Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:1916

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
21-003746-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht. Veroordeling voor een gewapende overval die verdachte heeft bekend. Overwegingen waarom voorwaardelijk deel jeugddetentie gelijk is aan het voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003746-20

Uitspraak d.d.: 2 maart 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 9 oktober 2020 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-080743-20 en 16-300021-19, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 februari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. J.P.W. Nijboer, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Zaak met parketnummer 16-080743-20:

hij op of omstreeks 7 maart 2020 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland (uit kapsalon [kapsalon] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag van in totaal ongeveer 1250 euro, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] en/of voornoemde kapsalon, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of kappers en/of klanten die in de kapsalon aanwezig waren, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- voornoemde kapsalon te betreden en een (groot) mes en/of een schroevendraaier en/of een metalen staaf zichtbaar bij zich te dragen en/of

- met een mes achter [slachtoffer 2] aan te rennen en/of

- een metaalachtig voorwerp te richten op een persoon in de kapsalon en/of

- (daarbij) te zeggen "geld geld geld, we hebben messen, we hebben wapens" en/of woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- (daarbij) te blijven schreeuwen dat ze geld wilden hebben en/of

- voornoemd geldbedrag van de balie te pakken;

en/of

hij op of omstreeks 7 maart 2020 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of kapsalon [kapsalon] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van in totaal ongeveer 1250 euro, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] en/of voornoemde kapsalon toebehoorde, door

- voornoemde kapsalon te betreden en een (groot) mes en/of een schroevendraaier en/of een metalen staaf zichtbaar bij zich te dragen en/of

- met een mes achter [slachtoffer 2] aan te rennen en/of

- een metaalachtig voorwerp te richten op een persoon in de kapsalon en/of

- (daarbij) te zeggen "geld geld geld, we hebben messen, we hebben wapens" en/of woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- (daarbij) te blijven schreeuwen dat ze geld wilden hebben en/of

- die [slachtoffer 2] te bewegen tot afgifte van geld.

Zaak met parketnummer 16-300021-19 (gevoegd):

hij op of omstreeks 26 juni 2019 te Utrecht, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (merk Mercedes), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 3] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak zaak met parketnummer 16-300021-19

Verdachte ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan vernieling van de Mercedes. Hij heeft ter terechtzitting van het hof, maar ook al eerder, verklaard dat twee jongens een winkelwagen over en weer naar elkaar aan het duwen waren. De winkelwagen kwam daarbij tegen de Mercedes aan. Verdachte heeft vervolgens de winkelwagen gepakt om hem naar een naastgelegen grasveldje te rijden en tegen een boom aan te zetten, zodat de wagen niet op de straat in de weg stond. Op dat moment is er een foto gemaakt.

Het hof kan de gang van zaken zoals verdachte die schetst niet geheel uitsluiten. Het zou zo ook gegaan kunnen zijn. Uit het dossier en wat op de zitting is besproken, blijkt namelijk niet dat het verhaal van verdachte onaannemelijk is. Nu er sprake is van redelijke twijfel behoort verdachte te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Verdachte heeft de overval op de kapsalon bekend.

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 16-080743-20 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op of omstreeks 7 maart 2020 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland (uit kapsalon [kapsalon] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag van in totaal ongeveer 1250 euro, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] en/of voornoemde kapsalon, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of kappers en/of klanten die in de kapsalon aanwezig waren, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- voornoemde kapsalon te betreden en een (groot) mes en/of een schroevendraaier en/of een metalen staaf zichtbaar bij zich te dragen en/of

- met een mes achter [slachtoffer 2] aan te rennen en/of

- een metaalachtig voorwerp te richten op een persoon in de kapsalon en/of

- (daarbij) te zeggen "geld geld geld, we hebben messen, we hebben wapens" en/of woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- (daarbij) te blijven schreeuwen dat ze geld wilden hebben en/of

- voornoemd geldbedrag van de balie te pakken;

en/of

hij op of omstreeks 7 maart 2020 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of kapsalon [kapsalon] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van in totaal ongeveer 1250 euro, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] en/of voornoemde kapsalon toebehoorde, door

