Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2004

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
04-03-2021
Zaaknummer
200.255.505
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

164 lid 2 Rv. Bewijswaardering. Geschil over onbetaalde facturen van accountantswerkzaamheden. Vaste prijsafspraak niet komen vast te staan. Vonnis kantonrechter wordt vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof: 200.255.505

(zaaknummers rechtbank Overijssel, zittingsplaatsen Almelo en Enschede: 6370535 en 6370289)

arrest van 2 maart 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Traanman Accountants en Belastingadviseurs B.V.,

gevestigd te Goor, gemeente Hof van Twente,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Traanman,

advocaat: mr. D.P. Kant,

tegen:

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
La Patoe B.V.,
gevestigd te Haaksbergen,

2 [geïntimeerde2],
wonende te [A] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk: La Patoe c.s.,

advocaat: mr. S.L. Geeraths.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 2 april 2019 hier over. Naar aanleiding daarvan heeft op 7 mei 2019 een comparitie na aanbrengen plaatsgevonden.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie na aanbrengen van 7 mei 2019,

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met productie;

  • -

    de pleidooien, gehouden op 6 januari 2021 overeenkomstig de pleitnotities;

  • -

    het proces-verbaal van de zitting van 6 januari 2021.

1.3

Na afloop van de pleidooien heeft het hof op verzoek van partijen arrest bepaald.

2 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

Waar gaat deze zaak over?

2.1

Traanman is een accountantskantoor. [geïntimeerde2] drijft in Haaksbergen een damesmodewinkel met de naam La Patoe, aanvankelijk in de vorm van de besloten vennootschap La Patoe, later als eenmanszaak. Traanman heeft vanaf 2009 tot en met het boekjaar 2013 boekhoud- en accountantswerkzaamheden voor [geïntimeerde2] en La Patoe verricht. Vanaf het boekjaar 2014 heeft [geïntimeerde2] een andere accountant. La Patoe c.s. heeft een aantal facturen van Traanman niet betaald. La Patoe c.s. heeft zich beroepen op een vaste prijsafspraak van € 2.500 exclusief btw per jaar voor de werkzaamheden die Traanman voor haar zou verrichten. Die vaste prijs is volgens La Patoe c.s. tussen de partijen overeengekomen aan het begin van de zakelijke relatie.

De vordering en beslissing van de kantonrechter

2.2

Traanman heeft bij de rechtbank gevorderd [geïntimeerde2] te veroordelen tot het betalen van een bedrag van in totaal € 6.588,45 met de wettelijke handelsrente daarover en buitengerechtelijke kosten van € 704,42. Van La Patoe wil Traanman betaling van een bedrag van € 943,80 met de wettelijke handelsrente en een bedrag van € 141,57 voor buitengerechtelijke kosten, in beide gevallen met veroordeling in de kosten. De gevorderde hoofdsommen hebben betrekking op de facturen die door [geïntimeerde2] en La Patoe onbetaald zijn gelaten.

2.3

De kantonrechter heeft na bewijslevering door La Patoe c.s. de gestelde prijsafspraak bewezen geacht en daarom de vorderingen van Traanman afgewezen.

De beoordeling van de grieven

2.4

Traanman heeft tegen de bestreden vonnissen drie grieven aangevoerd. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

2.5

Het draait in deze zaak om de vraag of tussen de partijen een vaste prijsafspraak is gemaakt voor de opdracht tot financiële dienstverlening van € 2.500 excl. btw per boekjaar. In het vonnis van 27 februari 2018 heeft de kantonrechter op grond van de algemene regel van artikel 150 Rv geoordeeld dat La Patoe c.s. de bewijslast draagt voor het bestaan van deze prijsafspraak. Tegen deze bewijslastverdeling heeft Traanman geen bezwaar gemaakt. Wel heeft de kantonrechter volgens Traanman ten onrechte bewijs opgedragen dat er bij aanvang van de zakelijke relatie voor zowel [geïntimeerde2] als La Patoe een vaste prijsafspraak is overeengekomen, omdat de eenmanszaak La Patoe bij aanvang van de werkzaamheden door Traanman nog niet bestond (grief 1) en bovendien ten onrechte geoordeeld dat La Patoe c.s. is geslaagd in het te leveren bewijs, en daartoe heeft zij verschillende argumenten aangevoerd (grieven 2 en 3).

