Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2107

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-03-2021
Datum publicatie
08-03-2021
Zaaknummer
200.264.313
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1:431 e.v. BW. 1:450 e.v. BW,

toezicht kantonrechter, omvang en wijze rekening en verantwoording ex 1:445 BW, Aanbevelingen meerderjarigenbewind, voorschotten lestelschade, vervangende schade, kostwinnerschap, samenleving (geen huwelijk, geen geregistreerd partnerschap), schenking, machtiging en toestemming kantonrechter, beloning, vaststelling schade door kantonrechter ex 1:362 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.264.313

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 7257022)

beschikking van 4 maart 2021

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verder te noemen: [verzoekster] ,

advocaat: mr. P.J. Hentenaar-Polderman te Utrecht,

en

[verzoeker] ,

wonende te [B] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoeker] ,

advocaat: mr. C.P. Visser te Utrecht.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbende1] ,

wonende te [C] ,

verder te noemen: [belanghebbende1] ,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[belanghebbende2] B.V.,

gevestigd te [D] ,

in haar hoedanigheid van curator van [belanghebbende1] ,

verder te noemen: [belanghebbende2] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (verder te noemen: de kantonrechter), van 10 mei 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, deze beschikking verder te noemen: de bestreden beschikking.

2. Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 2 augustus 2019;

- een faxbericht van mr. Hentenaar-Polderman van 30 augustus 2019 met daarbij een bijlage bij productie 16 en de producties 22 tot en met 25;

- een faxbericht van mr. Hentenaar-Polderman van 7 september 2020 met als productie de beschikking van de kantonrechter van 29 september 2014.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 10 september 2020 plaatsgevonden. Aanwezig waren:

- [verzoekster] , bijgestaan door haar advocaat;

- [verzoeker] , bijgestaan door zijn advocaat;

- [belanghebbende1] ;

- namens [belanghebbende2] : [E] (hierna: [E] ) en [F] (hierna: [F] ), beiden werkzaam bij [belanghebbende2] .

Bij het slotwoord van [belanghebbende1] was ook aanwezig [G] (de zoon van [belanghebbende1] , hierna: [G] ) om hetgeen [belanghebbende1] naar voren wilde brengen via een zogenoemde letterkaart tot uitdrukking te brengen.

2.3

Het hof heeft van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, nu sprake is van een ambtshalve beslissing van de kantonrechter, op verzoek van de kantonrechter een kopie ontvangen van het ‘rechtbankdossier’ dat aan de bestreden beschikking ten grondslag ligt (zaaknummer 7257022 UT 18-22141). Het hof gaat er bij de beoordeling van deze zaak van uit dat die kopie het volledige dossier betreft. Het hof heeft vastgesteld dat de kopie uitsluitend beschikkingen, gespreksaantekeningen, correspondentie en onderliggende stukken (zoals verzoeken en rekening en verantwoordingen, inclusief producties) betreft die zijn gezonden aan of afkomstig zijn van [verzoekster] en [verzoeker] , dan wel gesprekken betreffen waarbij [verzoekster] en [verzoeker] aanwezig en/of vertegenwoordigd waren.

3 De omvang van het geschil

3.1

In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter:

- [verzoekster] en [verzoeker] met onmiddellijke ingang ontslagen als curatoren;

- als opvolgend curator [belanghebbende2] benoemd;

- de beloning van [verzoekster] en [verzoeker] vastgesteld op de forfaitaire tarieven zoals in de beschikking bepaald (het hof neemt aan: in de rechtsoverwegingen 2.7.4.2. en 2.7.4.4 van de bestreden beschikking);

- de (na te noemen, hof) machtigingsverzoeken 1 tot en met 4 en 6 afgewezen;

- machtigingsverzoek 5 toegewezen tot een bedrag van € 555,18 en afgewezen voor een bedrag van € 600,- en [verzoekster] en [verzoeker] voor het overige in dat machtigingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard;

- [verzoekster] en [verzoeker] in verband met de afwijzing van de machtigingsverzoeken 1 tot en met 4 en (ten dele) 5 hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [belanghebbende1] van:

- € 2.226,-

(machtigingsverzoek 1: kosten vakantie);

- € 2.550,74

(machtigingsverzoek 2: kosten woning partner);

- € 1.000,-

(machtigingsverzoek 3: scooter partner);

- € 1.500,-

(machtigingsverzoek 4: kosten auto anders dan verzekering/belasting);

- € 600,-

(machtigingsverzoek 5: schenking aan [G] );

- [verzoekster] en [verzoeker] in verband met het afgewezen machtigingsverzoek beloning uitvoerders hoger dan het forfaitaire tarief waaronder zogenoemde hulpkosten (machtigingsverzoek 6) (kennelijk, hof) hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [belanghebbende1] van:

- € 14.495,-

aan te veel in rekening gebrachte beloning voor de bewindvoerder over de periode 30 september 2014 tot en met 22 november 2017;

- € 4.333,78

aan te veel in rekening gebrachte beloning voor de mentor over de periode 30 september 2014 tot en met 22 november 2017;

- € 177,22

aan te veel in rekening gebrachte beloning voor de curator over de periode 22 november 2017 tot en met 31 december 2017, en

- € 68.865,-

aan ten onrechte uitgekeerde zogenoemde hulpkosten aan [verzoeker] .

3.2

[verzoekster] en [verzoeker] zijn met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. [verzoekster] en [verzoeker] verzoeken het hof, kort weergegeven, uitvoerbaar bij voorraad:

- de bestreden beschikking voor zover zij daar grieven tegen hebben geformuleerd te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

- ten aanzien van de uitgaven als genoemd 1 tot en met 5 opgenomen in rechtsoverweging 2.3.3 van de bestreden beschikking:

primair,

voor recht te verklaren dat [verzoekster] en [verzoeker] geen toestemming aan de kantonrechter hoefden te vragen voor de kosten van

(1) de vakantie (€ 2.226,-),

(2) de woning partner (€ 2.550,74),

(3) de scooter partner (€ 1.000,-),

(4) de kosten auto voor [G] (€ 1.500,-) en

(5) de schenking aan [G] (€ 600,-);

subsidiair,

voor zover het hof van oordeel is dat er wel voorafgaande toestemming gevraagd had moeten worden voor de uitgaven 1 tot en met 5, deze toestemming alsnog te verlenen en te verklaren voor recht dat [verzoekster] en [verzoeker] ten aanzien van deze uitgaven niet gehouden zijn enig bedrag te betalen aan [belanghebbende1] ;

- ten aanzien van punt 6, de beloning van de bewindvoerders, mentor en curatoren, opgenomen in rechtsoverweging 2.3.3 van de bestreden beschikking:

primair,

voor recht te verklaren dat [verzoekster] en [verzoeker] geen toestemming aan de kantonrechter hoefden te vragen ten aanzien van deze beloning nu dit vergoeding van verplaatste schade betreft en aldus voor recht te verklaren dat [verzoekster] en [verzoeker] niet gehouden zijn om enig bedrag te betalen aan [belanghebbende1] ;

subsidiair,

voor zover het hof van oordeel is dat er wel voorafgaande toestemming gevraagd had moeten worden voor de uitgave van deze kosten, voor recht te verklaren dat de beloning voor de bewindvoering over de periode 30 september 2014 tot en met 22 november 2017 € 14.495,13 is, de beloning voor het mentorschap over die periode € 4.333,78 en de beloning voor de curatele van december 2017 tot en met januari 2018 € 534,22 is en voor recht te verklaren dat de uitkering aan [verzoeker] van de zorgkosten over de periode 14 december 2013 tot 1 januari 2018 zijnde € 68.865,- terecht zijn betaald en te verklaren voor recht dat [verzoekster] en [verzoeker] niet gehouden zijn om enig bedrag aan [belanghebbende1] te betalen;

meer subsidiair,

voor zover het hof van oordeel is dat wel voorafgaande toestemming gevraagd had moeten worden voor de betaling van de beloning aan de bewindvoerder, de mentor en de curatoren en de zorgkosten aan [verzoeker] , deze toestemming alsnog te verlenen en te verklaren voor recht dat [verzoekster] en [verzoeker] de beloning en zorgkosten reeds hebben ontvangen en dat zij niet gehouden zijn enig bedrag aan [belanghebbende1] te betalen.

4 De feiten

4.1

[belanghebbende1] en mevrouw [H] (hierna: [H] ) wonen ongehuwd samen in [C] . Zij hebben geen samenlevingscontract. Hun meerderjarige zoon [G] woont bij hen. [belanghebbende1] werkt als kozijnensteller. Hij is kostwinner.

4.2

Op 10 oktober 2013 ondergaat [belanghebbende1] een knieoperatie in het [ziekenhuis] .

Als gevolg van een medische fout leidt [belanghebbende1] tijdens de operatie gedurende lange

tijd (20 à 25 minuten) zuurstofgebrek, ten gevolge waarvan ernstig hersenletsel ontstaat.

Het ziekenhuis erkent aansprakelijkheid. [belanghebbende1] wordt in de letselschadezaak bijgestaan door mr. [I] . Namens het [ziekenhuis] treedt mevrouw mr. [J] op, destijds werkzaam voor [K] . Deze onderneming voert thans de handelsnaam [L] en maakt deel uit van [M] B.V., hierna te noemen: [M] .

4.3

[verzoeker] , een kennis van [belanghebbende1] , helpt sinds december 2013 bij de begeleiding en ondersteuning van [belanghebbende1] bij zijn herstel. [verzoeker] begeleidt [belanghebbende1] onder meer naar zijn (zwem)therapieën.

Uit een rapport van [M] van 13 oktober 2014 blijkt dat die hulp ook door het [ziekenhuis] als erg belangrijk wordt ervaren:

“De medische situatie van betrokkene [ [belanghebbende1] , hof] is niet noemenswaardig veranderd. Het verloop is zeer wisselend en sterk afhankelijk van hoe de heer [belanghebbende1] “in zijn vel zit”. Mede door de omvang van het verpleegkundige team is niet iedereen even goed op betrokkene en zijn hulpbehoefte ingespeeld. Hierdoor gaat er regelmatig “wat mis” en/of sluit de hulpverlening niet voldoende aan bij de wensen/gewoonten van betrokkene. Hierdoor kan betrokkene snel buiten zinnen raken waardoor “geen land meer met hem te bezeilen is”. Uitsluitend de heer [verzoeker] is in zo’n geval in staat betrokkene weer tot rust te brengen. Ik begrijp dat het wel eens is voorgekomen dat de heer [verzoeker] rond middernacht door de verpleging om assistentie is gevraagd.

Uitgangspunt is dat verplaatste schade pas voor vergoeding in aanmerking komt als het gaat om werkzaamheden waarvoor het normaal en gebruikelijk is een professional in te schakelen. Zolang betrokkene opgenomen is, wordt in beginsel door de instelling voorzien in zijn zorg- en therapiebehoefte. Inschakeling van extra professionele hulp is in die situatie niet normaal en gebruikelijk.

Desondanks kan [ziekenhuis] zich voorstellen dat de zorg die de heer [verzoeker] biedt erg belangrijk is en uiteindelijk tot een beter herstel en kwaliteit van leven kan leiden. De hulp van de partner en zoon is van een geheel ander orde.

[ziekenhuis] is bereid – ten behoeve van optimaal herstel – de extra hulp en begeleiding voor de periode 24 februari 2014 tot 1 januari 2015 te waarderen op € 300,-- per week. Dit bedrag is inclusief reis- parkeer- en verblijfkosten van de heer [verzoeker] .”

