Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2007

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
04-03-2021
Zaaknummer
200.262.464
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad overheidsdaad; onrechtmatig besluit overheid; relativiteitsvereiste; causaliteit en toerekenbaarheid besluit; art. 6:163 BW;

Art. 6:98 BW; art. 6:163 BW;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof: 200.262.464/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland: NL18.4635)

arrest van 2 maart 2021

in de zaak van

1 GEOLOGISTIEK B.V.,
gevestigd te Hoogwoud,

2. J.P. SCHILDER B.V.,
gevestigd te [A] ,
appellanten,
hierna tezamen Geologistiek c.s. te noemen en elk afzonderlijk respectievelijk Geologistiek en Schilder B.V.,

advocaat mr. J.F. Langelaar te Leiden,

tegen

de GEMEENTE BAARN,

zetelende te Baarn,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de gemeente,

advocaat mr. T. van der Valk te Rotterdam,

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van 29 januari 2019 dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 26 april 2019;

- de memorie van grieven tevens akte wijziging van eis (met producties);

- de memorie van antwoord;

- de schriftelijke uiteenzetting zijdens Geologistiek c.s. d.d. 8 september 2020;

- de akte houdende spreekaantekeningen van de gemeente d.d. 8 september 2020;

2.2.

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De beoordeling

3.1.1. Het hof gaat ook in hoger beroep uit van de feiten zoals weergegeven in onderdeel 2 van het vonnis waarvan beroep. Het hof verwijst kortheidshalve naar die weergave en zal de feiten hieronder samenvatten en, voor zover in hoger beroep relevant, aanvullen.

3.1.2. Het gaat in deze zaak om het volgende:

  1. De provincie Utrecht heeft op 17 december 2012 aan Schilder B.V. opdracht gegeven om in de Eem baggerwerkzaamheden uit te voeren. Geologistiek heeft de werkzaamheden uitgevoerd als onderaannemer van Schilder B.V..

  2. In het werkplan voor de werkzaamheden van 4 februari 2013 (prod. P6 verweerschrift gemeente) is omschreven dat ca. 144.792 m3 baggerspecie zou vrijkomen, te onderscheiden in 65.115 m3 van de milieuklasse ‘verspreidbaar op aangrenzend perceel’ en 79.677 m3 ‘niet-verspreidbaar op aangrenzend perceel’. De op aangrenzend verspreidbare baggerspecie zou worden gedeponeerd in een (tijdelijk) weilanddepot en aldaar worden hergebruikt, de niet-verspreidbare baggerspecie zou worden afgevoerd.

  3. Geologistiek heeft op 5 februari 2013 bij het Service Bureau Gemeenten (verder: het Servicebureau) een melding gedaan op grond van het Besluit bodemkwaliteit (hierna: Bbk) met betrekking tot tijdelijke opslag van voormelde 65.115 m3 baggerspecie. In de melding is als eindbestemming van deze baggerspecie vermeld: ‘verspreiding over het gehele perceel, na voldoende indroging’.

  4. Bij brief van 13 februari 2013 (prod. 1 procesinl.) heeft het Servicebureau namens (het college van burgemeester en wethouders van) de gemeente de ontvangst van de melding bevestigd. In de brief is meegedeeld: “(..) De melding geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. (…) De rapportages en werkplan geven geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Wij gaan akkoord met de gemelde tijdelijke opslag. Voor de volledigheid willen wij u erop wijzen dat op de toepassing andere regelgeving van toepassing kan zijn.(..)”

  5. Op 1 maart 2013 heeft de gemeente op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aan Geologistiek een omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk opslaan van verspreidbare baggerspecie op de in de melding genoemde percelen (percelen 0110 en 0111) (prod. P7 verweerschrift gemeente).

  6. De Stichting Behoud de Eemvallei (verder: de Stichting) heeft bezwaar gemaakt tegen de verlening van de omgevingsvergunning. Zij heeft daarnaast de gemeente verzocht handhavend op te treden tegen de opslag van baggerspecie op de percelen. De gemeente (het college) heeft dat verzoek afgewezen bij besluit van 15 maart 2013, tegen welke afwijzing door de stichting bezwaar is gemaakt. Bij besluiten van 30 september 2013 (prod. P9 verweerschrift gemeente) heeft de gemeente de bezwaren tegen de verlening van de omgevingsvergunning en de weigering tot handhaving ongegrond verklaard.