2.6

Ten aanzien van het laatste bezwaar (grieven 2 en 3) overweegt het hof als volgt. Voor het leveren van het gevraagde bewijs heeft La Patoe c.s. van haar kant één getuige laten horen, de heer [C] , de levenspartner van [geïntimeerde2] , waarna Traanman op haar beurt één getuige heeft laten horen, namelijk haar directeur, de heer [B] . De kantonrechter heeft in zijn vonnis van 15 mei 2018 onder rechtsoverweging 2.3 een aantal omstandigheden opgesomd die hij voor de bewijswaardering van belang acht. Daaraan heeft hij de conclusie verbonden dat de verklaringen van de (representanten van) partijen tegenover elkaar staan en dat in die situatie de andere bewijsmiddelen de doorslag geven. De kantonrechter wijst daartoe op de stellige verklaring van [C] , het feit dat [B] tijdens het startgesprek niet expliciet heeft gezegd dat zijn bedrijf op uurbasis wilde werken en het feit dat [B] geen opdrachtbevestiging heeft gestuurd. Op grond daarvan komt de kantonrechter tot het oordeel dat La Patoe c.s. is geslaagd in het leveren van het aan haar opgedragen bewijs.

2.7

Het hof is echter van oordeel dat de prijsafspraak niet is komen vast te staan. Daartoe zijn de volgende omstandigheden van belang. In dit geval heeft de partijgetuige [geïntimeerde2] zich niet als getuige onder ede laten horen. De partner van [geïntimeerde2] is wel onder ede gehoord en heeft verklaard dat hij op enig moment, een precies jaartal kon hij niet meer noemen, vanuit het erf van zijn huis naar binnen was gegaan om koffie te zetten en toen [geïntimeerde2] en [B] met een aantal mappen aan tafel zag zitten. Daarbij heeft hij gehoord dat Traanman aanbood de boekhouding te gaan doen voor een bedrag van € 2.500 exclusief btw per jaar en dat zijn partner daarmee akkoord ging. Hij heeft niet gehoord welke werkzaamheden Traanman dan precies zou gaan doen, maar hij ging ervan uit dat het om de volledige boekhouding van het bedrijf ging. Verder heeft hij niet gehoord wat ze hebben besproken. Tot slot heeft hij nog desgevraagd aangegeven dat hij het met zijn partner nog wel over de zaak heeft gehad, maar dat hij het zich allemaal zeker goed herinnert.

2.8

Daar tegenover staat de verklaring van de onder ede gehoorde getuige [B] , die anders dan La Patoe c.s. in hoger beroep heeft aangevoerd niet is onderworpen aan de beperkingen van een partijgetuige als bedoeld in artikel 164 lid 2 Rv, omdat de bewijslast niet op Traanman rust. Deze getuige heeft onder meer verklaard dat hij een keer bij [geïntimeerde2] voor een bespreking is langs geweest en dat hij er zeker van is dat hij geen vaste prijs heeft afgesproken, omdat hij niet precies kon inschatten hoeveel werk er in de boekhouding zou gaan zitten. Bepalend daarbij was dat op dat moment sprake was van een besloten vennootschap, terwijl een eenmanszaak gunstiger zou zijn. Bovendien wilde hij geen vaste prijs afspreken omdat hij dat normaal gesproken alleen wil doen als alles op orde is en dat was in dit geval niet zo. Verder heeft hij nog verklaard dat hij de gewoonte heeft om áls er een vaste prijsafspraak wordt gemaakt, deze schriftelijk vast te leggen, waarbij ook wordt vermeld dat in bijzondere omstandigheden van de prijsafspraak kan worden afgeweken. In het gesprek is het volgens hem niet over een vaste prijs gegaan. Wel kan het zijn dat hij een bedrag van € 2.500 per jaar heeft genoemd, maar dan hoogstens als indicatie, waarbij hij vermoedelijk erbij heeft gezegd dat een bedrag in die orde van grootte reëel zou zijn als alles op orde was. Verder heeft hij nog verklaard dat hij voor zover hij zich herinnerde naderhand geen opdrachtbevestiging heeft gestuurd, maar dat in het gesprek wel aan de orde is geweest dat niet voor elke medewerker van het kantoor van Traanman hetzelfde uurtarief geldt.