Uit een rapport van [M] van 2 februari 2015 blijkt onder meer dat [verzoeker] [belanghebbende1] doucht, naast de driemaal fysiotherapie per week en tweemaal ergotherapie die [belanghebbende1] heeft, met [belanghebbende1] oefent in het opstaan en lopen, onder meer in de oefenzaal van de fysiotherapie, hem stimuleert bij het eten en drinken, en zich hard maakt voor de kwaliteit van de verzorging van [belanghebbende1] .

Een rapport van 15 november 2016 van [M] vermeldt onder meer:

“Tegen alle verwachtingen in is toch sprake van enig herstel. Betrokkene is niet meer afhankelijk van sonde voeding en kan met hulp en ondersteuning van twee personen even staan en enkele stappen lopen. De heer [verzoeker] speelt hierbij een cruciale rol. Lange tijd was de mogelijkheid betrokkene te verzorgen sterk afhankelijk van de aanwezigheid van de heer [verzoeker] . (…)

In overleg is de hiermee samenhangende verplaatste schade tot 1 januari 2017 gewaardeerd op € 300,-- per week + € 45,-- in verband met reiskosten. Gezien de ontwikkelingen is aannemelijk dat de heer [verzoeker] voorlopig nog intensief bij betrokkene betrokken zal zijn.”

De hulpkosten (door [M] gekwalificeerd als verplaatste schade) worden aan [verzoeker] vergoed op basis van 30 uur per week à € 10,- per uur en, vanaf 1 januari 2017, € 45,- per week aan reiskosten.

4.4

Bij verzoekschrift, ingediend door mr. De Graaf-Bosch, en ontvangen op 21 juli 2014, verzoekt [H] de kantonrechter het vermogen van [belanghebbende1] onder bewind te stellen en ten behoeve van [belanghebbende1] een mentor te benoemen, met benoeming van [verzoekster] en [verzoeker] tot bewindvoerders en [verzoeker] tot mentor. Het verzoekschrift gaat vergezeld van een medische verklaring, de akkoordverklaringen van [H] en [G] , de bereidverklaringen van [verzoekster] en [verzoeker] en een door [verzoekster] en [verzoeker] opgesteld plan van aanpak en voorlopige boedelbeschrijving. In het verzoekschrift en de bijlagen wordt de medische situatie van [belanghebbende1] duidelijk omschreven, voorts noemt het plan van aanpak uitdrukkelijk als doel van het bewind het beheren en beschermen van de schadevergoedingen die [belanghebbende1] van het [ziekenhuis] /de verzekeraar ontvangt, omdat [H] daartoe onvoldoende in staat is.

Over het beheer van de schadevergoeding vermeldt het plan van aanpak:

“Er zal een aparte rekening worden geopend voor het ontvangen van de gelden uit de schadevergoeding, De advocaat die de belangen van de heer [belanghebbende1] behartigt met betrekking tot het verhalen van zijn schade (…) zal steeds aangeven op welke schadeposten de vergoeding ziet, zodat voor de bewindvoerders duidelijk is welke bedragen voor welke kosten kunnen worden aangewend.”

Over de wijze waarop uit de inkomsten van [belanghebbende1] wordt bijgedragen in de kosten van levensonderhoud van [H] bepaalt het plan van aanpak:

“De huidige rekening van [belanghebbende1] (…).

De partner van de heer [belanghebbende1] zal de beschikking krijgen over het overschot op bovengenoemde rekening ter bekostiging van haar levensonderhoud. Dit zal maandelijks aan haar overgeboekt worden.”

4.5

Bij het verzoekschrift is een verzoek gevoegd tot machtiging van de bewindvoerder tot verkoop van de motor van [belanghebbende1] en aankoop van een nieuwe motor met zijspan voor een bedrag van (na inruil) € 12.273,30. Doel is het voor [belanghebbende1] mogelijk maken om (in de zijspan) motorritjes te maken. De kosten worden voldaan uit het voorschot

ad € 50.000,- van het smartengeld dat [belanghebbende1] van het [ziekenhuis] zal ontvangen.

4.6

Bij brief van 14 augustus 2014 vraagt mr. De Graaff-Bosch de kantonrechter beide verzoeken met spoed te behandelen. Daarop volgt op 27 augustus 2014 een zitting bij de kantonrechter. Uit de aantekeningen van de zitting van 27 augustus 2014 blijkt dat [verzoekster] ter zitting haar voorstel in het plan van aanpak om het bewind na zes maanden te evalueren uitdrukkelijk ter sprake heeft gebracht, mede omdat dit bewind haar eerste bewind zou zijn. De kantonrechter heeft daarop aangegeven dat zij dat een goed voorstel vindt, zeker omdat het het eerste bewind van [verzoekster] (en [verzoeker] ) is.

Uit het rechtbankdossier blijkt niet dat die evaluatie heeft plaatsgevonden.

Op 24 september 2014 bezoekt de kantonrechter [belanghebbende1] in het verpleeghuis om hem op het verzoek te horen. Uit de aantekeningen van dat bezoek blijkt dat de kantonrechter met [belanghebbende1] heeft gecommuniceerd en dat [belanghebbende1] het eens is met de onderbewindstelling en het mentorschap. Ook is tijdens dat bezoek gecommuniceerd over een zijspan voor de motor zodat [belanghebbende1] nog ritjes zou kunnen maken.

4.7

Bij beschikking van 29 september 2014 (hierna: de instellingsbeschikking) worden de onderbewindstelling en het mentorschap door de kantonrechter conform het verzoek uitgesproken: [verzoekster] en [verzoeker] worden benoemd tot bewindvoerders en [verzoeker] tot mentor.

De instellingsbeschikking bevat de (standaard) clausule dat de bewindvoerders voor hun werkzaamheden en de met het bewind gemoeide kosten de door het LOVCK vastgestelde forfaitaire tarieven ten laste van het vermogen van [belanghebbende1] mogen brengen. Over de kosten van het mentorschap wordt niets bepaald.

[verzoekster] en [verzoeker] hebben de taken zo verdeeld dat [verzoeker] alle praktische zorg verleent aan [belanghebbende1] en dat [verzoekster] de financiële taken op zich neemt. Die verdeling is ook na de hierna te melden omzetting in een ondercuratelestelling door hen gehandhaafd.

4.7

Bij (stempel)beschikking van 30 september 2014 verleent de kantonrechter machtiging tot verkoop van de motor en aankoop van de motor met zijspan.

4.8

Op 17 november 2014 ontvangt de kantonrechter van [verzoekster] en [verzoeker] de boedelbeschrijving per datum instelling bewind, met bijbehorende bescheiden.

De beschrijving vermeldt dat de huurwoning op naam van [H] staat. Bij de lasten vermeldt de beschrijving een bedrag van € 31,49 per maand voor het sportschoolabonnement van (de toen al meerderjarige) [G] .

Deze boedelbeschrijving is volgens de daarop gezette griffiersstempel op 28 november 2014 gezien en goedgekeurd. Uit het dossier blijkt niet dat de beschrijving de kantonrechter aanleiding heeft gegeven tot het stellen van vragen.

4.9

Op 6 februari 2015 ontvangt de kantonrechter van [verzoekster] en [verzoeker] de rekening en verantwoording over het bewind in de periode 30 september 2014 tot en met 31 december 2014 (hierna R&V 2014).

Aan inkomsten vermeldt de R&V 2014 een totaalbedrag van € 5.382,- (salaris), aan uitgaven een totaalbedrag van € 5.588,-, waaronder € 2.780,- aan “levensonderhoud/zakgeld” en

€ 1.530,- aan “rente en aflossing anders dan hypotheek”.

Uit de R&V 2014 blijkt niet dat een bewindvoerders- of mentorbeloning is opgenomen. Wel blijkt uit de bij de R&V 2014 gevoegde bankafschriften dat ten laste van de rekening (eindcijfers 858) van [belanghebbende1] maandelijks € 800,-- aan huishoudgeld wordt overgeboekt naar de rekening van [H] en dat ten laste van die rekening het sportschoolabonnement voor [G] wordt betaald. Voorts blijkt van een overboeking ten gunste van die rekening van € 12.300,- met omschrijving “motor” (22-10-2014) en een kasopname van € 12.300,- (30-10-2014).

Uit de afschriften van de rekening met eindcijfers 546 blijkt van een bijschrijving op die rekening van € 50.000,- (20-10-2014 “voorschot smartengeld”), een overboeking naar de rekening 858 van € 12.300,- (22-10-2014 “motor”), een bijschrijving van € 15.000,- (28-10-2014 “voorschot onder algemene titel van het [ziekenhuis] ”), een overboeking naar [verzoeker] van € 14.853,- (28-10-2014 “conform email van (…) de Graaff -Bosch (…)”, een bijschrijving door [ziekenhuis] van € 10.000,- (05-12-2014 “voorschot/voorval 6 oktober 2013”). Uit de afschriften van die rekening (546) met betrekking tot januari 2015 blijkt bovendien dat op 8 januari 2015 een bedrag van € 45.000,- is afgeboekt naar een rekening met eindcijfers 268 onder vermelding van “vrijwel volledige bedrag op spaarrekening geplaatst van de heer [belanghebbende1] ”. Afschrift 1 (januari 2015) van die spaarrekening is bij de R&V 2014 als bijlage V gevoegd.

De R&V 2014 is volgens de daarop gezette griffiersstempel op 10 juli 2015 gezien en goedgekeurd. Onder het stempel wordt nog vermeld “Zie opm brief”. De betreffende brief heeft het hof niet in het rechtbankdossier aangetroffen. Zij is ook niet in hoger beroep overgelegd. In de na te melden brief van de griffier van 26 juli 2018 wordt wel aan een brief van 10 juli 2015 gerefereerd (zie hierna onder 4.19).

4.10

Op 8 februari 2016 verzoekt [verzoekster] machtiging tot schenking van een bedrag van € 5.304, - aan [G] omdat [belanghebbende1] zijn zoon “die het financieel minder goed heeft” dit bedrag wil schenken. Bij beschikking van 14 april 2016 weigert een andere kantonrechter dan de kantonrechter die eerder bij de zaak betrokken was de gevraagde machtiging.

4.11

Bij brief van 21 maart 2016 zendt [verzoekster] de rekening en verantwoording over het jaar 2015 (hierna: R&V 2015) naar de kantonrechter. De R&V 2015 vermeldt aan inkomsten naast salaris (€ 3.618,-) en uitkering (€ 19.117,-) een bedrag aan overige inkomsten van

€ 24.806,- (totale inkomsten aldus € 47.541,-). Aan uitgaven vermeldt de R&V 2015 in totaal € 45.704,-. Uit het overzicht van de uitgaven blijkt - onder meer - dat de schuld van [belanghebbende1] bij [N] ad € 16.729,95 in dat jaar geheel is afgelost en voorts dat een bedrag van € 2.226,- is uitgegeven aan vakantie en € 1.292,- aan ontspanning (hobby’s, contributie, abonnementen). Uit de bij de R&V 2015 gevoegde toelichting (onder 4) blijkt dat [belanghebbende1] naast gemelde inkomsten nog van het [ziekenhuis] bij wege van voorschot op de schadevergoeding € 140.000,- heeft ontvangen en van [O] schadeverzekering een bedrag van € 16.436,16. Uit de toelichting valt op te maken dat [verzoekster] en [verzoeker] een merendeel van de aan de uitgavenzijde vermelde kosten uit de van het [ziekenhuis] en [O] ontvangen bedragen hebben voldaan. In hun toelichting (onder 1) lichten zij toe welke werkwijze zij daarbij hanteren. Onder 2 licht [verzoekster] , onder toevoeging van de relevante correspondentie, toe welke afspraken zij ten aanzien van haar bewindvoeringskosten heeft gemaakt met [M] . Op het overzicht dat in de toelichting is opgenomen staan als ten laste van de bevoorschotting op de schadevergoeding gebrachte kosten onder meer: kosten bewindvoering [verzoekster] (€ 6.573,89), telefoonkosten [verzoeker] (€ 1.106,22), mentorschap [verzoeker] (€ 2.125,93), hulpkosten [verzoeker] (€ 23.413,-), masseur (€ 1.550,-), kosten woning partner (€ 2.550,74), kosten aankoop motor € 7.009,70), scooter partner (€ 1.000,-), huur auto (€ 200,-).

