Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2036

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
Wahv 200.248.629/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Radarmeting. Het verweer dat de meting onbetrouwbaar is vanwege rijwind en opstelling op een zachte ondergrond wordt verworpen. Uit de handleiding van het radarapparaat blijkt dat deze factoren alleen van invloed kunnen zijn wanneer het apparaat op een statief staat opgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.248.629/01

CJIB-nummer

: 211935980

Uitspraak d.d.

: 3 maart 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 27 augustus 2018, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.

De gemachtigde van de betrokkene heeft hier schriftelijk op gereageerd.

De beoordeling

1. De gemachtigde voert –onder meer– aan dat hij niet op behoorlijke wijze in de gelegenheid is gesteld om de gronden van beroep in te dienen. De gemachtigde heeft een brief d.d. 23 januari 2018 ontvangen waarin staat dat gronden tijdens de hoorzitting (mondeling) kunnen worden aangevuld. De betrokkene heeft echter het recht diens gronden schriftelijk aan te vullen. De gemachtigde is eerst bij brief van 26 februari 2018 in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde verzuim schriftelijk te herstellen. De geboden termijn is onredelijk kort, nu hem slechts een termijn van twaalf werkdagen is gegeven.

2. In zijn administratief beroepschrift d.d. 15 december 2017 voert de gemachtigde gronden aan tegen de inleidende beschikking. De gemachtigde vraagt om nadere informatie te verstrekken.

Na ontvangst van voormelde informatie verzoekt hij om een termijn voor het aanleveren van nadere (aanvullende) gronden.

3. In het dossier bevindt zich een brief van de officier van justitie van 23 januari 2018 waarin staat dat de gemachtigde tijdens een hoorzitting de gelegenheid krijgt om de gronden van beroep aan te vullen en dat hij via het bijgevoegde antwoordformulier dient aan te geven of hij in de onderhavige zaak op 5 maart 2018 in persoon wil worden gehoord of de voorkeur geeft aan een telefonische hoorzitting op 5 maart 2018 dan wel 6 maart 2018. Als bijlage bij deze brief is het zaakoverzicht en de foto gevoegd, alsmede het genoemde antwoordformulier waarop in totaal twintig zaken staan. Op 15 februari 2018 heeft de gemachtigde gereageerd op deze brief. Hij geeft –onder meer– aan dat hij niet in kan stemmen met het mondeling indienen van gronden en verzoekt verder om de twintig zaken die op de lijst staan te splitsen. De officier van justitie antwoord bij brief van 26 februari 2018 en schrijft hierin dat de gemachtigde tot en met de hoorzitting de gronden mondeling of schriftelijk nader kan aanvullen. Verder staat er in de brief dat het verzoek van de gemachtigde om de zaken te splitsen niet wordt ingewilligd en dat de hoorzitting op 6 maart 2018 om 13:00 uur zal plaatsvinden. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat de hoorzitting op 6 maart 2018 heeft plaatsgevonden.

4. De opvatting van de gemachtigde dat hij recht heeft om diens gronden schriftelijk aan te vullen, vindt geen steun in het recht. Het is wel vaste rechtspraak dat een termijn om de gronden aan te vullen een redelijke dient te zijn. Uitgangspunt is dat een termijn van vier weken een redelijke termijn is. Of een termijn in een specifieke zaak al dan niet als redelijk kan worden beschouwd, hangt af van de omstandigheden van het geval. De gegeven termijn in de brief van 26 februari 2018 is weliswaar korter dan vier weken, maar de gemachtigde is reeds bij brief van 23 januari 2018, en daarmee binnen een redelijke termijn in de gelegenheid gesteld zijn gronden aan te vullen. Bij brief van 23 januari 2018 zijn aan de gemachtigde de stukken verstrekt en is aangegeven dat de gemachtigde tijdens het horen de gelegenheid krijgt zijn gronden aan te vullen. Een redelijke uitleg van deze brief brengt mee dat de gemachtigde tot de hoorzitting in de gelegenheid is gesteld om de beroepsgronden voorafgaand aan de beslissing van de officier van justitie –schriftelijk– aan te vullen. De officier van justitie heeft de gemachtigde voldoende in de gelegenheid gesteld de gronden aan te vullen. Het verweer faalt.

5. De gemachtigde voert verder aan dat de beslissing van de officier van justitie onvoldoende gemotiveerd is.

6. Op grond van artikel 7:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de officier van justitie verplicht diens beslissing deugdelijk te motiveren. Er bestaat niet de verplichting om uitgebreid en expliciet op de argumenten van de gemachtigde in te gaan. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de motivering voldoende dat de beroepsgronden van de gemachtigde in de beoordeling zijn betrokken en waarom ze geen doel treffen. Dit verweer faalt.

