Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2031

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
04-03-2021
Zaaknummer
200.276.465
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Draagplicht schuld ex-samenlevers

Art 6:212 BW

Art 6:2 lid 1 BW

Art 3:12 BW

Art 150 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.276.465

(zaaknummer rechtbank Gelderland NL 18.23355)

arrest van 2 maart 2021

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. B. Anik,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.H. Hofstede.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 19 december 2019 dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen (hierna: het bestreden vonnis) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 16 maart 2020,

- de memorie van grieven (met producties 1 tot en met 5),

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 en 2.2 van het bestreden vonnis.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellante] heeft bij de rechtbank – samengevat – gevorderd:

- het krediet dat op 14 februari 2007 is afgesloten bij de Interbank, thans Hoist Finance voor een bedrag van € 35.000,-, met contractnummer [00000] , aan [geïntimeerde] toe te delen;

- te bepalen dat [geïntimeerde] binnen veertien dagen na te wijzen vonnis een verzoek dient te doen tot ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van dit krediet door [appellante] en dat hij aan dit verzoek zijn volledige medewerking dient te verlenen dit op straffe van een dwangsom;

- vast te stellen dat [appellante] van het krediet een bedrag van € 8.876,38 dient te betalen,

waarop in mindering strekt de bedragen die [appellante] na het verbreken van de relatie heeft

voldaan ten behoeve van dit krediet;

- vast te stellen dat, wanneer [appellante] meer mocht betalen aan het krediet dan

€ 8.876,38, zij voor dit meerdere een direct opeisbare vordering heeft op [geïntimeerde] , hetgeen ook geldt voor eventuele kosten die bij haar in rekening worden gebracht;

- [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

4.2

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg verweer gevoerd.

4.3

De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis de vorderingen van [appellante] afgewezen.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1

In deze zaak gaat het om het volgende. [appellante] en [geïntimeerde] hebben een relatie gehad. Deze relatie is begin 2007 geëindigd. Partijen hadden geen samenlevingsovereenkomst.

Op 14 februari 2007 hebben partijen gezamenlijk een kredietovereenkomst met nummer [00000] bij Interbank, thans Hoist Finance, gesloten voor een bedrag van € 35.000,- tegen een rente van afgerond 10,64%. Partijen zijn tegenover de bank hoofdelijk aansprakelijk. Van het bedrag van € 35.000,- is in totaal € 19.856,57 ( € 3.673,- + € 1500,- + € 1000,- + € 13.683,57) naar de bankrekening met nummer [00001] ten name van [geïntimeerde] overgemaakt.

Partijen hebben tijdens hun relatie op 29 november 2002 gezamenlijk een woning aan de [a-straat] te [A] gekocht. Deze woning hebben zij op 15 mei 2007 verkocht. De restschuld van de hypotheek bedroeg indertijd € 17.752,77. Deze restschuld is uit het krediet bij de Interbank door partijen afgelost. De schuld uit de kredietovereenkomst bedroeg op 30 juni 2020 € 41.885,28. Tussen partijen is in geschil of in hun interne verhouding [geïntimeerde] een groter deel van de schuld dient te dragen dan [appellante] en of [geïntimeerde] er zorg voor moet dragen dat [appellante] uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de bank wordt ontslagen.

5.2

[appellante] is in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis en vordert –samengevat – dat het hof bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw recht doende:

I. voor recht zal verklaren dat de interne draagplicht voor [geïntimeerde] en [appellante] ten aanzien van de schuld aan Interbank wordt vastgesteld aldus dat maximaal € 8.876,83 ten laste van [appellante] en de overige saldo van de schuld ten laste van [geïntimeerde] strekt;

II. a. primair: [geïntimeerde] zal veroordelen om zich in te spannen om Interbank te

bewegen dat zij [appellante] ontslaat uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van

de lopende schuld binnen zes weken na het te wijzen arrest op straffe van een dwangsom;

b. subsidiair: in het geval Interbank [appellante] niet uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ontslaat, [geïntimeerde] zal veroordelen om de resterende schuld (de schuld aan Interbank minus het ten laste van [appellante] strekkende bedrag van € 8.876,83) aan Interbank en de daarover nog verschuldigde rente als eigen schuld aan Interbank te voldoen op straffe van een dwangsom;

III. [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van deze procedure en eerste aanleg.

[appellante] voert daartoe een grief aan. Deze grief beoogt het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen.

