Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2112

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-03-2021
Datum publicatie
05-03-2021
Zaaknummer
200.277.661
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg afspraken in convenant (Haviltex) en achterstallige partneralimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.277.661

(zaaknummer rechtbank 488351)

beschikking van 4 maart 2021

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. G.F. van den Ende te Rotterdam,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. H. Houtsmuller te Hilversum.

1 De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 28 januari 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met bijlagen 1 tot en met 11, ingekomen op 24 april 2020;

  • -

    het verweerschrift, tevens houdende voorwaardelijk zelfstandig (incidenteel)

  • -

    hoger beroep met producties 1 tot en met 15;

  • -

    het verweerschrift in het voorwaardelijk zelfstandig (incidenteel) hoger beroep;

  • -

    een journaalbericht van mr. Houtsmuller van 26 november 2020 met een akte uitlating op het verweerschrift, tevens akte houdende producties;

  • -

    de pleitaantekeningen van de vrouw, ingekomen op 1 december 2020;

  • -

    de pleitaantekeningen van de man, ingekomen op 3 december 2020.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 7 december 2020 via Telehoren plaatsgevonden. Partijen zijn beiden digitaal in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is [in] 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

Partijen hebben twee meerderjarige kinderen, een zoon van 21 jaar en een dochter van 23 jaar.

3.3

Partijen hebben een convenant met bijlagen I tot en met IV (ouderschapsplan) gesloten dat door hen beiden in december 2010 is ondertekend. Op 5 januari 2011 hebben partijen om technische redenen opnieuw een convenant met bijlagen I tot en met IV getekend. In het laatstgenoemde convenant zijn partijen onder meer het navolgende overeengekomen:

……

2.2

Met ingang van 1 januari 2012 zal de man (zie art 2.8) bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met een voorschot van € 1.000,- bruto per maand te voldoen uiterlijk voor elke eerste dag van de maand.

Dat bedrag zal jaarlijks worden verhoogd met de wettelijke indexering, zoals bedoeld is in art. 1:402a BW, voor het eerst met ingang van 1 januari 2011.

……

2.5…

De alimentatieplicht van de man/vrouw jegens de vrouw/man kent een maximale duur tot dat de beiden kinderen de middelbare school met een diploma hebben afgerond, echter nooit langer dan de maximale wettelijke termijn van twaalf jaar rekenend vanaf de datum dat partijen de samenleving hebben verbroken. partijen spreken met elkaar af dat indien over een jaar gemeten, in de periode van 1 april 2010 tot en met de datum dat de kinderen de middelbare school hebben afgerond er een verschil van brutojaarinkomen tussen man en vrouw bestaat dat over het meerdere een bruto partneralimentatie is verschuldigd van de één aan de ander. Deze bruto partneralimentatie zal berekend worden op basis van de volgende uitgangspunten:

- indien de som van beide brutojaarinkomens kleiner is dan 120.000 euro: de brutojaarinkomens worden gelijk over beide partijen verdeeld zodanig dat de meestverdienende ter grootte van de helft van het verschil aan de minderverdienende als partneralimentatie betaald. (voorbeeld brutojaarinkomen A: 70.000 B:48.000, totaal 118.000 geeft na verrekening A: 59.000, B:59.000);

- indien de som van beide brutojaarinkomens tussen 120.000 euro en 140.000 euro bedraagt: het meerdere van het verschil boven 10.000 euro dat de meestverdienende partij heeft verdiend zal tussen beide partijen gelijk worden verdeeld zodanig dat de meestverdienende ter grootte van de helft van dit verschil (boven de 10.000 euro) aan de minderverdienende als partneralimentatie betaald. (voorbeeld brutojaarinkomen A: 90.000 B:48.000, totaal 138.000 geeft na verrekening A: 74.000, B:64.000);

- indien de som van beide brutojaarinkomens tussen 140.000 euro en 160.000 euro bedraagt: het meerdere van het verschil boven 20.000 euro dat de meestverdienende partij heeft verdiend zal tussen beide partijen gelijk worden verdeeld zodanig dat de meestverdienende ter grootte van de helft van dit verschil (boven de 20.000 euro) aan de minderverdienende als partneralimentatie betaald. (voorbeeld brutojaarinkomen A: 100.000 B:60.000, totaal 160.000 geeft na verrekening A: 90.000, B 70.000);