2.9

Vooropgesteld wordt dat [geïntimeerde2] alleen ter comparitie in eerste aanleg een verklaring heeft afgelegd. Zij heeft zichzelf niet als getuige onder ede laten horen. Traanman heeft dus ook geen gelegenheid gehad aan [geïntimeerde2] over de gestelde prijsafspraak vragen te stellen, zoals La Patoe c.s. dat op haar beurt tijdens het horen van de getuige Traanman in de contra-enquête wel kon doen. Traanman heeft verder nog gewezen op artikel 88 lid 4 Rv, waarin is bepaald dat een verklaring omtrent door haar te bewijzen feiten tijdens de comparitie van partijen in het voordeel van de partij die haar aflegde geen bewijs kan opleveren. Toch kan naar het oordeel van het hof aan zo’n verklaring door de rechter in beginsel vrije bewijskracht worden toegekend, zij het dat daaraan minder gewicht toekomt dan als zij in een getuigenverhoor onder ede door de kantonrechter zou zijn gehoord. Zou zij wel als getuige zijn gehoord, dan zou haar verklaring zijn onderworpen aan de beperking van artikel 164 lid 2 Rv, namelijk dat haar verklaring als getuige met betrekking tot door haar te bewijzen feiten geen bewijs in haar voordeel kan opleveren, tenzij deze verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs.

2.10

Als vervolgens de bewijsmiddelen op een rij worden gezet, kan niet worden geoordeeld dat de prijsafspraak is komen vast te staan. [B] , zelf gesprekspartner van [geïntimeerde2] , heeft onder ede verklaard dat de prijsafspraak niet was gemaakt om de hiervoor (onder 2.8) in zijn verklaring al weergegeven redenen dat hij niet goed kon inschatten hoeveel werk er in de boekhouding zat, hij de indruk had dat de boekhouding niet op orde was en hij de gewoonte had een vaste prijsafspraak op papier te zetten. Daartegenover legt de verklaring van [C] , die toevallig een korte tijd in dezelfde ruimte was om koffie te zetten en daarbij delen van het gesprek opving, onvoldoende gewicht in de schaal.

Daarvoor is van belang dat de verklaring van [C] , dat een bedrag van € 2.500 per jaar is genoemd, verenigbaar is met de verklaring van [B] dat hij mogelijk dat bedrag ter indicatie heeft genoemd. De getuige [C] heeft ook niet gehoord welke werkzaamheden dit zou omvatten. Bovendien gaat het om een verklaring over een bespreking van negen jaar geleden, waaraan hij niet deelnam en waarover hij met zijn partner, die als partij in dit geschil is betrokken, later nog heeft gesproken.

2.11

Steun voor het bestaan van een prijsafspraak kan verder niet worden gevonden in het door La Patoe c.s. (productie 1 bij conclusie van antwoord) overgelegde overzicht van door haar van Traanman ontvangen facturen over de jaren 2009 tot en met 2013. Zo wordt er volgens dat overzicht bijvoorbeeld in 2009, een totaalbedrag van € 4.465,48 gefactureerd, in 2010 een bedrag van € 812,18 en in 2011 gaat het over een totaalbedrag van € 5.911,33. Daaruit volgt dat vanaf het begin van de zakelijke relatie geen sprake was van een vast bedrag van € 2.500 per jaar. Desgevraagd heeft La Patoe c.s. op de zitting in hoger beroep van 21 januari 2021 aangegeven dat ze daarover een aantal keren op kantoor bij Traanman heeft geklaagd en dat zij dacht dat het daarna wel goed zou komen. Er zijn geen aanknopingspunten in het dossier waaruit volgt dat La Patoe c.s. zich bij Traanman ter zake heeft beklaagd. Het had toch voor de hand gelegen dat als in de loop van de tijd de gestelde prijsafspraak stelselmatig zou zijn genegeerd en de afgelegde bezoekjes geen effect sorteerden, [geïntimeerde2] als zelfstandig ondernemer daar op enig moment aan de boekhouder nadrukkelijk (schriftelijk) aandacht voor vraagt, bijvoorbeeld door het sturen van een mailtje. Er zijn echter naast de verklaring van de getuige [C] en de verklaring van [geïntimeerde2] afgelegd ter comparitie onvoldoende andere schriftelijke bewijsstukken, in de vorm van facturen of mails, die ter aanvulling van het bewijs van een prijsafspraak zouden kunnen dienen. De na het beëindigen van de zakelijke relatie geschreven mails kunnen aan het bewijs van een prijsafspraak bij aanvang van de werkzaamheden evenmin bijdragen. De slotsom is dan ook dat het verlangde bewijs niet is geleverd. Het enkele feit dat er bij aanvang van de opdracht of later geen opdrachtbevestiging is gestuurd met daarin de uurtarieven, maakt dit niet anders.