7. De overige bezwaren richten zich tegen de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie van € 120,- is opgelegd voor: “overschrijding maximum snelheid binnen bebouwde kom, met 14 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 25 oktober 2017 om 18:50 uur op de N317 Keppelseweg in Doetinchem met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

8. De gemachtigde voert aan dat de meting niet zorgvuldig is uitgevoerd, omdat niet is voldaan aan de criteria uit de “Concept regeling voorschriften meetmiddelen politie” (hierna: CVMP) en de handleiding van de meetapparatuur. De gemachtigde voert hiertoe –kort en zakelijk weergegeven– de volgende gronden aan:

  1. De opstelling stond op een zachte ondergrond, terwijl het blijkens de handleiding niet is toegestaan om de opstelling op een zachte ondergrond te plaatsen;

  2. De installatie stond zodanig dicht op de wegas dat de rijwind van passerende voertuigen de meting heeft kunnen beïnvloeden, hetgeen ook in strijd is met de handleiding. Het radarvoertuig stond letterlijk een meter van de wegas. Zodra een voertuig met 50 tot 80 km/h of harder langs het radarvoertuig rijdt ontstaat rijwind. De rijwind zorgt ervoor dat de installatie gaat schommelen. Dit beïnvloedt volgens de handleiding de meting;

  3. De meethoek stond niet afgesteld op de vereiste 22 graden, hetgeen in strijd is met de handleiding en artikel 11.6.4 van de CVMP. Er is niets bekend over de wijze waarop de hoek is afgesteld;

  4. Het is zonder meer mogelijk dat de opstelling in een bocht gepositioneerd stond. Ter onderbouwing heeft de gemachtigde een Google Maps Streetview foto overgelegd waarop de Keppelseweg is te zien;

  5. Het voertuig staat op een onlogische positie, namelijk niet gecentreerd in de radarbundel. Uit het oogpunt van controle en bewijs dient de ambtenaar –mede in het licht van hetgeen de handleiding bepaalt– een kalibratiefoto te maken van de meethoek. Ter illustratie verwijst de gemachtigde naar het arrest van het hof van 9 februari 2018 (ECLI:GHARL:2018:1569);

  6. Bebossing heeft gezorgd voor reflectie.

9. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting getest, goedgekeurd en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel.

Gemeten (afgelezen) snelheid: 67 km per uur.

Werkelijk (gecorrigeerde) snelheid: 64 km per uur.

Toegestane snelheid: 50 km per uur.

Overschrijding met: 14 km per uur. (…)

Soort snelheidsmeetmiddel: Radar

Merk: Jenoptik

Type: MultaRadar CT”

10. In het dossier bevinden zich verder foto’s van de gedraging. Op deze foto’s is het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] te zien. Onder deze foto’s is onder meer opgenomen dat de meting is verricht door de MultaRadar CT 61012. Dit betreft volgens de advocaat-generaal en de bij deze apparatuur behorende online raadpleegbare NMI-verklaring, een in een politievoertuig ingebouwde set.

11. Ten aanzien van stelling 1) en 2) van de gemachtigde, overweegt het hof het volgende. De gebruikte apparatuur is, zoals gezegd, ingebouwd in een politievoertuig. Uit de handleiding volgt dat de invloed van een zachte ondergrond en rijwind geldt voor een MultaRadar CT waarbij een statief is gebruikt. Dat is hier niet het geval. Het verweer treft aldus geen doel.

12. Het hof overweegt ten aanzien van stelling 3) dat geen rechtsregel voorschrijft dat de meethoek waaronder de gebruikt meetapparatuur is opgesteld in het zaakoverzicht dient te worden vermeld. Het hof verwijst de gemachtigde verder naar overweging 8. van het arrest van dit hof van 12 maart 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:2266) waarin door de heer [B] , Verkeersspecialist binnen van de Eenheid Midden-Nederland wordt uitgelegd dat bij een MultaRadar CT –in tegenstelling tot oudere 2D apparatuur– een exacte uitlijning minder van belang is nu er niet onder één hoek wordt gemeten.

13. Ten aanzien van stelling 4), dat de opstelling in een bocht gepositioneerd stond, stelt het hof vast dat uit de stukken weliswaar niet valt op te maken waar op de Keppelseweg de snelheidsmeting exact is verricht, maar dat uit de overgelegde Google Maps Streetview foto volgt dat het wegvak van de Keppelseweg gelegen binnen de bebouwde kom van Doetinchem een betrekkelijk recht stuk weg is. Het verweer faalt.

14. Met betrekking tot stelling 5) en 6) overweegt het hof dat indien er bij een meting met de MultaRadar CT een foto is geproduceerd waarop een meetresultaat (gemeten snelheid) is vermeld dan heeft er een correcte meting plaatsgevonden en is de gemeten snelheid juist (vgl. overweging 8. van het arrest van 12 maart 2019). De door de gemachtigde geschetste mogelijkheid dat de meting kan zijn beïnvloed door de reflectie van bebossing, acht het hof niet aannemelijk. Het is het hof ambtshalve bekend dat indien er sprake is van een situatie waarbij de radarbundel op de voorgrond wordt gehinderd door enig obstakel, er geen meting kan plaatsvinden. Het gaat dan aldus om objecten die zich in de radarbundel bevinden. Nu er foto's van de gedraging zijn gemaakt, is reflectie hier niet aan de orde.

15. Nu de gedraging voor het overige niet wordt betwist, kan, gelet op het voorgaande, worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de kantonrechter ongegrond verklaren nu deze een juiste beslissing heeft genomen.

16. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.