- indien de som van beide brutojaarinkomens tussen 160.000 euro en 180.000 euro bedraagt: het meerdere van het verschil boven 30.000 euro dat de meestverdienende partij heeft verdiend zal tussen beide partijen gelijk worden verdeeld zodanig dat de meestverdienende ter grootte van de helft van dit verschil (boven de 30.000 euro) aan de minderverdienende als partneralimentatie betaald. (voorbeeld brutojaarinkomen A: 110.000 B:60.000, totaal 170.000 geeft na verrekening A: 100.000, B:70.000);

- indien de som van beide brutojaarinkomens meer dan 200.000 euro bedraagt: het meerdere van het verschil boven 40.000 euro dat de meestverdienende partij heeft verdiend zal tussen beide partijen gelijk worden verdeeld zodanig dat de meestverdienende ter grootte van de helft van dit verschil (boven de 40.000 euro) aan de minderverdienende als partneralimentatie betaald. (voorbeeld brutojaarinkomen A: 150.000 B:70.000, totaal 220.000 geeft na verrekening A: 130.000, B:90.000).

Verrekening van de alimentatie heeft plaats op de volgende momenten:

- als gevolg van voorlopige vaststelling binnen 6 maanden na het einde van betreffend jaar op basis van de jaaropgaven en de concept-jaarrekening als gevolg van definitieve vaststelling binnen één maand nadat de door de accountant gecontroleerde jaarrekening en aangifte Inkomsten belasting over het betreffende jaar waar deze nabetaling op is gebaseerd beschikbaar zijn. Partijen zullen meewerken aan het tijdig opstellen van deze stukken en

elkaar direct informeren als de stukken klaar zijn.

……

2.8

Onder het inkomensbegrip brutojaarinkomen, zoals gehanteerd in de artikelen 2.7 en 2.8 en in de artikelen 11.3 en 11.7 in het ouderschapsplan, wordt het volgende begrepen om de inkomens zo goed mogelijk met elkaar te vergelijken:

1. Bruto inkomen uit arbeid; (box 1)

2. Indien het inkomen sub 1 wordt verkregen van een werkgever waarvan degene, die het salaris ontvangt, tevens houder is van een onmiddellijk aanmerkelijk belang (honderd procent van het aandelenkapitaal), als bedoeld in artikel 4.6 van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001: 100 % van de bruto uitkeerbare winst of verlies uit onderneming (= omzet verminderd met de kosten, ondernemersaftrek, toevoeging aan de oudedagsreserve voor betreffend jaar) Bij een ander percentage dan de honderd procent houder aanmerkelijk belang, wordt de te berekenen uitkeerbare winst of verlies evenredig verminderd.;

3. Bruto uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in de artikel 3.101 lid l letter a, j0, 3.103 en 3.104 van de

Wet op de Inkomstenbelasting 2001;

4. Dividenden uit aandelen die een aanmerkelijk belang vertegenwoordigen zoals bedoeld in artikel 4.6 van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001. (box 2)

5. Waardevermeerdering of waardevermindering(= verkoopkosten verminderd met de aankoopkosten) bij de verkoop van opties of aandelen in een onderneming waar de partij in dienst is of in dienst is geweest of een aan deze onderneming gelieerde onderneming.