- voornoemde kapsalon te betreden en een (groot) mes en/of een schroevendraaier en/of een metalen staaf zichtbaar bij zich te dragen en/of

- met een mes achter [slachtoffer 2] aan te rennen en/of

- een metaalachtig voorwerp te richten op een persoon in de kapsalon en/of

- (daarbij) te zeggen "geld geld geld, we hebben messen, we hebben wapens" en/of woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- (daarbij) te blijven schreeuwen dat ze geld wilden hebben en/of

- die [slachtoffer 1] te bewegen tot afgifte van geld.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 16-080743-20 bewezenverklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte wegens de overval en de vernieling te veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van zes maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals opgelegd door de rechtbank. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van het hof naar voren gebracht dat ondanks het feit dat verdachte goed meewerkt, zich aan alle afspraken en voorwaarden houdt en oprecht spijt heeft betuigd, de overval een zeer ernstig feit betreft waarvoor doorgaans aanmerkelijke vrijheidsstraffen worden opgelegd. De gevolgen voor de slachtoffers zijn enorm. Verdachte zal terug moeten naar de jeugdinrichting om hieraan recht te doen.

De raadsman heeft bepleit dat, hoewel sprake is van een ernstig strafbaar feit, de beslissing van de rechtbank om zijn cliënt na het wijzen van het vonnis weer in jeugddetentie te plaatsen niet juist is en bovendien onvoldoende is gemotiveerd. Gelet op het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht dienen de strafverminderende omstandigheden (bekennende verdachte, oprechte spijtbetuiging, bereidheid om mee te werken aan herstelbemiddeling, verantwoordelijkheid nemen voor zijn daad) mee te wegen bij het bepalen van een passende straf.

De hierna te melden strafoplegging acht het hof in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof kan zich wat betreft de ernst van het feit en gezien de over verdachte opgemaakte rapportages, vinden in de overwegingen van de rechtbank. Voor zover van belang neemt het hof de onderstaande overwegingen uit het vonnis over:

Ernst van de feiten

[verdachte] heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een

kapsalon. [verdachte] is met een groot vleesmes de kapsalon in gegaan en heeft aangeefster,

[slachtoffer 1] , maar vooral haar zus, [slachtoffer 2] , hiermee bedreigd. Dit is een zeer

ernstig feit en heeft een grote impact gehad op hun levens en hun welzijn. Dit is ook gebleken uit de slachtofferverklaringen die op zitting zijn voorgelezen. Ook de in de kapsalon andere aanwezigen zijn erg geschrokken van het agressieve en intimiderende optreden van de daders. [verdachte] heeft niet stilgestaan bij de (psychische) gevolgen voor de

slachtoffers en de onrust en gevoelens van onveiligheid die dit soort feiten in de maatschappij veroorzaakt. De rechtbank rekent hem dit aan.

Persoonlijke omstandigheden van [verdachte]

De rechtbank heeft bij het bepalen van een passende straf ook rekening gehouden met een

uittrekstel justitiële documentatie (het “strafblad”) van [verdachte] van 25 juni 2020, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De rechtbank heeft verder rekening gehouden met:

- het psychologisch onderzoek Pro Justitia van 2 juli 2020;

- het rapport van de Raad van 23 september 2020.

Uit de hiervoor genoemde rapportage Pro Justitia is gebleken dat er bij [verdachte] geen sprake is van noemenswaardige problemen. [verdachte] is in staat om het slechte van zijn gedrag in te zien en zelf te bepalen of hij wel of geen strafbaar feit pleegt. Het is daarom niet nodig dat [verdachte] een (verplichte) behandeling krijgt. Wel is het goed dat [verdachte] een weerbaarheidstraining volgt. Een risicofactor is namelijk dat [verdachte] omgaat met criminele

jongeren en dat hij soms verhoogd beïnvloedbaar is. Hij kan zich soms wat in zijn boosheid

verliezen, waarbij zaken niet goed meer tot hem doordringen. Beschermende factoren zijn

het ondersteunde gezin van [verdachte] , de positieve houding van [verdachte] tegenover gezag en dat hij zich richt op school. De psycholoog schat de kans dat [verdachte] nog een keer een strafbaar feit pleegt licht verhoogd in. Als straf adviseert de psycholoog aan [verdachte] een deels

voorwaardelijke straf op te leggen met reclasseringstoezicht.

