Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:1962

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-03-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
Wahv 200.253.460/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5 Wahv. Wanneer de bestuurder weigert zijn identiteit kenbaar te maken, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.253.460/01

CJIB-nummer

: 216597822

Uitspraak d.d.

: 1 maart 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 26 november 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. R. de Nekker, kantoorhoudende te Heerenveen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard en die beslissing vernietigd. Het beroep tegen de inleidende beschikking is gedeeltelijk gegrond verklaard, waarbij de feitcode is gewijzigd. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 125,25.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “Stilstaan op een kruispunt” (feitcode R396A). Deze gedraging zou zijn verricht op

5 april 2018 om 13:57 uur op de Scheldestraat in Utrecht met het voertuig met het kenteken
[YY-00-YY] .

2. Bij de kantonrechter zijn de gedraging, de feitcode en het sanctiebedrag gewijzigd in:
“Parkeren bij een kruispunt op een afstand van minder dan vijf meter daarvan”, “R397A”en “€ 95.- ”.

3. De gemachtigde van de betrokkene kan zich niet vinden in het oordeel van de kantonrechter dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. De verbalisant heeft immers voorafgaand aan de sanctieoplegging gesproken met de bestuurder, die heeft erkend dat het voertuig door hem ter plaatse was neergezet. In zo’n geval dient de sanctie dan ook aan de bestuurder te worden opgelegd. Dat de bestuurder zijn identiteitsbewijs niet wilde tonen, doet daaraan niet af. De gemachtigde is van mening dat de ambtenaar de bestuurder daartoe had kunnen dwingen. Daarnaast zijn bij de toewijzing van de proceskostenvergoeding te weinig punten toegekend, nu de inleidende beschikking is gewijzigd en de betrokkene aldus in die zin ook in het gelijk is gesteld.

4. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.

5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Ik heb met betrekking tot deze overtreding de bestuurder niet staande gehouden maar op kenteken geschreven omdat ik de bestuurder niet heb zien parkeren.”

6. In een aanvullend proces-verbaal van 19 juni 2018 heeft de ambtenaar onder meer als volgt verklaart:
“Ik heb geconstateerd dat het voertuig, met kenteken [YY-00-YY] , tenminste met een duur van 10 minuten daar heeft gestaan. Ik heb niet gezien dat dit voertuig daar geparkeerd werd.
Ik heb samen met collega aangebeld bij de kentekenhouder (…). Ik vroeg hierbij of de betreffende man die open deed genoemd voertuig daar geeft geparkeerd. De man vertelde dat hij dat heeft gedaan omdat hij straks weer weg moest. Ik vroeg de man naar zijn identiteitsbewijs maar hij wilde deze niet geven. Aangezien ik de man de gedraging niet heb zien verrichten is door mij gekozen het verder op kenteken af te handelen.”

7. De gemachtigde wijst er terecht op dat indien is komen vast te staan dat de ambtenaar contact heeft gehad met de bestuurder van het voertuig nadat hij de gedraging heeft geconstateerd, maar vóórdat hij de sanctie oplegt, hij over dient te gaan tot staandehouding van de bestuurder teneinde diens identiteit vast te stellen. In dit geval gaat het om een parkeerovertreding en had de ambtenaar, omdat hij niet heeft gezien wie het voertuig heeft geparkeerd en na 10 minuten pardontijd ook niemand bij het voertuig is verschenen, mogen volstaan met bekeuren op kenteken. De ambtenaar is echter naar het adres van de kentekenhouder gegaan en heeft geprobeerd alsnog te achterhalen wie de bestuurder was. De man die toen aangaf de bestuurder te zijn geweest wilde vervolgens niet meewerken bij het verstrekken van zijn personalia. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat de ambtenaar een reële mogelijkheid heeft gehad om de identiteit van de bestuurder vast te stellen en heeft hij de sanctie terecht aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd. Anders dan de gemachtigde heeft aangevoerd kan in een situatie als deze niet van de ambtenaar worden verwacht dat hij contact met de politie opneemt om aldus af te dwingen dat de betrokkene zijn identiteit laat controleren.

8. Het voorgaande betekent dat de kantonrechter op juiste gronden het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond heeft verklaard. Het hof zal die beslissing in zoverre bevestigen.

9. Ten aanzien van de toegekende proceskostenvergoeding overweegt het hof als volgt. Bij arrest van 28 april 2020 (gepubliceerd op rechtspraak.nl, onder ECLI:NL:GHARL:2020:3336) heeft het hof - kort gezegd - overwogen dat voor een vergoeding van de redelijkerwijs gemaakte kosten aanleiding is wanneer de betrokkene in het gelijk wordt gesteld. Dat is in de regel het geval als de inleidende beschikking, waarbij de sanctie is opgelegd, wordt vernietigd of als de inleidende beschikking wordt gewijzigd op het punt van de hoogte van het bedrag van de sanctie, de omschrijving van de gedraging of de feitcode.

10. Gelet op voornoemd arrest heeft de kantonrechter de betrokkene in het gelijk gesteld en is er dus aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Dat betekent dat de proceskosten, gemaakt in administratief beroep en in beroep bij de kantonrechter voor vergoeding in aanmerking komen. Door de gemachtigde van de betrokkene zijn de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van het administratief beroepschrift, het deelnemen aan een telefonische hoorzitting bij de officier van justitie en het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft een proceskostenvergoeding toegekend op basis van slechts één procespunt. Dit betekent dat de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij is beslist op het verzoek om toekenning van proceskostenvergoeding, moet worden vernietigd.

11. Aan voornoemde proceshandelingen dienen in totaal 3 procespunten te worden toegekend. Vanwege de door de gemachtigde geleverde inspanning zal het hof met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht het voor het horen door de officier van justitie toegekende hele punt halveren. De waarde per punt bedraagt € 534,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van
€ 668,75 (= 2,5 x € 525,- x 0,5).

12. Nu de betrokkene in hoger beroep niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding in hoger beroep worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van in totaal € 668,75.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.