Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2034

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
04-03-2021
Zaaknummer
21-004497-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2018:2736, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als belastingadviseur aangiften inkomstenbelasting ingediend waarbij kosten in aftrek werden gebracht, die niet daadwerkelijk door zijn cliënten waren gemaakt en die hij zonder overleg met zijn cliënten opvoerde.

Het hof heeft bij het vaststellen van het benadelingsbedrag ten behoeve van de strafoplegging ook rekening gehouden met de valse aangiften van andere cliënten dan de vijf in de tenlastelegging genoemde belastingplichtigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 05-03-2021
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004497-18

Uitspraak d.d.: 3 maart 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 30 juli 2018 met parketnummer 08-996014-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1952,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 november 2019 (regie) en 17 februari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. D.R. Changoer, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, op 30 juli 2018

ter zake van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

Geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank heeft overwogen dat de in de tenlastelegging onder feit 1 zowel primair als subsidiair opgenomen zinsnede ‘in ieder geval’ een uitbreiding van de ‘hierna te

noemen belastingplichtigen' inhoudt, als gevolg waarvan niet meer duidelijk is waartegen de

verdediging zich moet verweren. De rechtbank heeft de tenlastelegging dan ook partieel nietig verklaard voor wat betreft de telkens tussen gedachtestreepjes geplaatste woorden

‘in ieder geval'. In hoger beroep is dit oordeel van de rechtbank niet betwist. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden tot dit oordeel is gekomen en zal, derhalve in navolging van de rechtbank, de tenlastelegging met betrekking tot bedoelde zinsnede partieel nietig verklaren.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 04 februari 2011 tot en met 01 december 2015 in de gemeente(n) Oldenzaal en/of Almelo en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) aangiften inkomensheffing/inkomstenbelasting op naam van hierna te noemen belastingplichtigen over het jaar/de jaren 2010 tot en met 2014, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachten (telkens) valselijk op de aangifte(n) inkomensheffing/inkomstenbelasting (op naam) van:

- [belastingplichtige 1] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en/of 2014, en/of

- [belastingplichtige 2] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en/of 2014, en/of

- [belastingplichtige 3] over de jaren 2010, 2011 en/of 2012, en/of

- [belastingplichtige 4] over de jaren 2010, 2011 en/of 2012, en/of

- [belastingplichtige 5] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en/of 2014 (telkens) te hoge en/of onjuiste en/of fictieve kosten, zoals zorgkosten en/of studiekosten/scholingsuitgaven en/of giften als aftrekpost vermeld, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

subsidiair
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2011 tot en met 01 december 2015 in de gemeente(n) Oldenzaal en/of Almelo en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangifte(n) op naam van na te noemen belastingplichtigen, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de inkomensheffing/inkomstenbelasting (op naam) van:

- [belastingplichtige 1] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en/of 2014, en/of

- [belastingplichtige 2] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en/of 2014, en/of - [belastingplichtige 3] over de jaren 2010, 2011 en/of 2012, en/of

- [belastingplichtige 4] over de jaren 2010, 2011 en/of 2012, en/of

- [belastingplichtige 5] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en/of 2014 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) (telkens) opzettelijk op die bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn en/of Heerlen en/of (elders) in Nederland ingediende aangifte(s) inkomensheffing/inkomstenbelasting over genoemd(e) jaar/jaren (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting opgegeven en/of te hoge en/of onjuiste en/of fictieve aftrekposten (zorgkosten en/of studiekosten/scholingsuitgaven en/of giften) opgegeven, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat het onder feit 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft betoogd dat hij geen enkel opzet heeft gehad op het valselijk of onjuist opmaken van aangiften. Verdachte heeft verklaard dat hij in 2004 voor het kantoor van medeverdachte [medeverdachte] is gaan werken. Hij hanteerde dezelfde aftrekposten als medeverdachte, omdat hij erop vertrouwde dat deze de aangiften op een correcte wijze invulde. Hij heeft zijn cliënten ook altijd voorgehouden dat hij slechts intermediair was en dat zij zelf verantwoordelijk waren voor de inhoud van de aangiften. Hij heeft verder verklaard dat hij alle aftrekposten met de cliënten besprak en dat hij deze aftrekposten alleen opvoerde als zij aangaven dat die kosten ook daadwerkelijk waren gemaakt.