6. Het belastbare Inkomen uit het vermogen conform box 3.

……

3.4

In het ouderschapsplan (bijlage IV) is onder andere het volgende vermeld:
…..
Artikel 11.1 Kinderalimentatie
De totale behoefte van de kinderen is vastgesteld op 1.200 euro per maand, waarvan ieder 300 euro zal gebruiken voor de kinderen in de eigen huishouding. Met ingang van 1 april 2010 en zolang de kinderen minderjarig zijn stort de vader een voorschot alimentatie voor de kinderen van € 300,- per maand en per kind (totaal € 600,-) op een door de vrouw aan te geven bankrekening. Verder betaalt de vader 100 euro extra op de doelrekening van de kinderen. Indien sprake is van gelijke verdeling van verblijf en onderhoud van de kinderen wordt dit bedrag aangepast. Deze alimentatie en bedragen zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2011. Indien, op basis van het in artikel 2.8 in het convenant gestelde, een verrekening plaats vindt zal de bijdrage van de partijen aan de kinderalimentatie evenredig worden verrekend zodanig dat ieder een evenredig deel van het hen toegekomen brutojaarinkomen heeft bijgedragen aan de kinderalimentatie voor het betreffend jaar. Bijvoorbeeld; als na verrekening conform art. 2.8 blijkt dat inkomen 110k en 80k is dan is respectievelijk 366 euro en 223 euro op doelrekening verschuldigd.
Moeder is geen verantwoording schuldig aan de vader indien de doelrekening niet verder aangevuld wordt.

Indien de doelrekening aangevuld dient te worden boven de 700 euro per maand dat wordt er eerst door de moeder administratie gehouden en verantwoording afgelegd. Het extra benodigde bedrag wordt eerst overeengekomen en vervolgens binnen 1 maand door ieder naar rato betaald.
……
11.7 Buitengewone gezamenlijke kosten

De ouders beheren samen de buitengewone gezamenlijke kosten. Deze worden naar rato van het inkomen afgestemd en afgesproken.

…..

4 Het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad in conventie de vorderingen (verzoeken) van de vrouw afgewezen en in reconventie de vrouw veroordeeld om binnen 14 dagen na de bestreden beschikking aan de man te voldoen een bedrag van € 5.465,50,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na heden.

4.2

De vrouw is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

de man te veroordelen tot betaling van:

  • -

    € 60.000,- aan achterstallige partneralimentatie over de jaren 2013, 2014 en 2016, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    € 2.276,15 ter zake van de wettelijke rente over de hoofdsom aan achterstallige partneralimentatie berekend tot 5 februari 2018;

  • -

    € 8.346,- aan partneralimentatie over het jaar 2017, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    € 26.687,- aan achterstallige partneralimentatie 2017 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    € 12.108,- aan achterstallige partneralimentatie 2018 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

kosten rechtens.

4.3

De man voert verweer in het principaal hoger beroep en verzoekt het hof het beroep van de vrouw ongegrond te verklaren.

In het geval het hof zal overgaan tot verlaging van het door de rechtbank in de bestreden beschikking berekende bedrag van de vordering van de man op de vrouw van € 5.465,50 komt de man met twee grieven in incidenteel hoger beroep van de bestreden beschikking. De grieven hebben betrekking op de rechtsoverwegingen 4.9, 4.12 en 4.13 van de bestreden beschikking.

De man verzoekt het hof in het voorwaardelijk (incidenteel) hoger beroep, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat de vordering van de man op de vrouw € 12.923,- bedraagt; waarop in mindering dient te komen een bedrag van € 4.480,- wegens te weinig betaalde partneralimentatie over 2017 en een bedrag van (€ 2.378,- minus € 1.493,-) € 885,- wegens te weinig betaalde partneralimentatie over 2018.

4.4

De vrouw voert verweer in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep en verzoekt het hof het voorwaardelijk zelfstandig (incidenteel) beroep van de man ongegrond te verklaren, kosten rechtens.

5 De overwegingen voor de beslissing

5.1

Allereerst stelt het hof vast dat de man in zijn akte uitlating op het verweerschrift, tevens akte houdende producties zijn eerste grief in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep (betrekking hebbend op een bedrag ter zake partneralimentatie van € 1.493,-) heeft ingetrokken, zodat op dit punt geen beslissing meer hoeft te worden gegeven.