5.3

[appellante] stelt in haar grief dat zij slechts aansprakelijk is voor de helft van de restschuld van de hypotheek ten tijde van de verkoop van de woning in 2007 (zie ook 5.1), te weten € 8.876,38 en dus ook slechts voor dat bedrag van het krediet. Zij heeft dit bedrag ruimschoots voldaan aan Interbank. Zij stelt verder dat [geïntimeerde] de rest van het krediet destijds heeft gebruikt voor de aflossing van zijn eigen schulden, dan wel dat geld heeft overgemaakt op zijn eigen rekening. Zij heeft buiten de aflossing van de restschuld van de hypotheek geen profijt gehad van het krediet. Alles wat zij meer heeft betaald dan het bedrag van € 8.876,83 heeft zij onverschuldigd betaald, waardoor [geïntimeerde] ongerechtvaardigd is verrijkt. In de interne verhouding tussen partijen is [geïntimeerde] verplicht het krediet bij Interbank volledig over te nemen en dient [appellante] te worden ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor het krediet. Voorts beroept [appellante] zich op de redelijkheid en billijkheid uit artikel 6:2 lid 1 BW en voert daartoe een aantal omstandigheden voor aan.

5.4

[geïntimeerde] betwist het door [appellante] gestelde gemotiveerd en zijn conclusie is – kort gezegd – dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd en [appellante] moet worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.

5.5

Het hof stelt het volgende voorop. Vast staat het krediet bij de Interbank door beide partijen is aangegaan. De tenaamstelling van dat krediet is slechts van belang voor de relatie tussen partijen en de bank. Dit zegt in beginsel niets over de onderlinge rechtsverhouding, in dit geval de draagplicht, tussen partijen als kredietnemer.

Uit de brieven van 11 juni 2008 en 23 juni 2008 van de advocaat van [appellante] volgt echter dat partijen destijds met betrekking tot de schulden van partijen hebben afgesproken dat [geïntimeerde] alle schulden voor zijn rekening zou nemen met uitzondering van het bedrag van € 16.886,25.Dit deel van de schuld bij Interbank zou [appellante] voor haar rekening nemen. [geïntimeerde] zou een bedrag van ongeveer € 19.000,- tot € 20.000,- aan (andere) schulden van partijen voor zijn rekening nemen.

5.6

[appellante] stelt nu dat het krediet na betaling van de restschuld van de hypotheek aan [geïntimeerde] ten goede is gekomen. Dit is een bedrag van € 17.247,-. Zij stelt verder dat [geïntimeerde] hiermee zijn eigen schulden heeft afgelost. Hierdoor is hij ongerechtvaardigd verrijkt.

5.7

[geïntimeerde] betwist dit gemotiveerd. Hij voert aan dat partijen, toen zij samenwoonden, samen aanvankelijk een lening zijn aangegaan bij Interbank van ongeveer

€ 15.000,-. Deze lening werd aangegaan om de woning van partijen te verbeteren, om de woning in te richten, om uit hun financiële problemen te komen en hun leven te bekostigen. [geïntimeerde] ontkent dat een gedeelte van de schuld van partijen ten gunste van hem is gekomen. Met het krediet van € 35.000,- is de oorspronkelijke lening bij de Interbank en de restschuld van de hypotheek afgelost. Partijen hadden geen gezamenlijke bankrekening (en/of rekening). Het geleende geld werd overgemaakt op de bankrekening van [geïntimeerde] . Echter, de overgemaakte bedragen zijn aan beide partijen ten goede gekomen. Alles wat partijen destijds kochten bijvoorbeeld: boodschappen, inboedel, , hypothecaire verplichtingen, vaste lasten en dergelijke werden meestal voldaan van de bankrekening van [geïntimeerde] .

5.8

Voor toepassing van artikel 6:212 BW (ongerechtvaardigde verrijking) is vereist dat een verrijking heeft plaatsgevonden ten koste van een ander zonder dat daarvoor een redelijke grond is. Die verrijking kan ook bestaan uit een afwenden van een nadeel, zoals de afname of voldoening van een schuld.