De raadsman heeft betoogd dat niet uit het dossier blijkt hoe de FIOD het kantoor van medeverdachte [medeverdachte] in het oog heeft gekregen. Met inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur mag verwacht worden dat uitgelegd wordt waarom een onderzoek is ingesteld. Bovendien zou vastgelegd moeten zijn om welke reden het onderzoek zo lang heeft geduurd: de eerste blauwdruk is opgemaakt op 17 juni 20151 en het proces-verbaal ‘Redelijk vermoeden’ is pas gesloten op 22 februari 2016, zonder dat er een reden wordt gegeven voor dit tijdsverloop. Er is dus geen sprake geweest van een rechtmatig onderzoek en daarom dienen de resultaten te worden uitgesloten van het bewijs. Dat moet ertoe leiden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard of dat verdachte wordt vrijgesproken.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

De raadsman heeft betoogd dat het onderzoek onrechtmatig tot stand is gekomen. Voor zover de raadsman daarmee heeft beoogd aan te voeren dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, is het hof van oordeel dat -voor zover er al sprake van een vormverzuim zou zijn- niet is onderbouwd welk voorschrift is geschonden en dat - en op welke wijze - verdachte in zijn rechtens te respecteren belangen is geschaad.

Niet is betwist dat de in de tenlastelegging bedoelde aangiften door verdachte zijn ingevuld en ingediend. Uit de getuigenverklaringen blijkt voldoende dat de aangiften valselijk zijn opgemaakt. Het hof acht het onaannemelijk dat de onterecht opgevoerde aftrekposten telkens bij vergissing zijn ingevuld en ingediend. Gelet op de overeenkomsten tussen het soort en de hoogte van de opgevoerde aftrekposten is eveneens onaannemelijk dat de cliënten deze kosten daadwerkelijk hebben gemaakt en daarvan bewijzen aan verdachte hebben getoond.

Het hof verwerpt de verweren.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 04 februari 2011 tot en met 01 december 2015 in de gemeente(n) Oldenzaal en/of Almelo en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) aangiften inkomensheffing/inkomstenbelasting op naam van hierna te noemen belastingplichtigen over het jaar/de jaren 2010 tot en met 2014,

- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachten (telkens) valselijk op de aangifte(n) inkomensheffing/inkomstenbelasting (op naam) van:

- [belastingplichtige 1] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en/of 2014, en/of

- [belastingplichtige 2] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en/of 2014, en/of

- [belastingplichtige 3] over de jaren 2010, 2011 en/of 2012, en/of

- [belastingplichtige 4] over de jaren 2010, 2011 en/of 2012, en/of

- [belastingplichtige 5] over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en/of 2014 (telkens) te hoge en/of onjuiste en/of fictieve kosten, zoals zorgkosten en/of studiekosten/scholingsuitgaven en/of giften als aftrekpost vermeld, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op:

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gesteld dat uit het dossier voldoende blijkt van een bepaalde mate van grootschaligheid, zodat er sprake is van de door de Hoge Raad bedoelde voor de straftoemeting relevante omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is begaan.

Bij de straftoemeting dient dus te worden uitgegaan van een benadelingsbedrag van tenminste € 175.000,--. Uit het dossier en het recent uitgebrachte reclasseringsrapport komt echter naar voren dat het leven van verdachte een desastreuze wending heeft genomen sinds hij als verdachte is aangemerkt. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte in aanmerking genomen, heeft de advocaat-generaal daarom gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met een proeftijd van drie jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat bij de strafoplegging uitgegaan moet worden van een benadelingbedrag van € 25.000,--. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de in de tenlastelegging genoemde aangiften niet representatief zijn voor alle door verdachte ingediende aangiften.