5.2

In het door partijen op 5 januari 2011 ondertekende convenant zijn partijen overeengekomen dat er bij een verschil van bruto jaarinkomen tussen de man en de vrouw over het meerdere een bruto partneralimentatie verschuldigd is van de één aan de ander. Zij hebben voor de berekening van de hoogte van de partneralimentatie een staffelmethode opgenomen in het convenant dat onderscheid maakt in de navolgende staffels:

- de som van beide bruto jaarinkomens is kleiner dan € 120.000,-

(de bruto jaarinkomens worden gelijk over beide partijen verdeeld zodanig dat de meestverdienende ter grootte van de helft van het verschil aan de minderverdienende als partneralimentatie betaalt);

- de som van beide bruto jaarinkomens is tussen € 120.000,- en € 140.000,-

(het meerdere van het verschil boven € 10.000,- dat de meestverdienende partij heeft verdiend zal tussen beide partijen gelijk worden verdeeld zodanig dat de meestverdienende ter grootte van de helft van dit verschil (boven de € 10.000 euro) aan de minderverdienende als partneralimentatie betaalt);

- de som van beide bruto jaarinkomens is tussen € 140.000,- en € 160.000,-

(het meerdere van het verschil boven € 20.000,- euro dat de meestverdienende partij heeft verdiend zal tussen beide partijen gelijk worden verdeeld zodanig dat de meestverdienende ter grootte van de helft van dit verschil (boven de € 20.000,-) aan de minderverdienende als partneralimentatie betaalt);

- de som van beide bruto jaarinkomens is tussen € 160.000,- en € 180.000,-

(het meerdere van het verschil boven € 30.000,- dat de meestverdienende partij heeft verdiend zal tussen beide partijen gelijk worden verdeeld zodanig dat de meestverdienende ter grootte van de helft van dit verschil (boven de € 30.000,-) aan de minderverdienende als partneralimentatie betaalt);

- de som van beide brutojaarinkomens is meer dan € 200.000,-

(het meerdere van het verschil boven € 40.000,- dat de meestverdienende partij heeft verdiend zal tussen beide partijen gelijk worden verdeeld zodanig dat de meestverdienende ter grootte van de helft van dit verschil (boven de € 40.000,-) aan de minderverdienende als partneralimentatie betaalt.

5.3

De kern van het geschil tussen partijen gaat om de wijze waarop voormelde regeling in het convenant moet worden uitgelegd als sprake is van een jaarinkomen van de man en de vrouw dat bij elkaar opgeteld tussen de € 180.000,- en de € 200.000,- bedraagt. Een inkomen tussen deze twee bedragen is namelijk niet opgenomen als staffel in het convenant.

De rechtbank heeft voldoende bewezen geacht dat de ontbrekende schijf € 180.000,- tot € 200.000,- bedraagt met een drempel van € 40.000,-. Hierdoor heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank geen vordering op de man ter zake van achterstallige partneralimentatie over de jaren 2013, 2014 en 2016 van in totaal € 60.000,-. Deze verzoeken heeft de rechtbank daarom afgewezen.

5.4

De vrouw heeft een grief ingesteld tegen het oordeel van de rechtbank op dit punt. Volgens de vrouw is bewust geen regeling opgenomen door partijen bij een inkomen vanaf € 180.000,- tot € 200.000,-. Het was de bedoeling dat bij een dergelijke inkomen zou worden teruggegrepen op de regeling gelijk aan de eerste staffel (een gezamenlijk bruto jaarinkomen tot € 120.000,-). Het verschil tussen de inkomens van partijen zou moeten worden gedeeld, zodat partijen bij een gezamenlijk inkomen tussen € 180.000,- en € 200.000,- ieder evenveel te besteden hebben. Volgens de vrouw hadden partijen ten tijde van het uiteengaan feitelijk gezamenlijk een jaarinkomen tussen € 180.000,- en € 200.000,- en was de intentie van partijen dat het verschil zou worden gedeeld als de vrouw een hoger inkomen zou gaan verwerven.

5.5

De man heeft de stellingen van de vrouw betwist. Volgens hem hebben partijen per ongeluk niets in hun convenant opgenomen over een gezamenlijk inkomen tussen de € 180.000,- en € 200.000,-. Vanaf een gezamenlijk jaarinkomen van € 180.000,- was het de bedoeling dat het meerdere boven een verschil van € 40.000,- tussen partijen wordt gedeeld.