  7. De Stichting heeft tegen deze besluiten hoger beroep ingesteld. In het kader van dat beroep heeft zij bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland (alsnog) een voorlopige voorziening gevraagd. Dat verzoek heeft bij vonnis van de voorzieningenrechter van 14 oktober 2013 (prod. P10 verweerschrift gemeente) geleid tot de uitspraak dat het besluit van de gemeente inzake de verleende omgevingsvergunning werd geschorst totdat op het beroep van de Stichting tegen dat besluit zou worden beslist.

  8. Bij fax van 17 september 2013 (prod. P2 mvg) heeft de Stichting een tweede verzoek om handhavend op te treden ingediend met betrekking tot het baggerdepot. De Stichting beriep zich voor dit verzoek op het Besluit bodemkwaliteit (Bbk). De Stichting stelde dat het perceel waarop de opslag plaatsvond niet als 'aangrenzend’ in de zin van artikel 35 Bbk kon worden aangemerkt en dat daarom geen opslag mocht worden toegestaan zolang de kwaliteit van de bagger en de kwaliteit van de ontvangende grond niet was komen vast te staan.

  9. De gemeente (het college) heeft dit tweede verzoek afgewezen bij besluit van 15 oktober 2013 (prod. P11 verweerschrift) omdat het college van mening was dat wel sprake was van een aangrenzend perceel en voor die situatie geen vaststelling van de kwaliteit van de ontvangende bodem was vereist. Tegen dit besluit heeft de Stichting rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.

  10. Bij vonnis van 19 december 2013 (prod. 2 procesinl., ECLI:NL:RBMNE:2013:7373) heeft de rechtbank Midden-Nederland de drie beroepen ongegrond verklaard.

  11. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) heeft bij uitspraak van 4 februari 2015 (prod. 3 procesinl., ECLI:NL:RVS:2015:279) de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover bij dat vonnis het beroep tegen het besluit van 15 oktober 2013 ongegrond was verklaard. De Afdeling verklaarde dat beroep alsnog gegrond, vernietigde het besluit van 15 oktober 2013 en droeg het college op om met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit te nemen. De Afdeling was - anders dan de rechtbank - van oordeel dat geen sprake was van een 'aangrenzend perceel' in de zin van artikel 35 Bbk. De Afdeling vermeldde in haar uitspraak verder, naar ook door de rechtbank al was vastgesteld en tussen partijen niet in geschil was, dat de partij baggerspecie waar het om ging volgens het generieke kader niet mocht worden toegepast (gezien de onvoldoende kwaliteit niet op landbouwbodem mocht worden verspreid).

  12. De Afdeling heeft het hoger beroep van de Stichting ongegrond verklaard voor zover het betrekking had op de beroepen tegen de besluiten van 30 september 2013 (inzake de omgevingsvergunning voor het tijdelijk opslaan van de baggerspecie en de weigering om handhavend op te treden tegen de tijdelijke opslag van de baggerspecie zonder omgevingsvergunning).

  13. Na de uitspraak van de Afdeling heeft de gemeente Geologistiek gelast de baggerspecie van de percelen te verwijderen, op straffe van een dwangsom. Geologistiek heeft deze last onder dwangsom in bestuursrechtelijke procedures aangevochten. Lopende deze procedures is de begunstigingstermijn een aantal malen verlengd. Geologistiek heeft de baggerspecie vóór het einde van de uiteindelijke begunstigingstermijn (15 maart 2017) verwijderd. Zij heeft een hoger beroep en een verzoek om voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom ingetrokken.

  14. Geologistiek heeft de gemeente bij brief van 7 januari 2016 van haar advocaat aansprakelijk gesteld voor de schade die zij stelt te hebben geleden ten gevolge van het – achteraf bezien onterechte - akkoord van de gemeente naar aanleiding van de melding. De gemeente heeft die aansprakelijkheid gemotiveerd van de hand gewezen bij e-mail van 4 mei 2016 (prod. P16 verweerschrift).