4.12

Uit een e-mailbericht van 11 april 2016 van [verzoekster] aan het bewindsbureau van de kantonrechter blijkt dat er contact is geweest tussen [verzoekster] en een griffiemedewerkster over het ontbreken van de handtekening van [verzoeker] op de R&V 2015. [verzoekster] heeft bij dat e-mailbericht de R&V 2015, nu voorzien van de handtekening van [verzoeker] , nogmaals ingezonden. Dit e-mailbericht maakt onderdeel uit van het rechtbankdossier.

4.13

Op 3 februari 2017 dienen [verzoekster] en [verzoeker] een spoedverzoek in tot omzetting van het bewind en mentorschap in een ondercuratelestelling van [belanghebbende1] . Aanleiding tot het verzoek is het gedrag van [G] en, in mindere mate, [H] , die [belanghebbende1] lichamelijk en geestelijk onder druk zetten om financiële redenen en hem tot een huwelijk met [H] willen dwingen.

4.14

Op 23 februari 2017 is het verzoek ter zitting behandeld door de kantonrechter. Deze kantonrechter is de derde die zich over de beschermingsmaatregelen voor [belanghebbende1] buigt. Bij die zitting waren [verzoekster] , [verzoeker] , [H] en [G] aanwezig. Uit de aantekeningen van die zitting blijkt dat [verzoeker] ter zitting ter sprake heeft gebracht dat er van een schade-uitkering van ‘een ton’ in totaal zo’n € 50.000,- is uitgegeven voor de aanschaf van een scooter voor [G] , het opknappen van de tuin van het woonhuis en de afkoop van een doorlopend krediet. Voorts blijkt uit de aantekeningen dat destijds een discussie bestond tussen [verzoeker] en [G] over de aanschaf van een bungalow en een auto ten behoeve van [belanghebbende1] . Uit de aantekeningen blijkt niet dat de kantonrechter ter zitting inhoudelijk op die mededelingen heeft gereageerd.

Vervolgens is [belanghebbende1] in het verpleeghuis door de kantonrechter gehoord.

Op 26 april 2017 is [belanghebbende1] , kennelijk op instigatie van de kantonrechter, bezocht door een bewindvoerder van Hagen bewindvoering en een mentor van De Dijk Mentorschap. Die bewindvoerder en mentor spreken met [belanghebbende1] , de afdelingsmanager van het verpleeghuis, een groepsleider en [verzoekster] en [verzoeker] . Hagen bewindvoering rapporteert wel over het bezoek aan het bewindsbureau: ‘iedereen’ is het erover eens dat [verzoekster] en [verzoeker] de belangen van [belanghebbende1] ‘prima’ behartigen, ook zij twijfelen er niet aan en zij hebben de stellige overtuiging dat ook [belanghebbende1] dat vindt. [belanghebbende1] gaf aan graag [verzoekster] en [verzoeker] te behouden als bewindvoerder en mentor. Zij constateren dat de relatie met [H] en [G] getroebleerd is, met name die met [G] omdat hij veel invloed heeft op zijn ouders en dat inzet voor eigen gewin. Zij adviseren de kantonrechter om een deskundige onderzoek te laten doen.

Bij tussenbeschikking van 19 mei 2017 benoemt deze kantonrechter een medisch deskundige, de heer [P] , om vragen over onder andere de beïnvloedbaarheid van [belanghebbende1] en de in dat kader meest passende beschermingsmaatregel te beantwoorden. Op

14 juli 2017 verklaart de deskundige dat hij [belanghebbende1] op grond van zijn hersenletsel, zijn niet geheel coherente denkvermogen, zijn totaal afhankelijke situatie en loyaliteitsproblematiek beïnvloedbaar acht. Hij is van oordeel dat ondercuratelestelling objectief medisch wordt ondersteund.

4.15

Op 14 september 2017 ontvangt de kantonrechter van [verzoekster] de rekening en verantwoording over het jaar 2016 (R&V 2016). De R&V 2016 is opgezet volgens het stramien van de R&V 2014 en (vooral) de R&V 2015: de inkomsten en uitgaven worden op verschillende bijlagen toegelicht en onderbouwd met verwijzing naar en overlegging van de met [M] gemaakte afspraken en door [M] goedgekeurde schadestaten.

In de begeleidende brief van 13 september 2017 refereert [verzoekster] naar een gesprek dat zij met een andere, niet eerder bij dit ‘dossier’ betrokken kantonrechter, in Utrecht op

22 augustus 2017 heeft gehad in een andere zaak en in welke gesprek die kantonrechter haar verzocht om ook voor het bewind over het vermogen van [belanghebbende1] rekening en verantwoording over 2016 af te leggen. In dat gesprek werd geconstateerd dat ook de rekening en verantwoordingen over 2014 en 2015 “niet in de systemen stonden”. [verzoekster] laat weten dat zij de R&V 2014 en R&V 2015 destijds heeft opgestuurd en biedt aan om ze opnieuw toe te zenden, mochten ze niet meer in het bezit van het bewindsbureau zijn. De kantonrechter met wie [verzoekster] op 22 augustus 2017 sprak, heeft [verzoekster] verzocht een en ander te melden in haar brief zodat zij na controle goedkeuring kon geven aan de afwijkende kosten van bewindvoering, aldus [verzoekster] . Tot slot vraagt [verzoekster] aandacht voor de afwikkeling van haar spoedverzoek tot omzetting van de beschermingsmaatregelen in ondercuratelestelling. Uit het rechtbankdossier blijkt niet dat de kantonrechter op de brief van 13 september 2017 heeft gereageerd eerder dan op 3 juli 2018 (zie hierna onder 4.18).

4.16

Bij e-mailbericht van 28 september 2017 aan het bewindsbureau stelt [verzoekster] de kantonrechter ervan op de hoogte dat [G] aan [belanghebbende1] heeft gevraagd om geld voor een auto en vervolgens [verzoeker] heeft bedreigd, eerst telefonisch en daarna aan zijn huisadres, om dat geld aan hem beschikbaar te stellen. [verzoeker] zag daarin aanleiding om de politie te bellen. [G] heeft ook laten weten dat [verzoeker] zijn vader niet meer naar therapie mag brengen. [G] heeft in het verpleeghuis zijn vader geslagen en de rolstoel van zijn vader vernield, aldus [verzoekster] .

4.17

Bij beschikking van de kantonrechter van 21 november 2017 zijn het bewind en het mentorschap opgeheven en is een ondercuratelestelling van [belanghebbende1] uitgesproken met benoeming van [verzoekster] en [verzoeker] tot curatoren. Deze kantonrechter is dezelfde die het verzoek ter zitting van 23 februari 2017 heeft behandeld. De bezwaren van [H] en [G] tegen de wijziging van de maatregel worden door de kantonrechter gepasseerd. Omdat de benoeming van [verzoekster] en [verzoeker] het meest in lijn is met de wens van [belanghebbende1] , passeert de kantonrechter ook de bezwaren van [H] en [G] tegen de benoeming van [verzoekster] en [verzoeker] tot curatoren.

4.18

Bij e-mailbericht van 5 juli 2018 zendt [verzoekster] de R&V 2015 nogmaals aan het bewindsbureau, zulks, zo blijkt uit het bericht, naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van het bewindsbureau van 3 juli 2018.

4.19

Bij brief van 26 juli 2018 wordt [verzoekster] opgeroepen voor een zitting/mondelinge behandeling op 2 oktober 2018 bij de kantonrechter. Deze kantonrechter is de kantonrechter met wie [verzoekster] op 22 augustus 2017 in een andere zaak al over de zaak [belanghebbende1] heeft gesproken. De reden voor de oproep is dat de R&V 2015 en R&V 2016 onduidelijk zijn omdat [verzoekster] geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek bij brief van 10 juli 2015 naar aanleiding van de R&V 2014 om voortaan de inkomsten en uitgaven van alle rekeningen tezamen op te nemen in één gerubriceerd overzicht. In de brief wordt op een groot aantal punten toelichting gevraagd van [verzoekster] : de ontvangen schadevergoeding, de afspraken met de verzekeraar over de beloning, de status van de schadevaststelling, en, ten aanzien van de R&V 2015 een rekenkundig verschil van € 152.626,27, de uitgaven aan vakantie en woning partner, en ten aanzien van de rekening en verantwoording over het jaar 2017 (bedoeld zal zijn 2016, hof) de “kosten auto anders dan verzekeringen” en “hobby’s”.

Voorts wordt gevraagd waarom [verzoekster] geen machtiging voor deze kosten en voor de curatorkosten en mentorschapskosten heeft gevraagd. Ten aanzien van het tarief van [verzoekster] wordt nog opgemerkt dat de kantonrechter weliswaar heeft besloten in een ander dossier dat [verzoekster] € 100,- per uur in rekening mag brengen, maar dat dat niet betekent dat zij dat zonder meer ook in de zaak [belanghebbende1] mag rekenen.

Ten slotte wordt toelichting gevraagd op enkele kruisposten en op het ontbreken van de handtekening van [verzoeker] op de R&V 2015.

4.20

Bij brief van 6 september 2018 reageert [verzoekster] op de brief van 26 juli 2018. Zij onderbouwt haar reactie met diverse stukken.

4.21

De mondelinge behandeling wordt op 2 oktober 2018 gehouden door de kantonrechter. Deze kantonrechter was niet eerder bij de zaak betrokken. Uit het proces-verbaal blijkt dat de mondelinge behandeling plaatsvindt naar aanleiding van vragen over de R&V 2015, de R&V 2016 en de (op dat moment nog niet ingediende) rekening en verantwoording over het jaar 2017 (hierna: R&V 2017). Ter zitting zijn verschenen [verzoekster] , [verzoeker] en mr. De Graaff-Bosch. Aan de orde komen de verdeling van de werkzaamheden tussen [verzoekster] en [verzoeker] , de letterkaart die [verzoeker] voor [belanghebbende1] had gemaakt, de bedreigingen door [G] en, meer in het algemeen, het slechte contact tussen de curatoren en de familie van [belanghebbende1] . [verzoekster] heeft toegelicht waarom zij van mening is dat zij voor bepaalde uitgaven geen machtiging van de kantonrechter nodig heeft. Mr. De Graaff-Bosch heeft toegelicht dat er nog geen zicht is op de schadeafwikkeling, omdat partijen het nog niet eens zijn over het verlies van arbeidsvermogen en dat de in rekening gebrachte beloningen niet in mindering komen op de schadevergoeding.