5.6

Het hof stelt voorop dat het op grond van vaste jurisprudentie bij de uitleg van bepalingen in een convenant aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de Haviltex-maatstaf, HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158).

Zoals de rechtbank al heeft overwogen, staat vast dat partijen bij het opstellen van het convenant nooit gesproken hebben over het weglaten van een staffel bij een gezamenlijk jaarinkomen tussen € 180.000,- en € 200.000,-. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de stelling van de vrouw dat partijen in een situatie met een dergelijk inkomen de bedoeling hadden om het verschil in inkomen geheel te delen geen logische lijn vormt met de overige staffels. De vrouw heeft haar stellingen dat partijen het verschil in inkomen dan wilden delen onvoldoende onderbouwd en de man heeft haar stellingen voldoende gemotiveerd betwist. Uit de opmerking van de man in de door de vrouw overgelegde bijlage 5 bij haar beroepschrift “we hebben ieder hetzelfde te besteden door ons afwijkende alimentatie gedrocht” kan niet worden afgeleid dat het de bedoeling was dat de partijen het verschil in inkomen zouden delen, zodat ieder evenveel inkomen had. Daaruit volgt eerder dat de man het met de uitleg van de vrouw niet eens is. De man heeft daarentegen in eerste aanleg meerdere stukken overgelegd (producties 4 (e-mail 2 november 2012), 5 (e-mail 3 november 2012 en 6 (“ Allonge” november 2014)) waaruit kan worden afgeleid dat in november 2012 en in 2014 uitgebreid gesproken is over een staffel tussen € 180.000,- en € 200.000,- zodanig dat de meestverdienende de helft van het verschil boven de € 40.000,- aan de minstverdienende als partneralimentatie moest betalen. Uit deze stukken blijkt dat de vrouw daar voorshands niet afwijzend tegenover stond, ook al is de “Allonge” door partijen uiteindelijk niet getekend.

Het hof is daarom van oordeel dat de eerste grief van de vrouw faalt, zodat het oordeel van de rechtbank dat de hoogste staffel vanaf een gezamenlijk bruto jaarinkomen van € 180.000,- moet worden toegepast en dan het meerdere boven een verschil in inkomen van € 40.000,- moet worden gedeeld, in stand blijft.

5.7

De vrouw stelt in haar tweede grief dat de man een hoger inkomen heeft genoten, omdat hij zijn aandelen [C] heeft verkocht. De man kan volgens de vrouw de toename van zijn vermogen met € 41.105,- onvoldoende nader verklaren.

Het hof concludeert net als de rechtbank dat indien de man in 2017 meer inkomen heeft verworven in box 1, zoals de vrouw stelt, dat met zich brengt dat sprake moet zijn geweest van een frauduleuze aangifte. De vrouw is in hoger beroep net als in eerste aanleg niet gekomen met concrete aanwijzingen die deze stelling ondersteunen. De man heeft daarentegen voldoende nader onderbouwd dat de verkoop van de activa [C] niet heeft geleid tot een uitkering. Er was sprake van een naamswijziging en een faillissement, zodat de aandelen niets meer waard waren. Ook heeft de man zijn vermogensaanwas nader toegelicht door te verwijzen naar de waardevermeerdering van de aandelen [D] en naar bewijsstukken van de uitkering van een koopsomverzekering.

Deze grief van de vrouw faalt daarom naar het oordeel van het hof eveneens.

5.8

In de derde grief voert de vrouw aan dat de rechtbank in 2018 van een onjuist inkomen aan de zijde van de man is uitgegaan. De rechtbank had op basis van het inkomen dat de man in de eerste zeven maanden van 2018 heeft verworven, moeten extrapoleren naar een jaarinkomen.