Ook uit de Raadsrapportage komt naar voren dat [verdachte] op alle leefgebieden goed

functioneert. Een gedragsinterventie is daarom niet passend. Omdat [verdachte] een ernstig

strafbaar feit heeft gepleegd, is een langer lopend traject in de vorm van een jeugdreclasseringsmaatregel wenselijk, waarbij aandacht wordt besteed aan het verbeteren

van de sociale vaardigheden. Ook moet hij afstand nemen van bepaalde jongeren en om leren gaan met sociale druk. De lopende maatregel bij schorsing verloopt naar tevredenheid en zorgt de laatste vier maanden al voor een positieve ontwikkeling bij [verdachte] .

In het persoonlijkheidsonderzoek wordt gesproken over een mogelijke weerbaarheidstraining. Deze kan indien nodig alsnog worden opgestart binnen de lopende jeugdreclasseringsmaatregel. [verdachte] en ouders staan open voor elke vorm van begeleiding en hulp die passend wordt gevonden. De Raad adviseert de rechtbank om aan [verdachte] een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarden de maatregel Toezicht en Begeleiding in het kader van ITB Harde Kern, meewerken aan een training als de jeugdreclassering dit nodig vindt en een contactverbod met de slachtoffer en de medeverdachten. Daarnaast wordt een werkstraf geadviseerd.

Op zitting heeft [reclasseringswerker] , jeugdreclasseringswerker, verklaard dat hij [verdachte] in het kader van

de schorsing begeleidt en toezicht houdt. Hij heeft goed contact met [verdachte] en zijn moeder. [verdachte] werkt goed mee en houdt zich aan de voorwaarden. Hij richt zich op voetbal en school. Zijn droom is om profvoetballer te worden. Voetbal is een uitlaatklep voor [verdachte] .

Door de enkelband heeft hij de afgelopen periode niet kunnen voetballen. [verdachte] hoopt

daarom dat de enkelband af mag. Op school gaat het ook goed. [verdachte] volgde eerst de

richting autotechniek, maar hij wil overstappen en iets in de zorg gaan doen. [verdachte] zorgt ook voor zijn zus die een beperking heeft.

Uit het Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 januari 2021 volgt dat verdachte zich ook na het vonnis niet opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een soortgelijk strafbaar feit. Wel is hem bij strafbeschikking van 12 januari 2021 een geldboete opgelegd wegens het besturen van een motorrijtuig zonder geldig rijbewijs.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de heer [reclasseringswerker] een update gegeven over hoe het met verdachte gaat. Hij is sinds mei 2020 bij verdachte betrokken en heeft nog steeds alle vertrouwen in hem. Verdachte heeft zich aangemeld voor een nieuwe opleiding: sociaal begeleider. Doordat verdachte in het kader van het voorarrest nog drie weken terug moest naar de jeugdinrichting zal hij deze maand pas starten met de opleiding. Hij heeft al wat lessen kunnen volgen zodat hij goed kan instromen. Zowel verdachte als zijn moeder staan open voor herstelbemiddeling met de slachtoffers. De overval heeft een grote impact gehad op de moeder van verdachte. Het betrof immers ook de kapsalon waar zij zelf al langer klant is. De heer [reclasseringswerker] heeft het hof geadviseerd om verdachte niet meer terug te sturen naar een jeugdinrichting. Als verdachte deze positieve lijn doorzet, zal hij een positieve bijdrage kunnen leveren aan de maatschappij. Verdachte werkt goed mee en houdt zich aan alle afspraken. Mocht dat niet het geval zijn dan, heeft de heer [reclasseringswerker] het hof verzekerd, meldt hij hem direct terug. Verdachte weet dat ook. Een detentie zou echter een zeer ongewenste doorkruising van de toekomstplannen zijn.

