Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:1956

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-03-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
Wahv 200.251.960/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zekerheidstelling. Ook het verlaagde bedrag van de zekerheidstelling kon door de kantonrechter in redelijkheid niet van de betrokkene worden verlangd. Gelet op de uiterst beperkte financiële draagkracht van de betrokkene zou dit een ontoelaatbare beperking vormen op het recht tot toegang tot de rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.251.960/01

CJIB-nummer

: 211563571

Uitspraak d.d.

: 1 maart 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 9 november 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Op 29 juli 2019 en 28 januari 2020 zijn nog brieven van de gemachtigde bij het hof ingekomen. Deze brieven zijn in afschrift aan de advocaat-generaal toegezonden.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen zekerheid was gesteld en er geen aanleiding is om dit verzuim niet aan de betrokkene toe te rekenen,

2. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter naar aanleiding van hetgeen was aangevoerd over de persoonlijke en financiële omstandigheden van de betrokkene het bedrag van de zekerheidstelling weliswaar heeft verlaagd tot € 70,-, maar dat hij dat op nihil had moeten vaststellen.

3. Uitgangspunt is dat de verplichting tot zekerheidstelling het recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie niet belemmert. Als echter blijkt dat de toegang tot de rechter door de financiële situatie van de betrokkene wel zou worden belemmerd, is de verplichting tot zekerheidstelling een ontoelaatbare beperking van het in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie.

4. De gemachtigde heeft in zijn beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie aangevoerd dat de betrokkene onvoldoende financiële middelen heeft om zekerheid te kunnen stellen. De griffier van de rechtbank heeft (de gemachtigde van) de betrokkene uitgenodigd voor de zitting van 3 oktober 2018 om dit nader toe te lichten. De gemachtigde is op die zitting verschenen en heeft aangevoerd dat de betrokkene een softdrugs-verslaving heeft, dat hij gedetineerd heeft gezeten, dat hij op dat moment werkloos is, dat zijn werkloosheidsuitkering is stopgezet en dat hij in één jaar 36 boetes heeft ontvangen, waarmee een bedrag van € 6000,- is gemoeid. De gemachtigde heeft ter onderbouwing van zijn standpunt bankafschriften in het geding gebracht. De kantonrechter heeft bij tussenbeslissing van 17 oktober 2018 geoordeeld dat er voldoende aanleiding is om het bedrag van de zekerheidstelling te verlagen tot € 70,- en de betrokkene een termijn van twee weken gegeven om dat bedrag te voldoen. De kantonrechter heeft, nadat hem was gebleken dat dat bedrag niet door het CJIB is ontvangen, beslist zoals onder 1. is vermeld.

5. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat de betrokkene voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn financiële draagkracht in de weg staat aan het stellen van het volledige bedrag aan zekerheid. Naar het oordeel van het hof kan in dit geval echter ook betaling van de verlaagde zekerheidstelling van € 70,- in redelijkheid niet van de betrokkene worden verlangd. Gelet op de uiterst beperkte financiële draagkracht van de betrokkene zou dit een ontoelaatbare beperking vormen op het recht tot toegang tot de rechter. De kantonrechter had daarom in redelijkheid niet ervan mogen afzien om het bedrag van de zekerheidstelling nog verdergaand te verlagen dan wel op nihil te stellen.

6. Gelet op het voorgaande kan de bestreden beslissing niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en de zaak terugwijzen naar de rechtbank.

7. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336). Dit neemt niet weg dat de kantonrechter, als hij de inleidende beschikking vernietigt dan wel deze wijzigt voor wat betreft het sanctiebedrag, de feitcode of de omschrijving van de gedraging en besluit tot toekenning van een proceskostenvergoeding, de in hoger beroep gemaakte proceskosten voor vergoeding in aanmerking kan brengen. Dat betreft als kosten van rechtsbijstand de indiening van een hoger beroepschrift

(1 procespunt). Het gewicht van de zaak in hoger beroep is licht (wegingsfactor 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.