5.9

De bewijslast van de stelling van [appellante] dat [geïntimeerde] ten koste van haar ongerechtvaardigd is verrijkt ligt bij [appellante] . Omdat [geïntimeerde] die stelling gemotiveerd heeft betwist en [appellante] geen gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan gaat het hof aan die stelling voorbij. Daarbij komt dat partijen in juni 2008 hebben afgesproken dat [appellante] € 16.886,25 van het krediet voor haar rekening zou nemen.

5.10

[appellante] stelt ook dat zij meer heeft afgelost dan waartoe zij verplicht was op grond van de interne verhouding tussen partijen. Zij heeft dit onverschuldigd betaald, zo stelt [appellante] . Daar denkt het hof anders over. Partijen zijn in 2008 overeengekomen dat [geïntimeerde] maandelijks ter aflossing en rente aan Interbank € 200,- zou betalen en [appellante]

€ 150,-. In feite komt dit grotendeels neer op betaling van de verschuldigde rente die 10,64% bedroeg. Van aflossing van de hoofdsom kan daarom al nauwelijks sprake zijn. Daarbij komt dat [appellante] vanaf 1 januari 2011 slechts € 75,- per maand op het krediet aan Interbank heeft betaald. De stelling van [appellante] verwerpt het hof dan ook. Dat [geïntimeerde] in de periode van 2014 tot 2019 niet op het krediet heeft afgelost maakt dit niet anders.

5.11

[appellante] stelt dat de redelijkheid en de billijkheid met zich brengen dat zij een vergoedingsrecht jegens [geïntimeerde] heeft. Zij verwijst daarbij naar artikel 6:2 lid 1 BW. Het hof begrijpt hieruit dat zij zich beroept op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid en dat zij bedoelt dat daaruit voortvloeit dat [geïntimeerde] gehouden is het krediet met uitzondering van € 8.876,83 geheel te dragen.

5.12

Bij de vaststelling van wat de redelijkheid en billijkheid eisen moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij dit geval zijn betrokken (artikel 3:12 BW). Voorop staat dat partijen in beginsel samen het krediet bij Interbank moeten dragen. Partijen zijn beide de kredietovereenkomst aangegaan en in juni 2008 hebben zij afgesproken dat [appellante] een bedrag van € 16.886,25 zou dragen. Redelijkheid en billijkheid brengen vooral mee dat partijen hun afspraken moeten nakomen. De omstandigheden die [appellante] noemt zijn, ook als ze (in weerwil van de betwisting door [geïntimeerde] ) juist zouden blijken te zijn, onvoldoende om haar beroep op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid te honoreren. Daarbij komt dat [appellante] [geïntimeerde] verwijt dat hij niet de afgesproken bedragen heeft betaald, maar zelf heeft zij dat evenmin gedaan.

Het zal zeker zo zijn dat het voor [appellante] persoonlijk een belang is dat zij van het krediet niet meer dan € 8.876,83 hoeft te dragen, maar daar staat tegenover dat [geïntimeerde] juist een persoonlijk belang heeft bij het samen dragen van het krediet overeenkomstig de afspraak van partijen. Niet is gebleken van rechtsbeginselen, rechtsovertuigingen of maatschappelijke belangen die het beroep van [appellante] op de redelijkheid en billijkheid kunnen steunen. [appellante] besteedt daaraan ook geen enkele aandacht.

5.13

Indien en voor zover [appellante] beoogt zich te beroepen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid en bedoelt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [geïntimeerde] zich kan beroepen op de afspraken die partijen in juni 2008 hebben gemaakt over de draagplicht voor het krediet, geldt het vorenstaande onverkort.

5.14

Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen volgt dat de door [appellante] aangevoerde rechtsgronden haar vorderingen niet kunnen dragen.

5.15

[geïntimeerde] heeft gevorderd [appellante] in de kosten van de procedure bij de rechtbank te veroordelen. Nu hij geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld en geen bezwaren tegen de beslissing van de rechtbank heeft geformuleerd, zal het hof die vordering afwijzen.

6 De slotsom

6.1

De door [appellante] aangevoerde grief faalt. Het bestreden vonnis zal daarom worden bekrachtigd.

6.2

Het hof zal [appellante] veroordelen de proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep te betalen, omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 332,-

- salaris advocaat € 1.114,- (1 punten x tarief II)

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

7.1

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 19 december 2019;

7.2

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 332,- voor verschotten (griffierecht) en op

€ 1.114,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.H.H.A. Moes, R. Prakke-Nieuwenhuizen en M.L. van de Bel en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2021.