4.22

Bij brief van 16 oktober 2018 wordt [verzoekster] in vervolg op de mondelinge behandeling van 2 oktober 2018 namens de kantonrechter verzocht om - kort gezegd - de hiervoor onder 3.1. gemelde machtigingsverzoeken 1 tot en met 6 onderbouwd met facturen en specificaties in te dienen. Voorts wordt [verzoekster] verzocht een nieuwe R&V 2015 in te dienen en een overzicht van de door de verzekeraar vergoede uitgaven over de jaren 2015 en 2016. Vervolgens wordt [verzoekster] verzocht om de R&V 2017 in te dienen.

Ten slotte wordt in de brief medegedeeld dat uit de controle naar aanleiding van de mededeling van [verzoekster] ter mondelinge behandeling dat [G] een verzoek tot wijziging van de curatoren heeft ingediend, is gebleken dat dat verzoek inderdaad op 28 augustus 2018 door de griffie is ontvangen, maar nog niet in behandeling is genomen. [verzoekster] wordt in de gelegenheid gesteld om schriftelijk verweer te voeren. Alle door [verzoekster] aan te leveren stukken dienen voor 15 november 2018 te zijn ingediend.

4.23

Op 14 november 2018 ontvangt de rechtbank de reactie van [verzoekster] en [verzoeker] (de dato 7 november 2018), inclusief de R&V 2017. In hun brief van 7 november 2018 delen zij mede dat [verzoeker] door de dreigementen van [G] zodanig in zijn zorgtaken voor [belanghebbende1] wordt belemmerd dat de fysiotherapie en het zwemmen voor [belanghebbende1] inmiddels geen doorgang meer kunnen vinden en dat [verzoeker] zijn werkzaamheden als curator en mentor wil beëindigen. Voorts verzoeken zij vanwege de dreigementen om politiebescherming bij de (destijds) aankomende zitting waar het verzoek van [G] tot hun ontslag als curatoren wordt behandeld.

4.24

Eveneens op 14 november 2018 ontvangt de rechtbank het verweerschrift van [verzoekster] en [verzoeker] (de dato 9 november 2018) tegen het verzoek van [G] tot hun ontslag als curatoren. [verzoeker] geeft daarin aan dat hij zijn werkzaamheden als curator wenst te beëindigen per 1 januari 2019.

4.25

Op 20 november 2018 vindt de mondelinge behandeling plaats van het door [G] ingediende verzoek tot ontslag van [verzoekster] en [verzoeker] . Ter zitting waren aanwezig: [verzoekster] , [verzoeker] , mr. De Graaff-Bosch, [belanghebbende1] , [G] , [G] advocaat mr. M. Tijseling, [H] , [F] , [E] , de buurtteammedewerker [Q] en [R] , een vertrouwenspersoon van [G] en [H] .

Uit het proces-verbaal blijkt dat naast de behandeling van het verzochte ontslag door de kantonrechter ook kritische vragen aan [verzoekster] en [verzoeker] zijn gesteld over de R&V’s 2015, 2016 en 2017, met name waar het betreft (de hoogte van) de door [verzoeker] betaalde hulp- en mentorschapskosten, (de hoogte van) de curatorenbeloning en het ontbreken van machtigingen voor die kosten en beloning. Voorts heeft de kantonrechter aangegeven dat [verzoekster] ter zitting van 2 oktober 2018 al had aangegeven dat zij zou stoppen als curator als [verzoeker] zou worden ontslagen. [verzoekster] heeft dat bevestigd.

4.26

Bij brief van 4 december 2018 wordt [verzoekster] in vervolg op de mondelinge behandeling van 20 november 2018 namens de kantonrechter verzocht om een toelichting en specificatie te geven op de hulpkosten voor [verzoeker] in de jaren 2015 tot en met 2017, de mentorschapskosten, en het aan de verzekeraar gedeclareerde bedrag aan beloning. Voorts wordt opheldering gevraagd over de voor [belanghebbende1] aangeschafte motor met zijspan en waarom die niet door hem in gebruik is genomen. [verzoekster] dient voor 7 januari 2019 te reageren.

4.27

Bij tussenbeschikking van 4 december 2018 schorst de kantonrechter [verzoekster] en [verzoeker] met onmiddellijke ingang als curatoren van [belanghebbende1] . Tot tijdelijk curator wordt [belanghebbende2] benoemd.

De kantonrechter overweegt onder 2.5:

“(…) Uit de stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat tussen verzoeker [ [G] , hof], betrokkene [ [belanghebbende1] , hof] en de partner van betrokkene [ [H] , hof] enerzijds en de curatoren anderzijds niet langer sprake is van wederzijds vertrouwen. Ten aanzien van de oorzaak daarvan zijn de meningen verdeeld. Op zichzelf staat dat niet in de weg aan het inwilligen van het verzoek tot ontslag. De kantonrechter zal hiertoe echter thans niet overgaan aangezien het dossier, in het bijzonder de rekening en verantwoording over de jaren 2015 tot en met 2017, aanknopingspunten biedt dat zou kunnen leiden tot een ontslag wegens gewichtige redenen.”

4.28

[verzoekster] en [verzoeker] reageren bij brief van 21 december 2018, ingekomen bij de rechtbank op 27 december 2018. Naast een toelichting en specificatie van de kosten en beloning delen zij de kantonrechter ten aanzien van de motor met zijspan mede dat de motor is aangeschaft en dat [verzoeker] het zijspan zou maken en daarvoor ook al kosten heeft gemaakt. Het restant van het budget dat voor het zijspan aan [verzoeker] is uitgekeerd zal door hem worden teruggestort aan [belanghebbende1] , omdat [verzoeker] het zijspan niet meer zal afmaken. De motor is zonder toestemming van de curatoren in gebruik genomen door [G] . Waar de motor is, is niet bekend en de curatoren hebben aangifte gedaan van verduistering door [G] omdat deze de motor, ondanks sommatie, niet teruggeeft.

4.29

Enkele maanden later, op 10 mei 2019, worden [verzoekster] en [verzoeker] bij de bestreden beschikking met onmiddellijke ingang ontslagen als curatoren van [belanghebbende1] en wordt [belanghebbende2] tot opvolgend curator benoemd.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Met hun grieven leggen [verzoekster] en [verzoeker] ter beoordeling aan het hof voor de vraag of [verzoekster] en [verzoeker] voorafgaande toestemming van de kantonrechter nodig hadden om de voorschotten van [ziekenhuis] namens [belanghebbende1] te accepteren (grief 1), of [verzoekster] en [verzoeker] verschillende grote bedragen niet in de R&V 2015, R&V 2016 en R&V 2017 hebben opgenomen en daardoor grote rekenkundige verschillen zijn ontstaan en zij de kantonrechter onjuist hebben voorgelicht (grief 2) en of [verzoekster] en [verzoeker] voor de hierboven onder 3 genoemde kosten machtiging (de machtigingen 1 tot en met 6) nodig hadden van de kantonrechter en, zo ja, of deze machtiging verleend moest worden (grief 3).

[verzoekster] en [verzoeker] zijn echter, zo blijkt uit hun verzoekschrift en is ter zitting in hoger beroep gebleken, ook in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking omdat zij ‘wegens gewichtige redenen’ zijn ontslagen, waarbij de kantonrechter heeft overwogen: “Gelet op de exorbitante vergoedingen aan [verzoekster] en [verzoeker] , mede gelet op het feit dat mr. De Graaff blijkbaar ook voor haar werkzaamheden is betaald door de schadeverzekeraar, is de kantonrechter van oordeel dat [verzoekster] en [verzoeker] hun eigen belang voorop hebben gesteld en niet dat van rechthebbende.

In dat licht is ook van belang dat de kantonrechter in de bestreden beschikking opdracht heeft gegeven aan de opvolgend curator [belanghebbende2] om te onderzoeken of rechthebbende in 2018 schade heeft geleden (door het optreden van [verzoekster] en [verzoeker] , toevoeging hof) en of rechthebbende schade heeft geleden door ander optreden van [verzoekster] en [verzoeker] , daarbij overwegende dat zij zich “kan (…) voorstellen” dat [belanghebbende2] daartoe contact opneemt met [ziekenhuis] / [M] . Voorts verzoekt de kantonrechter [belanghebbende2] om onderzoek te doen naar de motor/zijspan. [belanghebbende2] dient de kantonrechter ten minste eenmaal per drie maanden te informeren over het onderzoek. Tot slot verzoekt de kantonrechter [belanghebbende2] om rechthebbende zo snel mogelijk te laten vertegenwoordigen door een andere letselschadeadvocaat “gelet op de hiervoor beschreven laakbare handelwijze van mr. De Graaff en het feit dat er na vijf jaar nog steeds geen definitieve overeenkomst met de schadeverzekeraar tot stand is gekomen”.

5.2

Uit het beroepschrift en het verhandelde ter zitting in hoger beroep leidt het hof dan ook af dat [verzoekster] en [verzoeker] de bestreden beschikking in volle omvang willen voorleggen, met dien verstande dat zij niet opnieuw tot curatoren van [belanghebbende1] willen worden benoemd.

5.3

Allereerst overweegt het hof dat alle door de kantonrechter aan [verzoekster] en [verzoeker] verweten gedragingen hebben plaatsgevonden in de periode eind 2014 tot en met 2017, de periode dat zij nog bewindvoerders ( [verzoekster] en [verzoeker] ) en mentor ( [verzoeker] ) waren. Hoewel de bestreden beschikking dat niet met zoveel woorden vermeldt, begrijp het hof die beschikking zo dat de kantonrechter in de gedragingen van [verzoekster] en [verzoeker] als bewindvoerders en de gedragingen van [verzoeker] als mentor gewichtige redenen ziet voor het ontslag van [verzoekster] en [verzoeker] als curatoren. Het hof zal, tenzij anders vermeld, bij de verdere beoordeling geen onderscheid maken in de hoedanigheden waarin [verzoekster] en [verzoeker] onder toezicht van de kantonrechter stonden.

5.4

Het hof zal hierna de vraag beantwoorden of [verzoekster] en [verzoeker] verschillende grote bedragen niet in de R&V 2015, R&V 2016 en R&V 2017 hebben opgenomen en daardoor grote rekenkundige verschillen zijn ontstaan en zij de kantonrechter onjuist hebben voorgelicht (grief 2). Daarna beoordeelt het hof of [verzoekster] en [verzoeker] voorafgaande toestemming van de kantonrechter nodig hadden om de voorschotten van [ziekenhuis] namens [belanghebbende1] te accepteren (grief 1) en daarna komen de machtigingsverzoeken aan bod (grief 3).

De rekening en verantwoording over de jaren 2015 tot en met 2017

5.5

Alvorens de vraag kan worden beantwoord of [verzoekster] en [verzoeker] verschillende grote bedragen niet in de R&V 2015, R&V 2016 en R&V 2017 hebben opgenomen en daardoor grote rekenkundige verschillen zijn ontstaan en - daar draait het uiteindelijk om in deze zaak - zij de kantonrechter onjuist hebben voorgelicht, dienen de volgende voorvragen te worden beantwoord: a) aan wie dienden [verzoekster] en [verzoeker] rekening en verantwoording af te leggen, b) waarover diende rekening en verantwoording te worden afgelegd, met andere woorden: wat behoorde tot het onder hun bewind staande vermogen van [belanghebbende1] en c) op welke wijze dienden zij rekening en verantwoording af te leggen?