De rechtbank heeft overwogen dat partijen verschillende berekeningen hebben overgelegd van hun inkomens en de daaruit af te leiden hoogte van de alimentatie, maar zonder nadere toelichting of bewijsstukken. Voor de rechtbank is daarom niet vast te stellen van welk inkomen moet worden uitgegaan en daarom is bij beide partijen uitgegaan van de bedragen die zij in hun laatste processtukken hebben genoemd. Inmiddels heeft de man ook de belastingaangifte 2018 overgelegd. Daarin is een inkomen uit werk opgenomen van € 90.204,- bruto. Ook de rechtbank is van dit inkomen uitgegaan bij de berekening van de staffel. De vrouw heeft daarentegen geen eigen nadere inkomensgegevens zoals een aangifte inkomstenbelasting over 2018 geding gebracht. Naar het oordeel van het hof faalt de derde grief van de vrouw daarom ook.

5.9

De vrouw heeft ook een grief ingesteld tegen het moment waarop de partneralimentatie is geëindigd. De rechtbank heeft dat moment op 1 juli 2018 gesteld, maar volgens de vrouw moet dat 1 augustus 2018 zijn.

In hun convenant hebben partijen opgenomen dat de alimentatieplicht maximaal duurt totdat de beide kinderen de middelbare school met een diploma hebben afgerond. Partijen

verschillen van inzicht op welk moment dat het geval is. Volgens de man op de dag dat [E] van zijn docent een email heeft ontvangen dat hij is geslaagd. De vrouw stelt dat [E] zijn diploma heeft ontvangen op 4 juli 2018 tijdens de diploma-uitreiking en dat partijen de bedoeling hadden dat de partneralimentatie zou eindigen op het moment dat de kinderen zouden gaan studeren. Daarom wil zij van 1 augustus 2018 uitgaan. Een schooljaar duurt tot en met augustus en dit betekent dat zij de man dan al één maand tegemoet is gekomen.

Het hof is het eens met het oordeel van de rechtbank dat de partneralimentatie is geëindigd per 1 juli 2018 en neemt de overwegingen van de rechtbank op dit punt over. Deze vierde grief van de vrouw faalt eveneens.

5.10

De laatste grief van de vrouw gaat over de berekening van de hoogte van de door de vrouw verschuldigde kinderalimentatie. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat voldoende is komen vast te staan dat de man een vordering heeft op de vrouw van ten minste € 12.323,50 uit hoofde van door hem te veel en door de vrouw te weinig betaalde kinderalimentatie.

De vrouw stelt dat de rechtbank weliswaar haar berekening heeft gevolgd, maar dat daarin geen rekening is gehouden met de ontbrekende staffel, terwijl de rechtbank ten aanzien van de partneralimentatie en de uitleg van het convenant heeft geoordeeld dat dit wel zou moeten. De vrouw legt bij haar beroepschrift nieuwe berekeningen van de hoogte van de partneralimentatie en kinderalimentatie en de reeds betaalde bedragen over. Bijlage 9 betreft de berekening van de kinderalimentatie waarbij zij ervan is uitgegaan dat haar eerste grief slaagt. Bijlage 11 betreft de berekening waarbij ervan is uitgegaan dat de staffel van een gezamenlijk bruto jaarinkomen hoger dan € 200.000,- is verlaagd en van toepassing wordt vanaf € 180.000,-, overeenkomstig het oordeel van de rechtbank in de bestreden beschikking. In dat geval heeft de man nog maar een bedrag van € 191,- te verrekenen, aldus de vrouw.

5.11

De man betwist de berekeningen van de vrouw en stelt dat zijn vordering op de vrouw niet € 12.323,50 bedraagt, zoals de rechtbank heeft berekend, maar € 12.925,-. Hij legt als productie 10 in hoger beroep ook een berekening van de kinderalimentatie en partneralimentatie over. Om proceseconomische redenen stelt hij het verschil van € 601,50 met de berekening van de rechtbank in eerste aanleg niet aan de orde in hoger beroep.