  15. Geologistiek c.s. hebben de gemeente nogmaals aansprakelijk gesteld bij brief van 5 april 2017 en e-mail van 20 november 2017 van hun advocaat. In de brief van 5 april 2017 (prod. 3 mvg) stelt de advocaat van Geologistiek c.s. de gemeente tevens aansprakelijk voor de schade die Geologistiek c.s. hebben geleden als gevolg van ‘het nadien vernietigde besluit van 15 maart 2013 strekkende tot weigering om handhavend op te treden naar aanleiding van het verzoek daartoe van 5 maart 2013’. De gemeente heeft bij e-mail van 14 december 2017 aan de advocaat van Geologistiek c.s. laten weten dat zij bij haar eerdere, gemotiveerde afwijzing van aansprakelijkheid blijft.

3.1.3. Geologistiek c.s. hebben in eerste aanleg veroordeling van de gemeente gevorderd tot betaling van een bedrag van € 1.208.397,37, te vermeerderen met wettelijke rente en inclusief een verhoging van 2% in verband met de toepasselijkheid van de Uniforme Administratieve Voorwaarden (U.A.V.) vanaf 4 april 2016 - tot en met 5 maart 2018 neerkomend op een bedrag van € 204.987,74 - en van een bedrag van € 6.775,00 aan buitengerechtelijke kosten. Geologistiek c.s. vorderden verder veroordeling van de gemeente in de proceskosten (inclusief nakosten en wettelijke rente over de proceskosten)

3.1.4. Geologistiek c.s. hebben in eerste aanleg aan hun vorderingen ten grondslag gelegd, kort samengevat, dat de gemeente onrechtmatig ten opzichte van hen heeft gehandeld door in de brief van 13 februari 2013 (hiervoor gerelateerd in r.o. 3.1.2 onder d) inlichtingen te geven die onjuist zijn gebleken en een waarschuwingsverplichting te schenden. Geologistiek c.s. verweten de gemeente verder dat deze eerst hun standpunt, dat sprake was van aangrenzende percelen, heeft gedeeld maar na de andersluidende uitspraak van de Afdeling vervolgens haar handen van Geologistiek heeft afgetrokken en dwangmiddelen heeft opgelegd.

De gemeente heeft de vorderingen gemotiveerd betwist.

3.1.5. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en Geologistiek c.s. hoofdelijk in de proceskosten verwezen. De rechtbank overwoog, kort samengevat:

  • -

    dat uit de melding duidelijk was dat Geologistiek het voornemen had om de baggerspecie uit het tijdelijk depot over de percelen te gaan verspreiden en dat uit de akkoordverklaring van de gemeente kon worden begrepen dat ook de gemeente de percelen als ‘aangrenzende percelen’ beschouwde; dat met de uitspraak van de Afdeling dit standpunt van de gemeente achteraf bezien onjuist was (r.o. 4.2 vs).

  • -

    dat niet iedere fout of onzorgvuldigheid van de gemeente leidt tot onrechtmatigheid; dat dit, gezien het ‘Van Zoggel’ arrest van de Hoge Raad van 25 mei 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW0219), afhangt van de omstandigheden van het geval; dat door Geologistiek c.s. in dit geval onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld om te oordelen dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld (r.o. 4.3 vs).

  • -

    dat de gemeente bij haar brief van 13 februari 2013 niet ‘tegen beter weten in’ de kwalificatie ‘aangrenzende percelen’ niet ter discussie heeft gesteld (r.o. 4.4 vs);

  • -

    dat Geologistiek geen inhoudelijke vraag heeft gesteld of inlichtingen heeft gevraagd aan de gemeente over de toepassing van het Bbk; dat het Bbk uitgaat van de eigen verantwoordelijkheid van de (professionele) toepasser van baggerspecie en door de gemeente geen zorgplicht of waarschuwingsplicht is geschonden (r.o. 4.5 vs).

  • -

    dat, ook als wel van een zorgplicht wordt uitgegaan, het oordeel niet anders is omdat de gemeente vóór de uitspraak van de Afdeling niet heeft hoeven weten dat de percelen niet als ‘aangrenzende’ percelen konden worden gekwalificeerd (r.o. 4.5 vs).

  • -

    dat hetzelfde geldt voor de door de gemeente verleende omgevingsvergunning; dat het bij die vergunning alleen gaat om het bestemmingsplan en het Bbk daarin geen rol speelt; dat, zelfs als dat wel zo zou zijn, ook hier geldt dat de gemeente zich ten tijde van die verlening niet heeft gerealiseerd dat de beoogde toepassing in strijd met het Bkk zou komen (r.o. 4.6 vs).