Verdachte’s moeder heeft verklaard dat ze erg geschrokken was toen ze hoorde dat haar zoon betrokken was bij een gewapende overval op de kapsalon waar ze zelf klant was. Ze kon niet geloven dat haar zoon hiertoe in staat was, en ook op school konden ze dit niet geloven. Het past niet bij de persoon van verdachte.

Ook thuis moet verdachte zich aan afspraken houden: zo mag hij maar drie keer per week naar buiten en moet hij op die dagen uiterlijk om negen uur ’s avonds binnen zijn. Zijn moeder herinnert hem er elke keer aan dat hij niet met verkeerde mensen om moet gaan en zich niet moet laten overhalen om verkeerde dingen te doen.

Verdachte heeft verklaard dat hij kritisch naar zichzelf heeft gekeken. Hij heeft ontzettend veel spijt van zijn daad en zou hemel en aarde willen bewegen om het terug te kunnen draaien. Hij ziet in dat hij verkeerde keuzes heeft gemaakt en neemt alle verantwoordelijkheid voor zijn daad. Hij ziet de jongens met wie hij de overval heeft gepleegd niet meer en neemt afstand van mensen die hem op het verkeerde pad zouden kunnen brengen. Hij is bereid om de schade te vergoeden en met de slachtoffers te komen tot herstelbemiddeling. Hij wil de opleiding tot sociaal begeleider volgen, omdat hij andere jongeren wil behoeden voor verkeerde keuzes. Hij heeft goed contact met de heer [reclasseringswerker] en werkt mee aan de begeleiding in het kader van ITB Harde Kern. Hij heeft het roer omgegooid en ziet een positieve toekomst voor zichzelf. Hij zou het erg jammer vinden als hij door detentie zou moeten stoppen met school.

Hoewel het hof op de eerste plaats oog heeft voor de ernst van het feit en de impact van het feit op de slachtoffers, wegen de volgende omstandigheden in het voordeel van verdachte mee bij de straftoemeting.

Verdachte bekent zijn rol bij de overval en heeft ook in hoger beroep oprecht zijn spijt betuigd. Hij neemt verantwoordelijkheid en is bereid alle schade van de slachtoffers te vergoeden. Hij staat open voor herstelbemiddeling. Het feit heeft ook voor verdachte’s familie grote gevolgen gehad. Verdachte heeft de eerste tijd van het voorarrest te maken gehad met beperkingen, waaronder een contactverbod. Hij heeft in totaal 68 dagen in een jeugdinrichting doorgebracht.

Verdachte is door de rechtbank, ondanks de ernst van het feit, snel geschorst uit de voorlopige hechtenis. Hij heeft ruim vijf maanden met een enkelband gelopen. Dat ook deze vorm van voorarrest een forse vrijheidsbeneming inhoudt, blijkt wel uit de ervaringen van verdachte. Zo heeft hij niet kunnen trainen terwijl hij op hoog niveau voetbalt. Sinds de schorsing volgt hij ITB Harde Kern, een traject met intensieve begeleiding en controle. Hij werkt hier goed aan mee en houdt zich aan alle afspraken. De jeugdreclassering heeft vertrouwen in verdachte. Het toekomstbeeld is positief: verdachte heeft school weer opgepakt en is erg gemotiveerd.

