienst met het instellen van de verhaalsprocedure de nodige voortvarendheid dient te betrachten en dat het bij gebreke daarvan redelijk kan zijn de ingangsdatum van het verhaal op een later tijdstip vast te stellen dan de Dienst heeft vastgesteld. Immers, indien de Dienst te lang wacht kan bij betrokkene de indruk ontstaan dat verhaal achterwege zal blijven waardoor hij wellicht reservering voor het te verwachten verhaal nalaat. Nu echter de Dienst duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat tot verhaal zal worden overgegaan, het verhaalsverzoek is ingediend binnen 10 maanden na de mededeling van de vaststelling en [verzoeker] er niet op mocht rekenen dat de Dienst een procedure achterwege zou laten, zodat hij daarmee rekening kon houden, ziet het hof geen aanleiding de ingangsdatum op een later tijdstip vast te stellen.

De Dienst heeft [verzoeker] ruimschoots de tijd gegund om tot betaling over te gaan. De gevolgen van de keuze van [verzoeker] om dat niet te doen, ondanks herhaalde verzoeken daartoe van de Dienst, komen voor zijn eigen rekening en risico. Dat geldt dus ook voor de terugwerkende kracht van de betalingsverplichting waarvan in zijn ogen nu sprake is. Voor het overige onderschrijft het hof de overweging van de rechtbank over de ingangsdatum en maakt die tot de zijne en leidt al hetgeen voor het overige is aangevoerd niet tot een ander oordeel. Grief 2 faalt.

De behoefte van [C]

5.3

[verzoeker] stelt de hoogte van de behoefte van [C] ter discussie. De rechtbank heeft de behoefte van [C] vastgesteld aan de hand van de zogeheten hofnorm. Het hof overweegt dat de man geen omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de hofnorm niet als maatstaf voor de huwelijksgerelateerde behoefte van [C] kan worden aangehouden. Het hof zal daarom evenals de rechtbank uitgaan van de op de hofnorm gebaseerde huwelijksgerelateerde behoefte van € 1.007,40 netto per maand (2017). Ook al zou de behoefte van [C] overigens overeenkomstig de stelling van [verzoeker] niet meer dan

€ 926,- per maand bedragen dan leidt dat in deze procedure niet tot een rechtens relevant verschil. Grief 3 faalt.

De behoeftigheid van [C]

5.4

[verzoeker] voert aan dat hij vanaf 1 september 2018 geen onderhoudsplicht meer heeft

ten opzichte van [C] , omdat zij in redelijkheid geacht moet worden sindsdien in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Dat [C] feitelijk nog steeds niet geheel in haar levensonderhoud voorziet, omdat de Dienst haar de ruimte geeft voor het volgen van een traject om haar kansen op de arbeidsmarkt te vergroten, mag volgens [verzoeker] niet op hem worden afgewenteld.

5.5

Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat [C] behoeftig is, omdat zij ten tijde van de bestreden beschikking niet in haar eigen levensonderhoud kon voorzien. Het hof neemt de motivering van de rechtbank op dit punt - na eigen onderzoek - over. In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.

[verzoeker] heeft de duur en aard van het door de Dienst voor [C] ingezette traject tot (her)inschakeling in arbeid betwist. Hij is van mening dat [C] al veel eerder in haar eigen levensonderhoud had kunnen voorzien door middel van bijvoorbeeld lopende band-werk of werkzaamheden in de kassen. Daarvoor is de beheersing van de Nederlandse taal volgens hem niet zo relevant. In dit verband heeft [verzoeker] aangevoerd dat helemaal geen sollicitatiebrieven en/of afwijzingen van [C] (op dit soort functies) zijn ingebracht.

Anders dan [verzoeker] is het hof van oordeel dat de Dienst zich voldoende heeft ingespannen om [C] te bewegen tot het binnen een redelijke termijn verkrijgen van een acceptabel inkomen uit arbeid. Met name de slechte beheersing van de Nederlandse taal op het moment van de relatiebreuk met [verzoeker] in 2016 en het ontbreken van ook maar enige werkervaring in Nederland hebben de mogelijkheden van [C] - een vrouw van middelbare leeftijd - op de arbeidsmarkt beperkt. Het hof vindt het in ieders belang, dus zowel dat van [C] , [verzoeker] , de minderjarige, de Dienst als de gemeenschap, dat [C] uitkeringsonafhankelijk wordt en blijft. Dat het door de Dienst aan [C] aangeboden traject zich in eerste instantie vooral op het verbeteren van de Nederlandse taal heeft gericht en vervolgens op het laten kennismaken met de Nederlandse arbeidsmarkt (via vrijwilligerswerk) vindt het hof, gelet op genoemd doel van duurzame uitstroom naar betaalde arbeid, goed verdedigbaar. In menig vakgebied met een enigszins redelijk perspectief op werk, zoals bijvoorbeeld de thuiszorg, is een bepaald taalniveau nu eenmaal een beginvereiste. Gezien de bijzonder lastige uitgangspositie van [C] waar ook [verzoeker] vanwege de rolverdeling tijdens het huwelijk zo zijn aandeel in heeft gehad, acht het hof het aannemelijk dat het de Dienst de nodige tijd en investeringen heeft gekost om de afstand van [C] tot de arbeidsmarkt te overbruggen. Inmiddels kan ook geconstateerd worden dat de door de Dienst ingezette koers zijn vruchten heeft afgeworpen. Gebleken is dat [C] sinds medio 2019 inkomen uit arbeid heeft bij [E] . Haar werkuren en salaris zijn gaandeweg zover uitgebreid dat de Dienst heeft besloten zich vanaf 1 januari 2021 niet langer op [verzoeker] te verhalen. Per 1 januari 2021 werkt [C] 15 uur per week. Hoewel [C] ook na 1 januari 2021 nog wel enige aanvullende bijstand ontvangt (volgens opgave van de Dienst ter zitting was dit in januari jl. € 250,-), verwacht de Dienst dat [C] binnen afzienbare tijd zelf in staat is om in haar levensonderhoud te voorzien en dan niet langer op bijstand aangewezen zal zijn. De inzet van [C] ’s werkgever is volgens de Dienst een vast contract voor 24 uur per week.