Aan wie dienden [verzoekster] en [verzoeker] rekening en verantwoording af te leggen?

5.6

Op grond van artikel 1:445, eerste lid BW legt de bewindvoerder ten overstaan van de kantonrechter in beginsel jaarlijks rekening en verantwoording aan de rechthebbende. Artikel 1:445, tweede lid BW bepaalt dat indien de rechthebbende niet in staat is de rekening op te nemen de rekening en verantwoording wordt afgelegd aan de kantonrechter. In dat laatste geval is de rekening en verantwoording onderworpen aan de goedkeuring van de kantonrechter.

5.7

In het door [verzoekster] en [verzoeker] opgestelde plan van aanpak dat bij het verzoek tot onderbewindstelling was gevoegd wordt de vraag of [belanghebbende1] de rekening en verantwoording kan begrijpen ontkennend beantwoord. Ter toelichting daarop wordt vermeld: “Niet goed na te gaan op dit moment, maar waarschijnlijk niet.”

De vraag of [belanghebbende1] wilsbekwaam is, wordt met “onbekend” beantwoord en dat antwoord wordt als volgt toegelicht: “Omdat betrokkene niet kan spreken en schrijven en alleen met oog/hoofdbewegingen ‘ja’ of ‘nee’ kan aangeven, is het moeilijk om te controleren of de antwoorden altijd adequaat zijn. (…)”

In de R&V 2014 hebben [verzoekster] en [verzoeker] aangekruist dat [belanghebbende1] niet in staat is de R&V 2014 te begrijpen, dat hij deze daarom niet heeft ondertekend en dat de rekening en verantwoording daarom aan de kantonrechter wordt afgelegd. In de R&V 2015 wordt hetzelfde verklaard en de R&V 2016 en 2017 bevatten verklaringen van dezelfde strekking.

5.8

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat [verzoekster] en [verzoeker] op grond van art. 1:445, tweede lid BW rekening en verantwoording dienden af te leggen aan de kantonrechter, waardoor hun rekening en verantwoording was onderworpen aan de goedkeuring van de kantonrechter. Dat de instellingsbeschikking dat niet vermeldt doet daar niet aan af.

Waarover diende rekening en verantwoording te worden afgelegd?

5.9

De bewindvoerder is verplicht om rekening en verantwoording af te leggen over het door hem gevoerde bewind. Dat volgt uit art. 1:445, eerste lid BW, op grond van 1:445, vijfde lid BW in samenhang gelezen met 1:359, eerste lid en (ook) 1:372, eerste lid BW: in die laatstgemelde, op het meerderjarigenbewind van overeenkomstige toepassing verklaarde, artikelen wordt bepaald dat de voogd de verplichting kan worden opgelegd om rekening in te dienen “van zijn bewind”, respectievelijk dat de voogd aan het einde van zijn bewind “daarvan” rekening en verantwoording doet.

5.10

Aangezien in de instellingsbeschikking is bepaald dat onder bewind worden gesteld de (lees: alle) goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [belanghebbende1] , strekt het bewind zich uit over het gehele vermogen van [belanghebbende1] . Dat betekent dat de door [verzoekster] en [verzoeker] aan de kantonrechter af te leggen rekening en verantwoording betrekking dient te hebben op het gehele vermogen van [belanghebbende1] .

5.11

Tot dat vermogen behoren naar het oordeel van het hof alle schade-uitkeringen die [belanghebbende1] van [M] / [ziekenhuis] heeft ontvangen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [verzoekster] en [verzoeker] wat betreft die uitkeringen onderscheid (blijven) maken tussen de door [M] / [ziekenhuis] betaalde voorschotten ‘onder algemene titel’ en de betaalde voorschotten ‘smartengeld’. De voorschotten onder algemene titel omvatten mede een vergoeding voor door derden ten behoeve van [belanghebbende1] gemaakte kosten, door (de advocaat van) [verzoekster] en [verzoeker] steevast als ‘verplaatste schade’ in de zin van in artikel 6:107 lid 1 BW aangemerkte kosten. Het gaat daarbij om onder andere de bewindvoerders- en mentorschapskosten, de zorgkosten betaald aan [verzoeker] , de betalingen aan CAK, reiskosten, masseur, pedicure, taxikosten, kosten aan de woning van [H] en kosten voor de scooter van [H] .

De uitkeringen ter dekking van de kosten die als ‘verplaatste schade’ moeten worden aangemerkt behoren niet tot het vermogen van [belanghebbende1] , zodat die uitkeringen niet tot een vermogensvermeerdering bij [belanghebbende1] hebben geleid en hebben bovendien geen effect op het uiteindelijke door [belanghebbende1] aan smartengeld te ontvangen bedrag. Omdat die kosten geen effect hebben op het vermogen van [belanghebbende1] , hebben zij die kosten steeds ter goedkeuring voorgelegd aan [M] en niet aan de kantonrechter, aldus [verzoekster] en [verzoeker] .

5.12

Naar het oordeel van het hof zien [verzoekster] en [verzoeker] met hun stelling over het hoofd dat van verplaatste schade in de zin artikel 6:107, eerste lid BW geen sprake is.

In artikel 6:107 lid 1, sub a. BW staat dat, indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel oploopt, die ander behalve tot vergoeding van de schade van de gekwetste zelf, ook verplicht is tot vergoeding van de kosten die een derde anders dan krachtens een verzekering ten behoeve van de gekwetste heeft gemaakt en die deze laatste, zo hij ze zelf zou hebben gemaakt, van die ander had kunnen vorderen. Op grond van dit artikel heeft die derde dus een eigen vordering op de aansprakelijke partij. Dat doet er echter niet aan af dat ook de gekwetste zelf een vorderingsrecht hiervoor heeft. Indien de aansprakelijke de schade heeft vergoed aan de derde die de kosten daadwerkelijk heeft gemaakt, is zij ook tegenover de gekwetste bevrijd, en omgekeerd.1

In het onderhavige geval dienden [verzoekster] en [verzoeker] de vorderingen van de derden in bij [M] op de ‘voorlopige schadestaat’ en betaalde [M] , als zij die kosten goedkeurde, een bedrag onder algemene titel uit dat die kosten dekte. Die uitbetaling vond plaats door creditering van de bewindvoerdersrekening van [belanghebbende1] met eindcijfers 546. Vervolgens betaalden [verzoekster] en [verzoeker] de door de derden gemaakte kosten, inclusief hun eigen kosten, vanaf de bewindvoerdersrekening. Van een rechtstreekse vordering van de derden op [M] / [ziekenhuis] was dan ook geen sprake: de derden dienden hun facturen in bij [verzoekster] en [verzoeker] in hun hoedanigheid van bewindvoerders van [belanghebbende1] en kregen vervolgens door de bewindvoerders namens [belanghebbende1] uitbetaald. Anders dan [verzoekster] en [verzoeker] is het hof van oordeel dat de betalingen door [M] / [ziekenhuis] en de vorderingen die daaraan ten grondslag lagen wel degelijk deel uitmaakten van het vermogen van [belanghebbende1] . Dat die derden hun vorderingen zelf als verplaatste schade in de zin van 6:107, eerste lid BW bij [M] / [ziekenhuis] hadden kunnen indienen doet daar niet aan af.

Dat betekent dat de door [verzoekster] en [verzoeker] aan de kantonrechter af te leggen rekening en verantwoording ook betrekking had op de inkomsten en uitgaven in het kader van wat zij als ‘verplaatste schade’ aanduiden.

Op welk wijze diende rekening en verantwoording te worden afgelegd?

5.13

De wijze waarop rekening en verantwoording dient te worden afgelegd aan de kantonrechter is niet dwingend voorgeschreven. Artikel 1:445, eerste lid BW bepaalt weliswaar dat de minister van justitie en veiligheid een model kan vaststellen volgens hetwelk de rekening verantwoording moet worden opgemaakt, maar van die mogelijkheid heeft de minister geen gebruik gemaakt. Dat betekent dat voor het afleggen van rekening en verantwoording in geval van meerderjarigenbewind de in de jurisprudentie ontwikkelde hoofdregel2 geldt dat wat als rekening en verantwoording mag worden verlangd, wordt bepaald door de aard van de rechtsverhouding en de omstandigheden van het geval.

Hoever deze rekening- en verantwoordingsplicht in een concreet geval reikt, is een kwestie van rechterlijke beoordeling.

In het onderhavige geval wordt de aard van de rechtsverhouding tussen [verzoekster] en [verzoeker] en de kantonrechter mede gekenmerkt door:

  1. het toezicht dat de kantonrechter houdt op [verzoekster] en [verzoeker] als bewindvoerders over het vermogen van [belanghebbende1] en de rekening en verantwoording die zij in dat kader aan de kantonrechter dienen af te leggen; en

  2. het gegeven dat ‘de zaak [belanghebbende1] ’ één van de vele tienduizenden bewindszaken is waarop de kantonrechters in Nederland toezicht houden. Zonder uniformering van de vereisten die aan een bewind worden gesteld, daaronder begrepen de af te leggen rekening en verantwoording, lijkt dat toezicht niet goed mogelijk. Uniformering maakt het mogelijk om die vele zaken met een (per definitie) naar omvang beperkte groep kantonrechters en hun bewindbureaus binnen een redelijke termijn te beoordelen. Bovendien maakt het normstellend effect dat van die uniformering uitgaat het voor de kantonrechter mogelijk om te beoordelen of een bewindvoerder heeft gehandeld zoals van een goed bewindvoerder mag worden verlangd.

Naar het oordeel van het hof brengt de aard van die rechtsverhouding dan ook met zich mee dat een bewindvoerder rekening en verantwoording aflegt (anders gezegd: de rekening en verantwoording inricht) op de wijze die de kantonrechter in redelijkheid van die bewindvoerder kan verlangen. De kantonrechter mocht in dit geval dan ook verlangen van de bewindvoerder dat zij rekening en verantwoording zou afleggen met gebruikmaking van het door het LOVCK ontwikkelde model rekening en verantwoording. Dat de verschillende versies van de Aanbevelingen meerderjarigenbewind van het LOVCK die in de jaren 2014 tot met 2017 zijn verschenen niet meer vermelden dan: “Voor de rekening en verantwoording kan een model worden gebruikt dat op www.rechtspraak.nl te vinden is of door de kantonrechter aan de bewindvoerder beschikbaar is gesteld.” en daarmee ruimte open lijken te houden voor de bewindvoerder om op een andere wijze rekening en verantwoording af te leggen, doet daar niet aan af. Dat de omstandigheden van een bijzonder geval aanleiding kunnen geven om de rekening en verantwoording op een andere wijze in te richten doet daar evenmin aan af: dergelijke omstandigheden zijn in het geval van [belanghebbende1] niet gesteld en bovendien kan een dergelijke afwijking, gelet op wat hiervoor is overwogen, niet zonder voorafgaande toestemming van de kantonrechter plaatsvinden.

Hebben [verzoekster] en [verzoeker] de kantonrechter onjuist voorgelicht?

