Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2132

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-03-2021
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
21-007132-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-007132-17

Uitspraak d.d.: 5 maart 2021

Tegenspraak

Ontnemingszaak

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 15 december

2017 met het parketnummer 18-114322-17 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, inzake

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

wonende te [woonadres] , [woonplaats] ,

hierna te noemen: de betrokkene.

Het hoger beroep

De betrokkene heeft tegen de hiervoor genoemde beslissing hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 19 februari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof de beslissing van de politierechter zal vernietigen en de vordering van de officier van justitie, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk voordeel, zal afwijzen.

Het gerechtshof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de betrokkene en zijn raadsman, mr. J. Vlug, ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

De beslissing waartegen het hoger beroep is gericht

Bij de hierboven genoemde beslissing, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter aan de betrokkene opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 43.720,19, ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het gerechtshof verenigt zich niet met die beslissing zodat die behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

Beoordeling

Vordering

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 43.720,19 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De betrokkene is bij arrest van dit gerechtshof van 5 maart 2021 (parketnummer 21-006793-17) veroordeeld tot straf ter zake van medeplichtigheid bij/tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod (het telen van hennep).

Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de betrokkene uit een ander strafbaar feit dan het bewezen verklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten, te weten: uit medeplichtigheid bij/tot een eerdere oogst van de aangetroffen hennepkwekerij.

Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, acht het gerechtshof het bestaan van een eerdere oogst wél zonneklaar. Niet alleen op grond van de door de politie vastgestelde mate van vervuiling van materialen/voorwerpen in de hennepkwekerij – bezien in het licht van de jurisprudentie daarover (ECLI:NL:PHR:2018:272 en ECLI:NL:PHR:2018:607) –, maar tevens op grond van de door de politie aangetroffen hennepresten in vuilniszakken, naast een vuilniszak waarin naast de persoonlijke gegevens van de verdachte tevens jerrycans zijn aangetroffen waarin blijkens een etiket een voedingsmiddel voor planten heeft gezeten. Soortgelijke jerrycans zijn eveneens aangetroffen bij de kwekerij.

Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen, zoals onder meer weergegeven in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel dat is opgemaakt door de politie, ontleent het gerechtshof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 5.000,-.

Het gerechtshof gaat hierbij uit van de door de politie berekende opbrengst van een hennepoogst ter grootte van € 43.720,19. Het gerechtshof gaat daarnaast uit van de betrokkenheid van de verdachte bij die eerdere oogst in een rol als medeplichtige.

De opbrengst voor de betrokkene van deze mate van zijn betrokkenheid schat het gerechtshof op basis van vergelijkbare zaken op een bedrag van € 5.000,-.

Anders dan de verdediging heeft aangevoerd komen op dat bedrag niet in mindering de elektriciteitskosten die de betrokkene op enig moment nog zal moeten voldoen.

Ingevolge artikel 36e, lid 8 van het Wetboek van Strafrecht worden bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht. Met de wijziging van dit artikel op 1 januari 2014 is daaraan onder meer toegevoegd dat de toegekende vorderingen in mindering worden gebracht voor zover die zijn voldaan.

Dit laatste is hier niet het geval en daarom zal het gerechtshof geen rekening houden met de door de verdediging bedoelde kosten voor elektriciteit.

De verplichting tot betaling aan de Staat

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de draagkracht van de betrokkene nihil is en heeft op grond daarvan bepleit dat diens terugbetalingsverplichting op nihil zal worden gesteld. Ter onderbouwing van dit draagkrachtverweer zijn door de verdediging schriftelijke stukken over de draagkracht van de betrokkene aan het gerechtshof overhandigd.

Het gerechtshof gaat er echter op grond van de jonge leeftijd van de betrokkene, diens gezondheid en de op die gronden veronderstelde mate van verdiencapaciteit vanuit dat redelijkerwijs te verwachten is dat de betrokkene in de toekomst in staat zal zijn om aan de verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen.

Gelet op de - terecht - door de verdediging aangevoerde overschrijding van de redelijke termijn in de fase van de behandeling van het hoger beroep in deze ontnemingszaak, is er voor het gerechtshof aanleiding de terugbetalingsverplichting van de betrokkene vast te stellen op een lager bedrag dan € 5.000,-. Het gerechtshof overweegt hierbij dat er in de hierboven genoemde strafzaak geen aanleiding is geweest voor verdiscontering van de overschrijding van de redelijke termijn. Daarom zal verdiscontering wél dienen plaats te vinden in deze ontnemingszaak.

Op grond van de overschrijding zal het gerechtshof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op een bedrag van € 4.000,-.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

Het gerechtshof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Dit wettelijk voorschrift is toegepast zoals het gold ten tijde van de procedure.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 80 dagen.

Aldus gewezen door

mr. M. Aksu, voorzitter,

mr. L.T. Wemes en mr. M.B. de Wit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 5 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Aksu is buiten staat dit arrest te ondertekenen.