  • -

    dat van schending van het vertrouwensbeginsel door de gemeente geen sprake is; dat Geologistiek c.s. niet duidelijk hebben gemaakt welke uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen door de gemeente zijn gedaan die bij Geologistiek gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt (r.o. 4.7 vs).

  • -

    dat de besluiten tot het opleggen van een last onder dwangsom formele rechtskracht hebben en daarmee de rechtmatigheid van die besluiten vaststaat (r.o. 4.8 vs).

  • -

    dat bij gebreke van onrechtmatig handelen van de gemeente de gemeente niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade ten gevolge van het moeten ontmantelen van het baggerdepot en de vraag in hoeverre Schilder B.V. mede een vorderingsrecht toekomt, in het midden kan blijven (r.o. 4.9 vs).

3.2.1. Geologistiek c.s. zijn van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen. Zij hebben tegen het vonnis tien grieven aangevoerd.

De grieven I tot en met VII zijn gericht tegen de rechtsoverwegingen 4.3 tot en met 4.5 van vonnis van de rechtbank. In deze grieven komen Geologistiek c.s. op tegen de verwerping van hun standpunt dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij met haar akkoordverklaring met de melding verkeerde informatie heeft verstrekt en Geologistiek niet heeft gewaarschuwd dat de percelen niet als aangrenzende percelen konden worden beschouwd.

In grief VIII gaan Geologistiek c.s. in op de betrokkenheid van Schilder B.V. bij het gestelde onrechtmatig handelen van de gemeente.

De grieven IX en X hebben naast de andere grieven en de eiswijziging in hoger beroep geen afzonderlijke betekenis. Met deze grieven komen Geologistiek c.s. concluderend op tegen de afwijzing van hun vorderingen en hun veroordeling in de proceskosten van het geding in eerste aanleg.

Geologistiek c.s. erkennen de juistheid van het oordeel in r.o. 4.8 van het vonnis van de rechtbank.

3.2.2. Geologistiek c.s. stellen in hoger beroep verder dat de gemeente tevens onrechtmatig heeft gehandeld door de verzoeken van de Stichting (het hof begrijpt: het verzoek van de Stichting per fax van 17 september 2013) om handhaving af te wijzen. Dat vloeit, naar zij stellen, rechtstreeks voort uit de vernietiging van het besluit van de gemeente van 15 oktober 2013 bij de uitspraak van 4 februari 2015 van de Afdeling.

Geologistiek c.s. stellen dat hun schade in de eerste plaats een rechtstreeks gevolg is van het feit dat zij door de reactie van de gemeente in de brief van 13 februari 2013 op het verkeerde been zijn gezet. Doordat de gemeente niet direct handhavend is opgetreden, heeft echter de periode waarin dat het geval is geweest langer geduurd, hetgeen tot hogere kosten c.q. minder beperking van kosten van Geologistiek c.s. heeft geleid.

3.2.3. Geologistiek c.s. hebben in hoger beroep hun vorderingen in die zin gewijzigd dat zij thans vorderen:

  • -

    te verklaren voor recht dat de gemeente jegens Geologistiek c.s. ieder voor zich onrechtmatig heeft gehandeld meer in het bijzonder door een fout te maken bij de beoordeling van de melding van 5 februari 2013 en/of in de reactie op die melding ten onrechte te vermelden dat die melding geen aanleiding tot het maken van opmerkingen gaf en akkoord te gaan met die melding;

  • -

    te verklaren voor recht dat de gemeente jegens Geologistiek c.s. ieder voor zich onrechtmatig heeft gehandeld door bij besluit van 15 oktober 2013 het verzoek om handhaving van de Stichting af te wijzen;

  • -

    de Gemeente te veroordelen tot vergoeding van de door Geologistiek c.s. als gevolg van dit onrechtmatig handelen geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  • -

    een en ander met veroordeling van de gemeente in de kosten van beide instanties.

de grieven I tot en met VII

3.3.1. Aan de vraag of sprake is van onrechtmatig handelen van de gemeente door het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie, gaat vooraf de vraag of in dit geval sprake is geweest van onjuiste of onvolledige informatie.