5.14

Het hof stelt vast dat de R&V’s 2014 tot en met 2017 niet zijn opgesteld conform de door het LOVCK ontwikkelde, in de loop van de jaren 2014 tot en met 2017 aangepaste modellen rekening en verantwoording. Uit de ingediende R&V’s is dat ook zonder meer af te leiden:

- de R&V 2014 (zie hiervoor onder 4.9) maakt melding, naast de al op de (in november 2014 goedgekeurde) boedelbeschrijving vermelde betaalrekening met eindcijfers 858, van een nieuwe betaalrekening met eindcijfers 546 en een nieuwe spaarrekening met eindcijfers 268. Bij elk van de drie rekeningen wordt verwezen naar een bijlage. De nieuwe rekening met eindcijfers 546 heeft volgens de R&V 2014 een beginsaldo van € 0,- en een eindsaldo van € 44.930,-.

Aan inkomsten wordt een totaalbedrag van € 5.382,- gemeld en datzelfde bedrag wordt in aan uitgaven vermeld. Het bedrag van € 44.930,- is niet bij de inkomsten opgenomen. Uit de bankafschriften die als bijlage bij de rekening met eindcijfers 546 zijn gevoegd, is de herkomst van dat bedrag wel te herleiden. De R&V 2014 is niettemin goedgekeurd;

- de R&V 2015 (zie hiervoor onder 4.11), die kennelijk na ontvangst (in ieder geval per email op 11 april 2016) bij het bewindsbureau in het ongerede is geraakt, vermeldt aan inkomsten een totaalbedrag van € 47.541,- en aan uitgaven een bedrag van € 45.704,- en is daarom niet sluitend, althans niet op het eerste gezicht. De betaalrekening met eindcijfers 858 had volgens de R&V 2015 een beginsaldo van € 349,81 en een eindsaldo van € 2.184,33, de (bewindvoerders)betaalrekening met eindcijfers 546 een beginsaldo van € 44.930,- en een eindsaldo van € 1.106,96 en de (vermogens)spaarrekening met eindcijfers 268 een beginsaldo van € 0,- en een eindsaldo van € 135.857,-. De mutaties op de spaarrekening zijn niet opgenomen bij de inkomsten en uitgaven. In de bijlagen wordt de onder 4.11 verkort vermelde toelichting gegeven;

- de R&V 2016 (zie hiervoor onder 4.15) is opgesteld met gebruikmaking van het (toen) nieuwe model rekening en verantwoording. Dat model kent op het voorblad als samenvatting een rekenmodel waaruit volgt dat het verschil tussen de totale inkomsten en totale uitgaven gelijk moet zijn aan het verschil tussen de begin- en eindsaldi van de rekeningen. Zijn die verschillen niet gelijk aan elkaar, dan dient een toelichting te worden gegeven. De R&V 2015 meldt een verschil tussen inkomsten en uitgaven van € 613,- en een verschil tussen de begin- en eindsaldi van € 13.273,02. Dat betekent dat de rekening en verantwoording niet ‘sluit’ en zij vermeldt dan ook een ‘gat’ van € 12.660,02. Net als de voorgaande R&V’s vermeldt de R&V 2016 de mutaties op de spaarrekening niet bij de inkomsten en uitgaven, maar wordt verwezen naar de toelichting. Zie verder onder 4.15;

- de R&V 2017, die door [verzoekster] en [verzoeker] werd ingediend toen de kantonrechter zich bij brieven van het bewindsbureau van 28 juli 2018 en 16 oktober 2018 en op de zitting van 2 oktober 2018 al behoorlijk kritisch had uitgelaten over de wijze waarop de R&V’s 2015 tot en met 2016 waren ingericht, bestaat zelfs uit twee R&V’s: één voor de betaalrekening met eindcijfers 858 en één voor de spaarrekening met eindcijfers 268.

5.15

Zoals hiervoor is overwogen dienden [verzoekster] en [verzoeker] rekening en verantwoording af te leggen aan de hand van het daartoe door het LOVCK opgestelde model rekening en verantwoording. Dat hebben zij niet gedaan. Bovendien diende hun rekening en verantwoording ook de inkomsten en uitgaven te betreffen in het kader van de door hen aangeduide ‘verplaatste schade’ nu de afwikkeling van die schade ‘door’ het vermogen van [belanghebbende1] liep en aldus van dat vermogen deel uitmaakte. In die zin hebben [verzoekster] en [verzoeker] de kantonrechter onjuist voorgelicht.

5.16

Overigens is het hof niet gebleken dat [verzoekster] en [verzoeker] uitgaven en inkomsten voor de kantonrechter hebben verzwegen of hebben willen verzwijgen: uit de toelichtingen en bijlagen bij de R&V’s 2014 tot en met 2017 is het verloop van de inkomsten en uitgaven en (daarmee) de stand van het vermogen van [belanghebbende1] wel degelijk kenbaar. Dat [verzoekster] en [verzoeker] opzettelijk geen openheid over het door hen gevoerde bewind hebben betracht en de kantonrechter in die zin onjuist hebben voorgelicht is het hof dan ook niet gebleken. Het hof merkt daarbij op dat een meer tijdige beoordeling door de kantonrechter van de door [verzoekster] en [verzoeker] toch steeds tijdig ingediende R&V’s 2015 en 2016 bijsturing van de wijze waarop de rekening en verantwoording werd afgelegd mogelijk had gemaakt. Dat klemt te meer nu al uit de stukken en de zittingen op de rechtbank en bij [belanghebbende1] in het verpleeghuis die hebben geleid tot de instellingsbeschikking duidelijk was dat sprake was van een niet alledaags bewind (en mentorschap): een lopende letselschadeafwikkeling, met een rechthebbende die nagenoeg niet meer kon communiceren of bewegen, die bovendien kostwinner was in een samenlevingssituatie en die voor zijn verzorging en revalidatie voor een groot deel afhankelijk was van de zorg en inspanningen van de (ook) tot mentor te benoemen [verzoeker] . Een situatie waarin bovendien relatief onervaren bewindvoerders zouden worden benoemd: [verzoekster] en [verzoeker] hebben in dat kader destijds zelf al aan de kantonrechter voorgesteld het bewind na een half jaar te evalueren. Hoewel de kantonrechter die [verzoekster] en [verzoeker] tot bewindvoerders en [verzoeker] tot mentor heeft benoemd dat destijds een goed idee vond, is aan die afspraak geen opvolging gegeven. Dat [verzoekster] en [verzoeker] in de eerste vier jaar na hun benoeming in deze zaak met vijf verschillende kantonrechters te maken hebben gehad, zal niet hebben bijgedragen aan de continuïteit van het toezicht op hun bewind (en mentorschap). De kritische vragen en scherpe bezwaren waarmee de R&V’s 2015 en 2016 eerst in de periode van juli 2018 tot en met december 2018 tegemoet worden getreden door de kantonrechter staan wat dat betreft in schril contrast met de drie jaar stilte ten aanzien van die R&V’s van de zijde van de kantonrechter na de goedkeuring van de R&V 2014 en met de benoeming van [verzoekster] en [verzoeker] in november 2017 tot curatoren van [belanghebbende1] .

Toestemming accepteren voorschotten letselschade

5.17

Het hof is, anders dan de kantonrechter, van oordeel dat [verzoekster] en [verzoeker] geen toestemming nodig hadden voor het accepteren van de door de verzekeraar betaalde voorschotten op de definitieve afwikkeling van de letselschade. Het accepteren van voorschotten letselschade is niet te beschouwen als het aangaan van een overeenkomst tot het beëindigen van een geschil zoals bedoeld in artikel 1:441, tweede lid sub e BW. Immers, de acceptatie van de voorschotten leidt nog niet tot het einde van het geschil. Pas wanneer overeenstemming is bereikt tussen [belanghebbende1] en (de verzekeraar van) het [ziekenhuis] over het uit te keren (eind)bedrag aan letselschade en de condities waaronder die uitkering zal plaatsvinden, is toestemming van de kantonrechter op grond van artikel 1:441, tweede lid sub e BW nodig. Tussen de voorschotten smartengeld en het uiteindelijk aan smartengeld nog uit te keren bedrag bestaat weliswaar een verband in die zin dat de hoogte van dat laatste bedrag afhankelijk is van de hoogte van het aan voorschotten uitgekeerde bedrag, maar in dit stadium, nu partijen nog twisten over de omvang van het verlies aan arbeidsvermogen van [belanghebbende1] en daarmee over de omvang van de schade, kan naar de uiteindelijke hoogte van het smartengeld slechts worden gegist. Pas als de schade vast staat kan een zinvolle beoordeling door de kantonrechter van de alsdan op te stellen vaststellingsovereenkomst plaatsvinden.

Bovendien is het risico dat een te hoog bedrag aan voorschotten wordt uitgekeerd, zodat [belanghebbende1] moet terugbetalen aan [ziekenhuis] , verwaarloosbaar: uit de correspondentie tussen mr. De Graaff-Bosch en [M] blijkt dat onderscheid wordt gemaakt tussen voorschotten voor materiële schade en voorschotten smartengeld. De door mr. De Graaff-Bosch (bijvoorbeeld in zijn brief aan [M] van 24 september 2018) genoemde voorschotten op de materiële schade corresponderen met de op de voorlopige schadestaat opgenomen “voorschotten (algemene titel)”. Deze voorschotten worden eerst na accordering door [M] ten behoeve van [belanghebbende1] uitgekeerd en dienen ter bekostiging van al gemaakte of te maken kosten. Die kosten worden niet voldaan uit de voorschotten smartengeld.

5.18

Daar komt bij dat in het onderhavige geval het eerste voorschot al werd uitgekeerd voorafgaand aan de instelling van het bewind: op 20 december 2013 werd een voorschot onder ‘algemene titel’ uitgekeerd aan [belanghebbende1] van € 25.000,- (zie de schadestaat d.d. 24 september 2018, bijlage bij het verweerschrift tegen het verzoek ontslag curatoren).

De afspraken over de betalingssystematiek van de voorschotten bestonden dus al voordat [verzoekster] en [verzoeker] tot bewindvoerders werden benoemd. De uitkering van die voorschotten was mede aanleiding tot het verzoek tot onderbewindstelling, zo blijkt ook uit het bij het verzoekschrift tot onderbewindstelling gevoegde plan van aanpak. Ook het machtigingsverzoek met betrekking tot de aanschaf van een motor met zijspan uit het voorschot is bij de instelling van het bewind aan de orde geweest en daarop is die machtiging verleend. De systematiek van de bevoorschotting was de kantonrechter bij de instelling van het bewind dus al bekend.

5.19

Gelet op het hiervoor overwogene slaagt grief 1. Dat brengt met zich mee dat aan het oordeel in 2.6 van de bestreden beschikking dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen (tussen [belanghebbende1] en [ziekenhuis] ) geen betekenis toekomt. Het hof begrijpt uit het verzoekschrift in hoger beroep dat [verzoekster] en [verzoeker] op dit punt ook een verklaring voor recht wensen en het hof zal die dan ook uitspreken.

De machtigingsverzoeken

5.20

Het hof stelt voorop dat, gelet op hetgeen hiervoor onder 5.12 en 5.15 is overwogen, de derde grief faalt voor zover [verzoekster] en [verzoeker] met die grief betogen dat voor de uitgaven waarop de machtigingsverzoeken 1 tot en met 6 betrekking hebben geen machtiging van de kantonrechter is vereist, omdat het uitgaven betreft die als ‘verplaatste schade ‘zijn aan te merken. Dat betekent dat de vraag of machtiging voor die uitgaven was vereist en zo ja, of die machtiging had moeten verleend dient te worden beantwoord aan de hand van de algemene regels die voor dergelijke machtigingen gelden.