5.6

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat [C] ook in de periode vanaf de bestreden beschikking (4 december 2019) tot 1 januari 2021 nog niet volledig in haar levensonderhoud kon voorzien en dus behoeftig was. Anders dan [verzoeker] stelt zou een rechtstreeks verzoek van [C] tot partneralimentatie niet tot een ander oordeel hebben geleid. In die situatie zou [C] , zoals te doen gebruikelijk, evengoed de tijd zijn gegund om haar leven na de scheiding (en de individuele impact daarvan) weer op de rit te krijgen. Het hof is het wel met [verzoeker] eens dat de Dienst meer gegevens had kunnen inbrengen. Vooral de beschikking over de uitkeringsspecificaties was wenselijk geweest. Niettemin ziet het hof geen aanwijzingen dat de Dienst, na aftrek van de eigen inkomsten van [C] , tot 1 januari 2021 minder bijstand aan [C] heeft uitgekeerd dan het na te melden bedrag dat de Dienst tot die datum op [verzoeker] kan verhalen. Grief 1 faalt.

De draagkracht van [verzoeker]

5.7

betwist dat zijn draagkracht betaling van het in eerste instantie vastgestelde alsook het in hoger beroep verlaagde verhaalsbedrag toelaat. In geschil is alleen nog de wijze waarop de kosten in verband met de verdeling van de zorg van [D] in de draagkrachtberekening dienen te worden verwerkt. Met [verzoeker] is het hof van oordeel dat deze kosten - overeenkomstig de Aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie - op gelijke wijze als de voor [D] betaalde kinderalimentatie moeten worden meegenomen.

5.8

Uit de aangehechte berekening volgt een draagkracht aan de zijde van [verzoeker] om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van [C] van € 251,- per maand. Dat is het bedrag (telkens te vermeerderen met indexering) dat de Dienst in de periode van

1 september 2018 tot 1 januari 2021 maximaal op [verzoeker] kan verhalen. Grief 4 slaagt.

De bevoegdheid tot verhaal

5.9

[verzoeker] heeft in deze kwestie de vergelijking getrokken met een zogeheten jusvergelijking. Hij stelt dat [C] met haar bijstandsuitkering, kindgebonden budget en toeslagen meer te besteden heeft dan dat hij met een fulltime baan, na het voldoen van de kinderalimentatie (inclusief de zorgkosten) en de verhaalsbijdrage, overhoudt van zijn salaris. Daarom had de Dienst volgens [verzoeker] in dit geval redelijkerwijs geen gebruik mogen maken van haar bevoegdheid om de aan [C] verstrekte bijstand (deels) op hem te verhalen.

5.10

De door [verzoeker] getrokken vergelijking gaat in een situatie als deze, waarbij sprake is van een (aanvullende) bijstandsuitkering en de algemene middelen in het geding zijn, naar het oordeel van het hof niet op. Een jusvergelijking is bedoeld om te voorkomen dat de onderhoudsgerechtigde na betaling van partneralimentatie financieel beter af is dan de onderhoudsplichtige. Als er sprake is van eigen inkomen van de onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn de financiële situatie van partijen (onderhoudsgerechtigde en -plichtige) op basis van ieders inkomen en lasten te vergelijken. Dit alles doet zich hier niet voor. De omstandigheid dat [C] in aanmerking komt voor overheidssteun ontslaat [verzoeker] niet van zijn wettelijke onderhoudsverplichting voor zijn ex-echtgenote (tot de grens van zijn draagkracht). Het betoog van [verzoeker] zou het ongewenste effect hebben dat de staat moet opdraaien voor de financiële verantwoordelijkheid van ex-echtgenoten tegenover elkaar, terwijl de daaraan ten grondslag liggende zorgplicht direct verband houdt met tijdens het huwelijk gemaakte keuzes. Grief 5 faalt.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt het beroep (deels) en zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

4 december 2019, en opnieuw beschikkende:

bepaalt dat [verzoeker] met ingang van 1 september 2018 tot 1 januari 2021 aan de Dienst zal voldoen € 251,- per maand ((telkens) te vermeerderen met indexering) als bijdrage in de kosten die de Dienst heeft in verband met de aan [C] verstrekte bijstandsuitkering;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, M.P. den Hollander en E.F. Groot, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 4 maart 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.