Op grond van de door de advocaat-generaal nog gevoegde stukken, zou geconstateerd kunnen worden dat rekening gehouden kan worden met een hoger benadelingsbedrag. Dan gaat echter de procespositie een rol spelen en zouden de onderliggende stukken, die nu niet in het dossier zijn gevoegd, overlegd dienen te worden. Het klantenbestand van verdachte betreft immers geen homogene groep, waardoor elke vergelijking met kinderpornofoto’s mank gaat. Verder dient rekening te worden gehouden met de aangevoerde persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Het hof acht de vijf in de tenlastegelegde genoemde belastingplichtigen voldoende representatief voor het merendeel van de uit de blauwdruk naar voren komende afwijkende aangiften. Ook wat betreft de wijze waarop de aangiften werden vervalst zijn er opmerkelijke overeenkomsten tussen deze aangiften en die van andere klanten van verdachte. De kostenposten die als aftrekbaar zijn aangemerkt, de specifieke steeds terugkerende bedragen die zijn opgevoerd, tonen een stelselmatige en systematische handelwijze bij het invullen van de aangiften. Dat geldt niet alleen voor deze vijf benoemde belastingplichtigen maar voor een aanzienlijk deel van de klanten.

Desgevraagd heeft verdachte ter terechtzitting ook verklaard dat hij de medeverdachte [medeverdachte] volgde in de wijze waarop aangifte werd gedaan. Hij heeft verklaard dat hij bijvoorbeeld bij cliënten die over een computer beschikten vanzelf een afschrijving opvoerde en dat hij niet controleerde waar de computer voor werd gebruikt.

In zijn arrest van 26 oktober 20102 heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen gewijd aan het betrekken van een niet tenlastegelegd feit bij de strafoplegging en gesteld dat

het de rechter op zichzelf vrij staat om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet

tenlastegelegd feit (onder meer) wanneer dit feit kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is begaan.

Bij arrest van 19 mei 20203 heeft de Hoge Raad dit nader toegelicht:

“In zaken als de onderhavige, waarin het in het bijzonder gaat om verdenking van

grootschalige fiscale fraude, kan dat grootschalige karakter van het delict een voor de

straftoemeting relevante omstandigheid betreffen, ook al volstaat de tenlastelegging met de

beschrijving van een beperkt aantal strafbare feiten. Dat grootschalige karakter dient op

grond van het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk te zijn geworden.”

Zowel uit het dossier als uit het verhandelde ter terechtzitting acht het hof voldoende aannemelijk geworden dat er sprake is van een grootschalige fraude en dat dit kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is gepleegd.

Het hof zal er dan ook van uitgaan dat het benadelingsbedrag een

veelvoud bedraagt van het door de rechtbank gehanteerde bedrag van € 25.000,--.

Het hof heeft verder rekening gehouden met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte in 2009 ook ter zake van valsheid in geschrift is veroordeeld.

Hoewel de rechterlijke oriëntatiepunten uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, ziet het hof aanleiding om in dit geval af te wijken van de oriëntatiepunten.

Verdachte is, zo blijkt uit het reclasseringsrapport, onder meer door de strafprocedure in een sociaal isolement geraakt en sinds 2017 maakt hij gebruik van de schuldsaneringsregeling.

Zijn psychische en fysieke gezondheid laten te wensen over en hij heeft verklaard dat hij al jaren onder bijstandsniveau leeft. De rol van verdachte in de fraude is weliswaar als ondergeschikt aan die van medeverdachte te beschouwen, maar ook verdachte neemt op geen enkele wijze verantwoordelijkheid voor de valse aangiften en voor de problemen waarin zijn cliënten door zijn toedoen terecht zijn gekomen. Dat rekent het hof verdachte aan.

Het hof is, mede gelet op de ernst van de feiten en rekening houdende met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, uitgegaan van een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 220 uren. Omdat er in hoger beroep sprake is van overschrijding van de redelijke termijn met enkele maanden, zal de duur worden verminderd met 20 uren.

Het hof is daarom van oordeel dat oplegging van een taakstraf van 200 uren met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden is.

Beslag

Het hof zal de teruggave aan verdachte gelasten van de onder hem in beslag genomen

administratie, voor zover deze nog niet aan hem teruggegeven is.

De nog niet teruggegeven administratie is niet vatbaar voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering verzet zich niet tegen teruggave.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: de inbeslaggenomen administratie.

Aldus gewezen door

mr. G. Dam, voorzitter,

mr. A. van Maanen en mr. P.L.M van Gorkom, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.E. Versloot, griffier,

en op 3 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Van Gorkom is buiten staat dit arrest mede te onderteken.

1 AMB-001, pag. 0095

2 ECLI:NL:HR:2010:BM9968

3 ECLI:NL:HR:2020:896