5.21

Ten aanzien van de vraag of de voor vorenbedoelde uitgaven gevraagde machtigingen verleend moeten worden overweegt het hof als volgt. Artikel 1:441 BW bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende:

1. Tijdens het bewind vertegenwoordigt de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte. De bewindvoerder draagt zorg voor een doelmatige belegging van het vermogen van de rechthebbende, voor zover dit onder het bewind staat en niet besteed behoort te worden voor een voldoende verzorging van de rechthebbende. De bewindvoerder kan voorts voor de rechthebbende alle handelingen verrichten die aan een goed bewind bijdragen.

2. Hij behoeft echter toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, machtiging van de kantonrechter voor de volgende handelingen:

a. beschikken en aangaan van overeenkomsten tot beschikking over een onder het bewind staand goed, tenzij de handeling als een gewone beheersdaad kan worden beschouwd of krachtens rechterlijk bevel geschiedt;

b. een making of gift waaraan lasten of voorwaarden zijn verbonden, aannemen;

c. geld lenen of de rechthebbende als borg of hoofdelijke medeschuldenaar verbinden;

d. overeenkomen dat een boedel, waartoe de rechthebbende gerechtigd is, voor een bepaalde tijd onverdeeld wordt gelaten;

e. het aangaan, buiten het geval van artikel 30k, lid 1, onder c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, van een overeenkomst tot het beëindigen van een geschil, tenzij het voorwerp van het geschil een waarde van € 700,- niet te boven gaat;

f. andere bij de instelling van het bewind of nadien aangewezen handelingen.

3. De kantonrechter kan ook aan de bewindvoerder een doorlopende machtiging met zodanige voorwaarden als hij geraden acht, verlenen om handelingen als in het vorige lid bedoeld te verrichten en een verleende machtiging te allen tijde wijzigen of intrekken.

Voorts wordt in de ten tijde van de uitgaven geldende Aanbevelingen meerderjarigenbewind van het LOVCK (versie 21 januari 2014, versie 8 juni 2015, versie 15 december 2015 en versie 10 april 2017, alle versies hierna tezamen genoemd: de Aanbevelingen) bepaald dat voor incidentele niet-beheersmatige uitgaven tot € 1.500,- per jaar door de bewindvoerder geen machtiging hoeft te worden gevraagd, tenzij de kantonrechter anders bepaalt. Onder uitgaven wordt uitdrukkelijk niet verstaan het uitlenen of schenken van geld.

Ten aanzien van schenkingen bepalen de Aanbevelingen in onderdeel D:

“1. Schenken is een beschikkingsdaad en dus geen gewone beheersdaad waartoe de bewindvoerder met uitsluiting van de rechthebbende bevoegd is (artikel 1:438, eerste lid, BW). Beschikken mag de rechthebbende zelf met medewerking van de bewindvoerder of, als die bewindvoerder weigert, met vervangende machtiging van de kantonrechter (artikel 1:438, tweede lid, BW). Hier gaat het dus om een door de rechthebbende gewenste schenking. Vaak is het verzoek tot machtiging voor schenkingen echter afkomstig van de bewindvoerder, namelijk in de situatie dat de rechthebbende niet meer in staat is zijn wil te bepalen. Het dan veelgehoorde argument is dat schenking een daad van goed vermogensbeheer is omdat de begiftigden zich successierecht besparen, behoort voor de kantonrechter geen goed argument te zijn omdat hij moet toezien op de belangen van de rechthebbende en niet die van mensen die zich diens erfgenaam wanen.

2. Voor het geven van de gebruikelijke verjaars- en sinterklaascadeautjes is geen machtiging vereist.

3. Een door de bewindvoerder ingediend verzoek om te worden gemachtigd tot het doen van een schenking namens een rechthebbende die zijn wil niet kan bepalen, zal als hoofdregel worden afgewezen indien er geen schenkingstraditie wordt aangetoond. (…)”

In de versie 10 april 2017 van de Aanbevelingen wordt aan onderdeel D toegevoegd:

“10. (…) Indien de betrokkene in staat is om toestemming te geven voor handelingen als

hiervoor omschreven, dient de bewindvoerder bewijs van de toestemmingen

voor concrete handelingen in het dossier te bewaren, zodat die naar aanleiding

van de rekening en verantwoording kunnen worden overgelegd.”

Machtigingsverzoek 1: de vakantie

5.22

Uit de toelichting bij machtigingsverzoek 1 blijkt dat in het totaalbedrag dat als kosten vakantie is opgevoerd zijn begrepen kosten voor een identiteitsbewijs voor [belanghebbende1] (€ 100,35), kosten gebak (€ 30,95), kosten van een zwemvest (€ 26,-) en kosten voor een verjaardagscadeau voor [H] (€ 250,-).

Het hof is van oordeel dat voor deze kosten geen machtiging is vereist: zij hebben betrekking op noodzakelijke uitgaven (identiteitsbewijs) of gebruikelijke uitgaven (de overige genoemde kosten). Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [belanghebbende1] tot de medische fout kostwinner was van zijn gezin. Dat brengt het hof bij de overige kosten die als vakantiekosten worden opgevoerd, de vervoers- en verblijfskosten. Ook voor die kosten is geen machtiging vereist. Voor zover met die kosten ook de uitgaven worden gedekt die tijdens de vakantie zijn gemaakt voor [H] en [G] , behoren die uitgaven tot de gewone gezinsuitgaven die ten laste kwamen van het inkomen van [belanghebbende1] . Ter zitting in hoger beroep is desgevraagd ook bevestigd dat [belanghebbende1] , bij gebreke van een inkomen van [H] , altijd de vakanties betaalde. Bovendien kan in het onderhavige geval bezwaarlijk van een schenking worden gesproken: formeel hebben samenlevers, zelfs al wonen zij zoals [belanghebbende1] en [H] al ruim 30 jaar samen, wettelijk of, bij gebreke van een samenlevingscontract, verbintenisrechtelijk dan wel geen kosten van de huishouding in de zin van artikel 1:84 BW, maar in de praktijk zal de betaling van de vakanties niet als een daad van vrijgevigheid van [belanghebbende1] zijn ervaren.

Daarnaast zijn kosten opgevoerd die zijn gemaakt voor [verzoeker] en zijn echtgenote die [belanghebbende1] op de vakantie hebben vergezeld. Ook voor die kosten was geen machtiging vereist: [verzoeker] heeft onweersproken gesteld dat hij [belanghebbende1] tijdens die (door [verzoeker] geregelde) vakantie heeft verzorgd en ondersteund en dat hij in die periode heeft afgezien van zijn gebruikelijke, door [M] vergoede, zorgkosten. Bovendien is niet gebleken dat de uitgaven ten behoeve van [verzoeker] en zijn echtgenote, voor zover die uitgaven de zorgkosten (ongeveer € 300/350,- per week) al overstijgen, zijn aan te merken als een schenking waarvoor toestemming is vereist op grond van de Aanbevelingen, gelet op de (ten tijde van de vakantie in 2015 nog) uitstekende relatie tussen het gezin van [belanghebbende1] en [verzoeker] en de gebruikelijke uitgaven die in vriendschap voor elkaar worden gedaan.

Machtigingsverzoek 2: de kosten aan de woning van de partner

5.23

Uit de toelichting bij machtigingsverzoek 2 blijkt dat de in 2015 gedane uitgaven voor de (ook door de kantonrechter) als woning van de partner aangeduide woning ad € 2.550,74 de kosten betreffen van het door derden uitgevoerde onderhoud/verbouwingen aan de woning dat/die [belanghebbende1] ten gevolge van de medische fout niet langer zelf kon uitvoeren. [M] / [ziekenhuis] heeft deze kosten dan ook geheel als ‘verplaatste schade’ aan [belanghebbende1] vergoed. Nu ook [belanghebbende1] in die, door [H] gehuurde, woning woonde, gewend was (zo bleek ook ter zitting in hoger beroep) die woning zelf te onderhouden en hij kostwinner was, is het hof van oordeel dat niets het verlenen van de gevraagde machtiging in de weg stond. Het hof zal machtigingsverzoek 2 alsnog toewijzen.

Machtigingsverzoek 3: de kosten van de scooter van de partner

5.24

Onder verwijzing naar wat het hof hiervoor onder 5.22 heeft overwogen ten aanzien van het kostwinnerschap en de kosten van de huishouding is het hof van oordeel dat niets de machtiging tot het doen van de uitgaven voor de scooter van [H] in de weg stond en zal het hof ook machtigingsverzoek 3 toewijzen.

Machtigingsverzoek 4: de kosten voor de auto voor [G]

5.25

In hoger beroep is komen vast te staan dat deze uitgaven in oktober 2016 ad € 1.500,- de aanschaf van een scooter voor [G] betreffen die door de kantonrechter ten onrechte als autokosten zijn aangemerkt. Wat daar verder van zij, het hof is met de kantonrechter van oordeel dat geen machtiging behoort te worden verleend voor de met de aanschaf van die scooter gemoeide uitgaven. Het hof overweegt daartoe dat [G] ten tijde van de aanschaf van de scooter 29 jaar oud was, dat hij weliswaar nog bij zijn vader en moeder woont, maar dat hij wel gehouden is in zijn eigen levensonderhoud te voorzien.

Dat betekent dat deze uitgave is aan te merken als een schenking ten laste van het vermogen van [belanghebbende1] . Aangezien [belanghebbende1] (zie hierboven onder 5.7 en 5.8) niet bij machte was - kort gezegd - tot goed begrip van zijn financiën, dienden de bewindvoerders (ook) op grond van de Aanbevelingen machtiging tot deze schenking te verzoeken aan de kantonrechter, ook al bedroeg deze schenking € 1.500,-. De grens van € 1.500,- ziet immers niet op schenkingen en leningen, zo blijkt duidelijk uit de Aanbevelingen. Van een gebruikelijke gift in de zin van de Aanbevelingen kan in dit geval bezwaarlijk worden gesproken. Dat [G] de scooter zou gaan gebruiken om zijn vader te bezoeken in het verpleeghuis en dat die scooter daartoe noodzakelijk was is niet gebleken, zo ontbreekt de toelichting waarom [G] voor die bezoekjes geen gebruik zou kunnen maken van andere ‘voorliggende voorzieningen’ zoals een fiets, het openbaar vervoer of de scooter van zijn moeder. Voor zover grief 3 zich richt tegen de afwijzing van machtigingsverzoek 4 faalt zij.

Machtigingsverzoek 5: de schenking aan [G] ad € 600,-

5.26

[verzoekster] en [verzoeker] hebben ter toelichting op het verzoek om (in 2016) € 600,- aan [G] te schenken (ook) in hoger beroep gesteld dat dit bedrag op instigatie van [belanghebbende1] aan [G] is geschonken omdat [G] de voorgaande drie jaren niets voor zijn verjaardag van [belanghebbende1] had gekregen. Gelet op het kostwinnerschap van [belanghebbende1] en zijn uitval vanaf oktober 2013 vanwege de medische fout acht het hof het aannemelijk dat [G] in die jaren geen verjaardagscadeau van zijn vader heeft gehad. Een verjaardagsgift van € 200,- (per verjaardag) is naar het oordeel van het hof in het licht van de verhoudingen tussen [belanghebbende1] , [H] en [G] niet een zodanig groot cadeau dat niet van een gebruikelijk cadeau in de zin van de Aanbevelingen kan worden gesproken. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verhouding tussen (met name) [G] en [H] enerzijds en [verzoekster] en [verzoeker] anderzijds ernstig verslechterde toen laatstgenoemden niet in het door eerstgenoemden gewenste tempo en tot het door hen gewenste bedrag gelden aan [G] en [H] ter beschikking stelden. Dat leidde zelfs tot agressie van [G] jegens [belanghebbende1] , jegens de bewindvoerders en jegens (het kantoor van) mr. De Graaff. Het hof ziet daarin aanleiding te veronderstellen dat het binnen het gezin gebruikelijk was dat [belanghebbende1] met enige regelmaat [G] van geld voorzag.