3.3.2. Ook het antwoord op deze laatste vraag hangt af van de omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij onder meer om de inhoud van het door een belanghebbende gedane verzoek en hetgeen de gemeente daaromtrent heeft moeten begrijpen, en om de aard en inhoud van de door de gemeente in antwoord daarop gegeven inlichtingen en hetgeen de belanghebbende daaromtrent heeft moeten begrijpen (r.o. 3.5.1 ‘Van Zoggel-arrest’). In de melding geeft Geologistiek op geen enkele wijze aan dat de melding mede een verzoek om inlichtingen inhoudt. Naar het oordeel van het hof heeft de gemeente in de melding geen verzoek om inlichtingen besloten hoeven te achten en hebben Geologistiek c.s. de reactie van de gemeente op de melding niet mogen begrijpen als door de gemeente op hun verzoek verstrekte informatie over de – door Geologistiek niet gestelde - vraag of de in het geding zijnde percelen voldeden aan de kwalificatie ‘aangrenzende percelen’. Van onrechtmatig handelen van de gemeente door het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen kan reeds daarom geen sprake zijn. Geologistiek c.s. zijn niet door onjuiste of onvolledige inlichtingen van de gemeente op het verkeerde been gezet. Zij stonden zelf al op dat been.

3.3.3. Daarmee resteert de vraag of de gemeente wellicht valt te verwijten dat zij een zorgplicht of een waarschuwingsverplichting jegens Geologistiek c.s. heeft geschonden door zich in haar reactie zonder meer akkoord te verklaren met de melding en op te merken dat de melding haar geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen.

3.3.4. Naar het oordeel van het hof is van een dergelijk als onrechtmatig te kwalificeren handelen in de gegeven omstandigheden evenmin sprake. Geologistiek c.s. zijn beide professionele bedrijven die gespecialiseerd zijn in baggeren en de verwerking van baggerspecie. Schilder B.V. is een baggerbedrijf (inleiding werkplan, P6) en Geologistiek heeft als bedrijfsomschrijving de handel in bagger en slib (uittreksel Handelsregister, prod. P2 verweerschrift). De gemeente mocht hen deskundig achten op het gebied van de regelgeving inzake de baggerverwerking. Voor enige - ongevraagde – waarschuwing hoefde de gemeente geen aanleiding te zien.

3.3.5. Door Geologistiek c.s. is niet gesteld dat of waarom de gemeente in redelijkheid niet van eenzelfde uitleg van het begrip ‘aangrenzende percelen’ zou hebben mogen uitgaan als waarvan Geologistiek c.s. zelf uitgingen deden en die naar hun zeggen in de gehele baggerwereld gebruikelijke was. In tegendeel, zij geven (e-mail 20 november 2017, prod. 5 procesinl.) zelf aan dat ‘het college conform het gebruik van mening kon zijn dat er sprake was van een aangrenzend perceel’. De gemeente had tot de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2015 dan ook geen reden tot het maken van opmerkingen daarover. Onzorgvuldigheid en een verzaken van een waarschuwingsplicht kunnen haar niet worden verweten.

3.3.6. Voor zover Geologistiek c.s. beogen te bepleiten dat de nadelige gevolgen van de door geen van beide partijen voorziene uitleg van de Afdeling in de uitspraak van 4 februari 2015 voor rekening van de gemeente moeten komen, verwerpt het hof dat standpunt. Voor een dergelijke vergaande risicoaansprakelijkheid van de gemeente is, buiten het geval van risicoaansprakelijkheid van de overheid voor vernietigde overheidsbesluiten, geen grond.

Op grond van het voorgaande falen de grieven I tot met VII.

3.3.7. Tegen het oordeel van de rechtbank, dat van schending van het vertrouwensbeginsel door de gemeente geen sprake is (r.o. 4.7 vs), hebben Geologistiek c.s. terecht geen grief gericht. Geologistiek c.s. hebben aan het feit dat de gemeente, evenals Geologistiek c.s. zelf, ervan uitging dat de percelen als aangrenzende percelen konden worden beschouwd, geen gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat zij de baggerspecie ook over de percelen zouden mogen verspreiden indien deze door de Afdeling niet als aangrenzend zouden worden beschouwd. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat Geologistiek c.s. zelf wisten of behoorden te weten dat krachtens het Bbk alleen baggerspecie van een bepaalde kwaliteit zou mogen worden verspreid en alleen voor verspreiding over aangrenzende percelen geen vergunningplicht gold, en dat zij wisten of hebben moeten weten dat de in het geding zijnde baggerspecie voor verspreiding op andere grond dan aangrenzende percelen niet of ten dele niet in aanmerking zou komen. Het hof verwijst onder meer naar de bij de melding overgelegde rapporten van Tauw bv d.d. 14 februari 2012 (Voorbereiding baggerwerk, prod. P4 verweerschrift) en Van der Zwaan B.V. van 30 januari 2013 (aanvullende rapport waterbodemonderzoek, prod. P5 verweerschrift). Bij de analyse van Van der Zwaan B.V. van het waterbodemonderzoek (p. 8) wordt alleen tot twee kwaliteiten geconcludeerd, te weten 'niet of nooit verspreidbaar' en ‘verspreidbaar over aangrenzend perceel’.