herbeoordeling van de stellingen (devolutieve werking)

2.12

Nu het slagen van de grieven in beginsel leidt tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep, moet het hof nagaan welke niet besproken of verworpen stellingen van La Patoe c.s. alsnog tot de door haar bepleite uitkomst zouden kunnen leiden.

2.13

La Patoe c.s. heeft zich ook nog op het standpunt gesteld dat Traanman werkzaamheden in rekening heeft gebracht die niet door haar maar door de opvolgend accountant zijn verricht. Bovendien zijn door Traanman fouten gemaakt, waarop de opvolgend accountant heeft gewezen, waardoor La Patoe c.s. schade heeft geleden.

2.14

Er zijn twee facturen onbetaald gebleven, een factuur van 23 april 2014 met een bedrag van € 3.369,85 voor verrichte werkzaamheden in 2013 met de omschrijving inzake verwerking financiële administratie 2013, opmaak en samenstellen definitieve jaarrekening La Patoe (eenmanszaak), lonen (incl. aanpassing arbeidsovereenkomsten), Lb-aangiften, Btw-aangiften alsmede aangifte Inkomstenbelasting/Pvv 2012 en een factuur van 16 juni 2015 met een bedrag van € 3.218,60 voor verrichte werkzaamheden in 2014 met de omschrijving inzake samenstellen en opmaak definitieve jaarrekening La Patoe (eenmanszaak 2013) alsmede aangifte inkomstenbelasting/Pvv 2013.

2.15

In de processtukken van de eerste aanleg is onvoldoende duidelijk gemaakt welke werkzaamheden Traanman ten onrechte zou hebben gefactureerd. Er is slechts in algemene zin gesteld dat La Patoe c.s. nog voordat de laatste nota’s waren ontvangen reeds aan een derde opdracht had gegeven om de accountantswerkzaamheden over te nemen, omdat er discussie was met Traanman over de kosten en er fouten in de aangifte inkomstenbelasting zouden zijn gemaakt. Dit laatste heeft de opvolgend accountant recht moeten trekken. La Patoe c.s. verwijst daartoe naar een mail van de opvolgend accountant, mevrouw [D] , waarin deze heeft aangegeven de werkzaamheden in 2014 volledig te hebben overgenomen. Daaruit volgt volgens La Patoe c.s. dat er in 2014 geen werkzaamheden meer door Traanman zijn verricht.

2.16

In de genoemde mail van [D] van 3 april 2016 schrijft zij dat het accountantskantoor Traanman de boekhouding heeft verzorgd tot en met 2013, inclusief de aangiftes btw en loonbelasting. De aangiftes VPB 2013 en IB/PVV 2013 zijn door [D] ingediend bij de belastingdienst. Ter zitting in hoger beroep heeft het hof hierover nadere vragen gesteld. La Patoe c.s. heeft erkend dat er door Traanman in 2014 nog werkzaamheden zijn verricht, maar dat zou niet zien op de aangifte IB en PVV. Uit de omschrijving van de urenstaten van de in 2014 door Traanman verrichte werkzaamheden is op te maken dat deze werkzaamheden zien op het verzenden van salaris slips, doen van btw kwartaalaangiftes, bijwerken van de administratie en het opstellen van de jaarrekening 2013. In die zin zien de werkzaamheden op het boekjaar 2013. Welke werkzaamheden concreet in de periode van 30 december 2013 tot en met 19 december 2014 ten onrechte zijn gefactureerd, is ook (ter zitting) in hoger beroep niet duidelijk geworden. Mr Geeraths heeft ter zitting aangegeven dat slechts een bedrag van ongeveer € 1.500 zou mogen worden gefactureerd, maar kon niet duidelijk toelichten welke berekening tot dat bedrag zou leiden. Verder ligt het naar het oordeel van het hof voor de hand dat [D] als boekhouder met de zinsnede “Traanman heeft je boekhouding verzorgd t/m 2013” verwijst naar het boekjaar 2013 (en dus niet het kalenderjaar 2013), voor welk boekjaar vanzelfsprekend in 2014 nog werkzaamheden moesten worden verricht in het kader van het opmaken van de jaarrekening. Traanman kan de jaarrekening over 2013 (zo goed als) klaar hebben gemaakt en daarvoor werkzaamheden hebben gedaan, die vervolgens misschien gedeeltelijk door [D] zijn afgerond. Het een sluit het ander niet uit. Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van La Patoe c.s. nog wel gezegd dat [D] die jaarrekening zelf in het geheel heeft opgemaakt, maar daarvan is geen enkel stuk overgelegd, hoewel zij het verrichten van die werkzaamheden door Traanman al in de eerste aanleg ter discussie heeft gesteld. De slotsom is dat La Patoe c.s. dit standpunt onvoldoende handen en voeten heeft gegeven en daarmee onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd.