Het hof zal machtigingsverzoek 5 alsnog toewijzen.

Machtigingsverzoek 6: de beloning van de bewindvoerders, mentor en curatoren en de zorgkosten

5.27

Machtigingsverzoek 6 ziet op de betaling van de kosten van bewindvoering en mentorschap (periode van 30 september 2014 tot en met 21 november 2017), de kosten van de curatoren (periode van december 2017 tot en met januari 2018) en de zorgkosten van [verzoeker] (over de periode 13 december 2013 tot 1 januari 2018).

Het hof is van oordeel dat ook dat machtigingsverzoek kan worden toegewezen. Het hof overweegt daartoe dat deze kosten integraal voor rekening zijn gekomen van [M] / [ziekenhuis] : zij zijn als ‘verplaatste schade’ als onderdeel van de ‘voorschotten algemene titel’ uitgekeerd aan [belanghebbende1] . Waren die kosten niet gemaakt, dan waren zij ook niet door [M] / [ziekenhuis] vergoed, zo blijkt ook uit de overgelegde verklaring van mevrouw Horstman van [M] van 19 juli 2019, waarin onder meer het volgende staat:

“Totaal is er ten laste van de component hulp de heer [verzoeker] € 68.865,00 betaald.

Indien de heer [verzoeker] deze extra zorg niet had geboden was dit bedrag niet betaald. De

heer [belanghebbende1] heeft dus geen schade geleden door de betaling van dit bedrag aan

de heer [verzoeker] .

(…)

De beloning bewindvoerders en mentor/curatoren is aan mevrouw [verzoekster] en de heer

[verzoeker] betaald. Indien zij deze kosten niet hadden gemaakt was dit bedrag niet door

[ziekenhuis] bevoorschot. De heer [belanghebbende1] heeft dus geen schade geleden door

de hoogte van de beloning bewindvoerders en mentor/curatoren.

Indien de rechter het besluit handhaaft dat [verzoeker] / [verzoekster] het bedrag ad € 19.006,13

aan de heer [belanghebbende1] moeten terugbetalen, zal [ziekenhuis] dit bedrag als

onverschuldigd betaald van de heer [belanghebbende1] terugvorderen.”

Uit de overgelegde stukken blijkt voorts dat [M] / [ziekenhuis] zich kritisch heeft getoond over de hoogte van het door [verzoekster] in rekening gebrachte uurtarief, maar dat zij, na toelichting door [verzoekster] op haar werkzaamheden, wel steeds op basis van dat tarief heeft vergoed. [verzoeker] heeft, zo blijkt uit de stukken, zijn kosten zelfs in rekening heeft gebracht op instigatie van [M] / [ziekenhuis] : het ziekenhuis was van oordeel dat het herstel van [belanghebbende1] zeer was gebaat bij de zeer tijdrovende inspanningen van [verzoeker] en was daarom bereid om 30 uur te vergoeden op basis van € 10,- per uur.

Het enkele feit dat de aldus vergoede bedragen substantieel zijn en - wat betreft de bewindvoerderskosten - het forfaitaire tarief van het LOVCK verre overstijgen, maakt niet dat sprake is van - in de woorden van de bestreden beschikking - ‘exorbitante’ vergoedingen. Ook deelt het hof niet het oordeel van de kantonrechter dat [verzoekster] en [verzoeker] hun eigen belang voorop zouden hebben gesteld en niet dat van [belanghebbende1] . Ook voor deze vergoedingen geldt dat niet is gebleken dat [verzoekster] en [verzoeker] geen openheid hebben willen betrachten: uit de toelichtingen en bijlagen bij de R&V’s 2015 tot en met 2017 blijken hoogte en onderbouwing van de uurtarieven, alsmede de afspraken die over de betaling daarvan door [verzoekster] en [verzoeker] met [M] / [ziekenhuis] zijn gemaakt. Nu het vermogen van [belanghebbende1] uiteindelijk niet is vermeerderd of verminderd (zelfs niet met de forfaitaire beloningen) door gemelde beloningen en zorgkosten ziet het hof aanleiding om machtigingsverzoek 6 in zijn geheel toe te wijzen. Dat betekent dat het hof de beloning zal vaststellen:

- voor de bewindvoering over de periode 30 september 2014 tot en met 22 november 2017 op (in totaal) € 14.495,13;

- voor de het mentorschap over die periode op € 4.333,78;

- voor de curatoren voor de periode van december 2017 tot en met januari 2018 op (in totaal) € 534,22;

alsnog machtiging zal verlenen voor uitkering van die bedragen aan de bewindvoerders en mentor en alsnog machtiging zal verlenen voor de uitkering aan [verzoeker] van de zorgkosten over de periode 14 december 2013 tot 1 januari 2018 van in totaal € 68.865,-.

Zijn [verzoekster] en [verzoeker] gehouden tot schadevergoeding aan [belanghebbende1]?

5.28

Nu het hof van oordeel is dat de kosten waarvoor machtigingsverzoek 1 is gedaan zonder machtiging van de kantonrechter door [verzoekster] en [verzoeker] ten laste van het vermogen van [belanghebbende1] mochten worden voldaan en de machtigingsverzoeken 2, 3, 5 en 6 alsnog worden toegewezen, beperkt een mogelijke schadeplichtigheid van [verzoekster] en [verzoeker] zich tot het ten behoeve van de scooter van [G] uitgekeerde bedrag (het afgewezen machtigingsverzoek 4). Met betrekking tot die schadeplichtigheid overweegt het hof als volgt.

5.29

In artikel 1:444 BW is bepaald dat een bewindvoerder jegens de rechthebbende aansprakelijk is indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder tekortschiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. Op grond van artikel 1:362 BW, volgens artikel 1:445 lid 5 BW van overeenkomstige toepassing bij bewind, kan de rechter (ambtshalve) de schade vaststellen die de rechthebbende door slecht bewind van de bewindvoerder heeft geleden en de bewindvoerder tot vergoeding daarvan veroordelen.

5.30

Aan het hof ligt derhalve de vraag voor of [verzoekster] en [verzoeker] in de zorg van een goed bewindvoerder (toerekenbaar) zijn tekortgeschoten en of zij de als gevolg daarvan ontstane schade aan [belanghebbende1] dienen te vergoeden.

Naar het oordeel van het hof zijn [verzoekster] en [verzoeker] door geen machtiging te vragen voor de schenking aan [G] van een bedrag van € 1.500,- voor de aanschaf van een scooter in de zorg van een goed bewindvoerder verwijtbaar tekortgeschoten. Dat zij, zoals [verzoekster] en [verzoeker] ook in hoger beroep hebben betoogd, van mening waren dat, gelet op de hoogte van het geschonken bedrag, geen sprake was van een schenking waarvoor machtiging was vereist berust op een verkeerde lezing van de Aanbevelingen en maakt het tekortschieten niet minder verwijtbaar. Bovendien hadden [verzoekster] en [verzoeker] eenvoudig (telefonisch) contact kunnen opnemen met het bewindsbureau en dan was deze regeling aan hen uitgelegd.

5.31

Vervolgens ligt de vraag voor of [belanghebbende1] schade, die voor vergoeding in aanmerking komt, heeft geleden door die handelwijze van [verzoekster] en [verzoeker] . Daarvoor dient op grond van artikel 6:98 BW sprake te zijn van een causaal verband tussen de handelwijze van [verzoekster] en [verzoeker] en de geleden schade van [belanghebbende1] .

Het hof is van oordeel dat van een zodanig causaal verband sprake is: [verzoekster] en [verzoeker] hebben geen machtiging aan de kantonrechter gevraagd waar zij daartoe waren verplicht en die machtiging zou met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid door de kantonrechter zijn geweigerd op grond van het al jaren staande beleid dat een schenking met een dergelijke omvang niet wordt toegestaan, tenzij die schenking (naar aard en omvang) past in een schenkingstraditie. Met andere woorden: hadden [verzoekster] en [verzoeker] gedaan wat zij als bewindvoerders behoorden te doen, dan was geen € 1.500,- uit het vermogen van [belanghebbende1] naar [G] gevloeid.

De grief van [verzoekster] en [verzoeker] faalt dan ook voor zover zij zich richt tegen hun hoofdelijke veroordeling door de kantonrechter tot vergoeding van de door [belanghebbende1] geleden schade ad € 1.500,-. Voor het overige slaagt grief 3.

5.32

Ten behoeve van het overzicht zal het hof de bestreden beschikking, behoudens voor zover het betreft het ontslag van [verzoekster] en [verzoeker] als curatoren, vernietigen en opnieuw recht doen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 10 mei 2019, behoudens voor zover [verzoekster] en [verzoeker] daarbij zijn ontslagen als curatoren van [belanghebbende1] ;

en, opnieuw recht doende:

verklaart voor recht dat [verzoekster] en [verzoeker] niet gehouden waren vooraf toestemming aan de kantonrechter te vragen voor het accepteren van voorschotten letselschade;

verklaart voor recht dat [verzoekster] en [verzoeker] geen machtiging nodig hadden voor de uitgaven begrepen onder vakantiekosten in totaal € 2.226,- (machtigingsverzoek 1);

verleent alsnog machtiging voor de betaling in 2015 van de verbouwingskosten voor de woning ad € 2.550,74 (machtigingsverzoek 2);

verleent alsnog machtiging voor de betaling in 2015 van de kosten ad € 1.000,- voor de scooter van [H] (machtigingsverzoek 3);

wijst af de machtiging tot schenking van een bedrag in 2016 van een bedrag van € 1.500,- voor de scooter van [G] (machtigingsverzoek 4);

verleent alsnog machtiging voor de schenking in 2016 aan [G] van een bedrag van

€ 600,- (machtigingsverzoek 5);

stelt de beloning vast:

- voor de bewindvoering over de periode 30 september 2014 tot en met 22 november 2017 op (in totaal) € 14.495,13;

- voor het mentorschap over die periode op € 4.333,78;

- voor de curatoren voor de periode van december 2017 tot en met januari 2018 op (in totaal) € 534,22;

verleent alsnog machtiging voor uitkering van die beloningen aan de bewindvoerders en mentor;

verleent alsnog machtiging voor de uitkering aan [verzoeker] van de zorgkosten over de periode 14 december 2013 tot 1 januari 2018 van in totaal € 68.865,- (machtigingsverzoek 6);

veroordeelt [verzoekster] en [verzoeker] hoofdelijk tot betaling aan [belanghebbende1] van een bedrag van € 1.500,-;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, M.H.F. van Vugt en R.A. Eskes, bijgestaan door m. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 4 maart 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Hoge Raad 05 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2008:BE9998

2 Zie Hoge Raad 02 december 1994, ECLI:NL:HR:2014:ZC1561, NJ 1995, 548.