het vernietigde besluit van 15 oktober 2013

3.4.1. Geologistiek c.s. stellen dat zij de gemeente voor de schade ten gevolge van het vernietigde besluit al uitdrukkelijk aansprakelijk hebben gesteld bij de brief van hun advocaat van 5 april 2017. Zij voegen daaraan toe dat in de brief per abuis een onjuiste datum (15 maart 2013) staat en dat het besluit van 15 oktober 2013 is bedoeld. Volgens hen moet dit duidelijk zijn omdat het besluit van 15 maart 2013 (hof: de afwijzing van het verzoek tot handhaving van de Stichting in verband met de omgevingsvergunning) niet is vernietigd. Het hof zal Geologistiek c.s. in deze uitleg, die door de gemeente niet is weersproken, volgen.

3.4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat naar vaste rechtspraak met de vernietiging van een overheidsbesluit door de bestuursrechter, de onrechtmatigheid van dat besluit is gegeven. De gemeente betwist echter dat zij op grond daarvan aansprakelijk kan worden gehouden voor enige door Geologistiek c.s. geleden schade. De gemeente betwist dat voormelde onrechtmatige daad haar kan worden toegerekend. Zij betwist dat is voldaan aan het relativiteitsvereiste en stelt dat het causaal verband tussen die onrechtmatige daad en de door Geologistiek c.s. gestelde schade ontbreekt.

3.4.3. Het hof overweegt volledigheidshalve dat alleen het besluit van 15 oktober 2013 op het handhavingsverzoek van de Stichting van 13 september 2013 is vernietigd en dus alleen voor dat besluit geldt dat met de vernietiging de onrechtmatigheid van het besluit in beginsel is gegeven. Het besluit van 15 maart 2013 tot afwijzing van het eerdere handhavingsverzoek van de Stichting is, zoals Geologistiek c.s. zelf al hebben opgemerkt, niet vernietigd, zodat van onrechtmatigheid van dat besluit geen sprake is. Voor zover Geologistiek c.s. zich in de memorie van grieven (randnummer 28) mede op onrechtmatigheid van dat besluit bedoelen te beroepen, is dat beroep ongegrond.

3.4.4. Het besluit van 15 oktober 2013 betrof het verzoek van de Stichting aan de gemeente om handhavend op te treden omdat volgens de Stichting opslag en verspreiding van de baggerspecie over de percelen niet toelaatbaar was als niet eerst was vastgesteld dat de specie aan de in het Bbk gestelde kwaliteitsnorm voldeed. Volgens de Stichting voldeed de betreffende baggerspecie niet aan de norm. De gemeente verwierp het verzoek omdat volgens de gemeente geen sprake was het ‘toepassen van baggerspecie conform het generieke kader' maar van ‘verspreiden van baggerspecie op aangrenzend perceel’ en in het laatste geval de kwaliteit van de ontvangende bodem niet hoefde te worden vastgesteld.

3.4.5. Geologistiek c.s. stellen dat de door hen geleden schade in de eerste plaats en rechtstreeks is veroorzaakt door hun, achteraf onjuist gebleken, veronderstelling dat de percelen als aangrenzend konden worden beschouwd. Het onrechtmatige besluit van 15 oktober 2013 heeft niet zelfstandig de schade veroorzaakt doch wel bijgedragen aan het ontstaan en toenemen daarvan (mvg 28). Geologistiek c.s. hebben ter toelichting gesteld dat zij bij een juist besluit op 15 oktober 2013 eerder zouden hebben geweten dat de percelen niet als aangrenzend konden worden beschouwd en dat de gemeente in dat geval eerder tot handhaving zou zijn overgegaan. Zij stellen dat dit ertoe heeft geleid dat hun kosten voor het leeghalen en ontmantelen van het depot zijn opgelopen.