De vrouw heeft in haar berekening van de hoogte van de kinderalimentatie ten onrechte buitengewone kinderkosten opgevoerd, aldus de man. Partijen zijn in artikel 11.1 van het ouderschapsplan overeengekomen dat de totale behoefte van de kinderen € 1.200,- per maand bedraagt en dat de man maandelijks € 700,- zal overmaken op de doelrekening voor de kinderen. Indien de doelrekening moet worden aangevuld boven de € 700,- per maand dan moet de vrouw eerst administratie houden en verantwoording afleggen. Het extra benodigde bedrag wordt eerst overeengekomen en vervolgens binnen een maand door ieder naar rato betaald. Volgens de man heeft de vrouw in totaal een bedrag van € 2.997,- extra opgevoerd en moeten deze kosten geen rol spelen in de berekening nu daarover geen overeenstemming is bereikt. De man stelt verder dat hij altijd het volledige bedrag aan kinderalimentatie heeft betaald; achteraf verrekenden partijen dit.

5.12

Het hof is van oordeel dat de vordering van de man op de vrouw wegens teveel betaalde kinderalimentatie in ieder geval ook moet worden gebaseerd op de uitleg van het convenant zoals onder 5.6 weergegeven en dus op het uitgangspunt dat de staffel van € 200.000,- in het convenant al van toepassing is vanaf een gezamenlijk bruto jaarinkomen van € 180.000,-.

Het hof constateert dat de door de man opgestelde productie 10 in hoger beroep met de eindberekening over 2013, 2014, 2016, 2017 en 2018 gebaseerd is op dit uitgangspunt en dat de jaarlijkse eindberekening door hem op dezelfde wijze is uitgevoerd als de reeds goedgekeurde berekening over 2010, 2011 en 2015. De berekening die de vrouw als bijlage 11 heeft overgelegd is ook gebaseerd op de staffel van € 180.000,- maar wijkt op diverse punten af van haar eerdere berekeningen. De berekening van de man (productie 10) en de berekening die de vrouw als bijlage 11 heeft overgelegd verschillen met name op twee punten.

Ten eerste hanteren partijen verschillende bedragen ter zake van de bijdragen die de man steeds als voorschot heeft voldaan op de definitieve kinderalimentatie. De man heeft de in zijn berekening als voorschot vermelde bedragen gebaseerd op de door de vrouw overgelegde stukken en de nummers van deze stukken steeds daar achter vermeld. De vrouw heeft hierop niet inhoudelijk gereageerd en heeft dus niet toegelicht waarom dat niet klopt en dat haar berekening moet worden gevolgd. Het hof constateert bovendien dat de vrouw in 2013 als voorschot voor de man heeft gerekend met twee keer € 600,- en tien keer € 626,65, terwijl uit haar overgelegde afschriften van haar betaalrekening blijkt dat de man twee keer € 700,- en tien keer € 726,65 heeft voldaan. Voor 2014 is de vrouw van twaalf keer € 626,65 uitgegaan als voorschot van de man, terwijl uit haar bijlage 10 blijkt dat de man steeds € 726,65 per maand heeft voldaan. Over de jaren 2016, 2017 en 2018 is sprake van slechts zeer kleine verschillen. Het hof is daarom van oordeel dat de berekening van de man met betrekking tot de door hem betaalde voorschotten kan worden gevolgd.

Het tweede verschil in de berekeningen van de man en de vrouw is gelegen in de bijzondere kosten voor de kinderen die de vrouw opvoert. Het hof is van oordeel dat deze bijzondere kosten buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden die daarvoor zijn gesteld in het ouderschapsplan van partijen voor de kinderen.

Dit betekent dat de berekening van de man in stand kan blijven en de man ten minste € 12.323,50 van de vrouw te vorderen heeft. Ten gevolge daarvan faalt ook de vijfde grief van de vrouw.

5.13

De man heeft een voorwaardelijke grief 2 ingesteld voor het geval het hof zal overgaan tot verlaging van het door de rechtbank berekende bedrag van de vordering van de man op de vrouw van € 5.465,50. Nu alle grieven van de vrouw in het principaal hoger beroep falen, komt het hof niet toe aan een bespreking van deze voorwaardelijke grief in het incidenteel hoger beroep van de man.

5.14

Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen en beslissen als volgt.

5.15

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage aan de uit die relatie geboren kinderen en de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 28 januari 2020;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B. Knottnerus, A. Smeeïng-van Hees en J.H. Lieber, bijgestaan door de griffier, en is op 4 maart 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.