Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2161

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-03-2021
Datum publicatie
16-03-2021
Zaaknummer
21-000872-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. Niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in haar vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000872-19

Uitspraak d.d.: 8 maart 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 15 februari 2019 met parketnummer 16-223441-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 februari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het tenlastegelegde tot een taakstraf voor de duur van 80 uren en toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 249,- vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. W. van Vliet, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte op 15 februari 2019 veroordeeld ter zake van openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen tot een taakstraf voor de duur van 80 uren en heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toegewezen tot een bedrag van € 249,- vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 28 april 2018 te [plaats] openlijk, op of aan de openbare weg, te weten de [adres] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon en/of een goed te weten [benadeelde partij] door

- meermalen, althans eenmaal te schoppen/trappen op/tegen het lichaam van voornoemde [benadeelde partij] , en/of

- meermalen, althans eenmaal (met kracht) aan de haren te trekken/rukken van voornoemde [benadeelde partij] , en/of

- meermalen, althans eenmaal (met kracht) (met een schoen, althans een voorwerp) te slaan/stompen op/tegen het hoofd en/of lichaam van voornoemde [benadeelde partij] , en/of

- meermalen, althans eenmaal (met kracht) duwen tegen het lichaam van voornoemde [benadeelde partij] .

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt in het bijzonder het volgende. De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat de verklaring van aangeefster [benadeelde partij] steun vindt in de verklaringen van getuigen [getuige1] , [getuige2] en [getuige3] . Deze verklaringen heeft ook de rechtbank voor het bewijs gebruikt.

Omtrent de verklaringen van getuigen [getuige2] en [getuige3] overweegt het hof dat dit de auditu verklaringen betreffen die respectievelijk drie maanden en vijf maanden na het incident zijn afgelegd. Bovendien verschillen deze verklaringen onderling in belangrijke mate wat betreft het vermeende geweld dat door verdachten [medeverdachte] en [verdachte] zou zijn toegepast.

Ten aanzien de getuigenverklaringen van [getuige2] , [getuige3] en [getuige1] , de moeder van aangeefster, overweegt het hof dat hun verklaringen omtrent de toepassing van geweld door beide partijen in aanzienlijke mate verschillen van de verklaring van de getuige [getuige4] , de overbuurman van verdachten. Hij heeft het incident waargenomen en heeft overeenkomstig verdachten verklaard over het trekken aan de haren van verdachte [medeverdachte] door aangeefster, maar heeft overig geweld niet waargenomen. Dit maakt dat de verklaringen van verdachten niet onaannemelijk zijn.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 499,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 249,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. J. Hielkema, voorzitter,

mr. A.J. Rietveld en mr. M. van der Horst, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. D. Janssen, griffier,

en op 8 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.