3.4.6. Bij de bespreking van de grieven I tot en met VII heeft het hof al overwogen dat de gemeente in de gegeven omstandigheden (geen onjuiste informatie van de gemeente, geen waarschuwingsplicht en geen door de gemeente opgewekt gerechtvaardigd vertrouwen) niet aansprakelijk kan worden gehouden voor schade van Geologistiek c.s. ten gevolge van de door Geologistiek c.s. primair gestelde schadeoorzaak. Het gaat dus alleen nog om de vraag of en in hoeverre Geologistiek c.s. schade hebben geleden die (mede) als gevolg van het, achteraf gezien, onjuiste besluit van 15 oktober 2013 aan de gemeente kan worden toegerekend.

3.4.7. Met hun stelling, dat zij bij een juist besluit op 15 oktober 2013 eerder zouden hebben geweten dat de percelen niet als aangrenzend konden worden beschouwd, voeren Geologistiek c.s. inhoudelijk geen andere grond voor toerekening van (een deel van) de schade aan de gemeente aan dan in de grieven I tot en met VII als ongegrond is verworpen. Uit het besluit van 15 oktober 2013 blijkt wel dat de gemeente, evenals Geologistiek c.s., de percelen als aangrenzend beschouwde, maar dat was Geologistiek c.s. voordien ook al bekend. Bovendien was door de Stichting beroep tegen het besluit ingesteld, zodat Geologistiek c.s. aan het besluit geen gerechtvaardigd vertrouwen hebben kunnen ontlenen dat de kwalificatie van de percelen niet in het geding zou zijn.

3.4.8. Het verweer van de gemeente tegen de vordering slaagt ook overigens. Het onrechtmatige besluit van 15 oktober 2013 betrof een besluit op een verzoek van de Stichting en niet op verzoek van Geologistiek c.s. Evenmin betrof het een besluit waarbij een aan Geologistiek c.s. verleende vergunning in het geding was. Het verzoek van de Stichting strekte tot naleving van in het Bbk gestelde regels en normen. Het Bbk is gericht op het behoud van een goede kwaliteit van de bodem en het voorkomen van ongewenste vervulling daarvan. Een juiste toepassing van de normen dient het belang van het milieu en beschermt tegen schade ten gevolge van ontoelaatbare bodemvervuiling. De schade die door Geologistiek c.s. wordt gevorderd betreft geen schade van dien aard. Aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:183 BW is niet voldaan. Tussen het onrechtmatige besluit en de door Geologistiek c.s. gestelde schade bestaat niet het voldoende causale verband dat op de voet van art. 6:98 BW voor toerekening van de schade aan de gemeente is vereist.

3.4.9. Het verdere verweer van de gemeente tegen de in hoger beroep gewijzigde vordering van Geologistiek c.s. is na het voorgaande verder niet relevant en kan onbesproken blijven.

conclusie

3.5.1. Na het voorgaande behoeven ook de grieven VIII, IX en X verder geen afzonderlijke bespreking. Deze grieven kunnen, gelet op het hiervoor overwogene, evenmin doel treffen.

Aan het aanbod van Geologistiek c.s. tot nader bewijs wordt als niet ter zake dienende voorbij gegaan.

3.5.2. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd, het door Geologistiek c.s. meer of anders gevorderde zal worden afgewezen. Geologistiek c.s. zullen in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen. De door de gemeente mede gevorderde nakosten en wettelijke rente over de proceskosten zullen worden toegewezen, evenals de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de proceskostenveroordeling.

4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst het door Geologistiek c.s. in hoger beroep meer of anders gevorderde af;

veroordeelt Geologistiek c.s. hoofdelijk in de kosten van het hoger beroep, welke kosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente worden begroot op € 5.468,40 voor verschotten, € 11.002,= voor salaris advocaat, en € 131,= (zonder betekening) dan wel € 199,= (met betekening), te vermeerderen met de kosten van betekening, voor nakosten;

bepaalt dat aan de proceskostenveroordeling binnen veertien dagen na de uitspraak van dit arrest dient te worden voldaan en dat bij gebreke daarvan over de veroordeling de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de vijftiende dag na deze uitspraak;

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, P.P.M. Rousseau en H.F.P. van Gastel en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2021.