Het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht houdt in dat sancties en maatregelen er vooral op gericht zijn de ontwikkeling van de jeugdige te stimuleren, de jeugdige te ‘heropvoeden’, te resocialiseren en te weerhouden van het plegen van strafbare feiten. Daar tegenover staat dat het bij zeer ernstige misdrijven gepleegd door een jeugdige aan de samenleving en de slachtoffers niet valt uit te leggen als niet een van de zwaardere straffen zoals een jeugddetentie wordt opgelegd. Het hof kiest ervoor, alle hiervoor genoemde voors en tegens afwegende, verdachte toch niet opnieuw terug te sturen naar detentie in een jeugdinrichting. De verdachte heeft al een periode vast gezeten en hernieuwde detentie zou de ingezette positieve ontwikkeling op onwenselijke wijze doorkruisen. Wel zal het hof aanvullend nog een werkstraf opleggen, strenge begeleiding door de reclassering en de verplichting de aanzienlijke schade aan de slachtoffers te vergoeden.

Het hof acht oplegging van een jeugddetentie voor de duur van 180 dagen waarvan 112 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd voor de duur van twee jaren passend en geboden. Het hof zal daarbij dezelfde bijzondere voorwaarden opleggen als de rechtbank. Daarnaast zal het hof, rekening houdend met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, een werkstraf opleggen voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie. Een werkstraf draagt bij aan de resocialisatie van verdachte.

Beslag

Het in de zaak met parketnummer 16-080743-20 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van het hierna te noemen inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp. Het behoort de verdachte toe. Het zal daarom worden verbeurd verklaard.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 7.253,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.362,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd op de vordering te beslissen zoals de rechtbank heeft gedaan.

De verdediging heeft de vordering niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 16-080743-20 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag zoals is toegewezen door de rechtbank. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.902,31. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.402,31. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering geheel toe te wijzen, hoofdelijk, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerderd met de wettelijke rente.

De verdediging heeft ook deze vordering niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 16-080743-20 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag zoals toegewezen door de rechtbank. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.973,38. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 750,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-300021-19 tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36f, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-300021-19 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-080743-20 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 16-080743-20 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 112 (honderdtwaalf) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zijn medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht Toezicht en Begeleiding, waarvan hij de eerste 12 maanden van de proeftijd zal meewerken aan ITB Harde

Kern, uitgevoerd door de gecertificeerde instelling te weten [instelling] te Utrecht;

- zijn medewerking verleent aan een training wanneer dit door de jeugdreclassering wordt nodig geacht en zich houdt aan de aanwijzingen die de behandelaar hem

in het kader van die training geeft;

  • -

    op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , zolang het Openbaar Ministerie dit nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

  • -

    zich niet zal bevinden binnen een straal van een kilometer van de Kapsalon [kapsalon] , gelegen aan de [adres] , te Maarssen, zolang het Openbaar Ministerie dit nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit locatieverbod.

Aan de bijzondere voorwaarden zijn van rechtswege de volgende voorwaarden verbonden:

  • -

    dat de veroordeelde gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten Samen Veilig Midden-Nederland, locatie Utrecht, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen jeugddetentie.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1. STK Keukenmes (G2596644).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-080743-20 bewezenverklaarde tot het bedrag van

€ 3.362,00 (drieduizend driehonderdtweeënzestig euro) bestaande uit € 2.112,00 (tweeduizend honderdtwaalf euro) materiële schade en € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-080743-20 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.362,00 (drieduizend driehonderdtweeënzestig euro) bestaande uit € 2.112,00 (tweeduizend honderdtwaalf euro) materiële schade en € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 maart 2020.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-080743-20 bewezenverklaarde tot het bedrag van

€ 2.402,31 (tweeduizend vierhonderdtwee euro en eenendertig cent) bestaande uit

€ 402,31 (vierhonderdtwee euro en eenendertig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-080743-20 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.402,31 (tweeduizend vierhonderdtwee euro en eenendertig cent) bestaande uit € 402,31 (vierhonderdtwee euro en eenendertig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 maart 2020.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

De voorlopige hechtenis

Heft op het geschorste, tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,

mr. R.W. van Zuijlen en mr. R. Krijger, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. B.T.H. Toonen-Janssen, griffier,

en op 2 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 2 maart 2021.

Tegenwoordig:

mr. M. Keppels, voorzitter,

mr. R. Zwarts, advocaat-generaal,

mr. L.A.C. Veltman, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.