2.17

Ten aanzien van de gestelde geleden schade geldt het volgende. Er is geen reconventionele vordering ingediend. Voor zover er ten aanzien van de schade al een beroep op verrekening zou moeten worden ingelezen, is niet duidelijk geworden of La Patoe c.s. schade heeft geleden, en zo ja, hoe hoog deze schade is (een bedrag is niet genoemd). Deze stelling is ook onvoldoende concreet gemotiveerd en bovendien niet eenvoudig vast te stellen, zodat deze strandt in verband met het bepaalde in artikel 6:136 BW.

2.18

La Patoe c.s. heeft de stellingen van Traanman onvoldoende gemotiveerd bestreden en haar eigen stellingen onvoldoende onderbouwd, en evenmin in hoger beroep een (terzake dienend) bewijsaanbod gedaan zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen.

3 De slotsom

3.1

Het hoger beroep slaagt. De bestreden vonnissen zullen worden vernietigd en de gevorderde bedragen zullen alsnog worden toegewezen, met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 9 april 2016 (dit is daags na de uiterste betaaldatum in de aanmaningen van 31 maart 2016).

3.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof La Patoe c.s. in de kosten van beide instanties veroordelen. In eerste aanleg zijn de zaken ter zitting gevoegd behandeld, maar is sprake van twee afzonderlijke zaken, zodat La Patoe en [geïntimeerde2] afzonderlijk in de door Traanman gemaakte proceskosten zullen worden veroordeeld.

3.3

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aangebracht tegen [geïntimeerde2] (6370535) zullen aan de zijde van Traanman worden vastgesteld op:

- explootkosten € 80,42

- griffierecht € 470

totaal verschotten € 550,42

- salaris advocaat € 750

3.4

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aangebracht tegen La Patoe (6370289) zullen aan de zijde van Traanman worden vastgesteld op:

- explootkosten € 80,42

- griffierecht € 470

totaal verschotten € 550,42

- salaris advocaat € 300

3.5

Traanman heeft voldoende gesteld en onderbouwd (met incassobrieven van haar advocaat) dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De gevorderde bedragen aan buitengerechtelijke incassokosten komen in beide zaken overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zullen worden toegewezen.

3.6

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Traanman zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 81

- griffierecht € 741

totaal verschotten € 822

- salaris advocaat € 2.361 (3 punten x tarief I)

3.7

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt de vonnissen van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel te Almelo en Enschede van 27 februari 2018 en 15 mei 2018 en doet opnieuw recht:

veroordeelt La Patoe om aan Traanman te betalen de hoofdsom van € 943,80, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 9 april 2016 tot de dag der voldoening, en de buitengerechtelijke incassokosten van € 141,57;

veroordeelt La Patoe in de kosten van eerste aanleg, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van Traanman vastgesteld op € 550,42 voor verschotten en op € 300 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde2] om aan Traanman te betalen de hoofdsom van € 6.588,45, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 9 april 2016 tot de dag der voldoening, en de buitengerechtelijke incassokosten van € 704,42;

veroordeelt [geïntimeerde2] in de kosten van eerste aanleg, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van Traanman vastgesteld op € 550,42 voor verschotten en op € 750 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt La Patoe c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Traanman vastgesteld op € 822 voor verschotten en op € 2.361 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt La Patoe c.s. in de nakosten, begroot op € 155,89, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 80,92 in geval La Patoe c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.M.I. De Waele, J. Sap en M.C. Bijl en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2021.