Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:1914

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
21-003214-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft een verdachte wegens poging tot doodslag en beschadiging van een hek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met reclasseringstoezicht. Het hof heeft tevens maatregelen opgelegd tot beperking van de vrijheid, inhoudende een gebiedsverbod en een contact verbod met het slachtoffer. Tot slot heeft het hof de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen.

De aanleiding van het incident was een langdurig juridisch conflict tussen verdachte en aangever, de eigenaar van een bedrijventerrein aan de adres in plaatsnaam, op welk terrein verdachte eerder zijn afvalinzamelingsbedrijf uitoefende. Op het moment dat verdachte zich met behulp van een snijbrander de toegang tot het met een ijzeren hek omheinde terrein wilde verschaffen, ontstond een confrontatie tussen verdachte en aangever. Verdachte heeft vervolgens meermalen, met kracht, met de snijbrander slaande bewegingen gemaakt in de richting van het hoofd en de hals van aangever, waarbij aangever in zijn hals is geraakt.

Het hof heeft de verweren van de raadsman, te weten vrijspraak, noodweer(exces) en putatief noodweer verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003214-20

Uitspraak d.d.: 2 maart 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 8 september 2020 met parketnummer 18-930120-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

thans verblijvende in P.I. [verblijfplaats] ,

[adres 1] te [plaats 1] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 februari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van 3 jaren en oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd voor de periode van drie jaren, inhoudende een locatieverbod voor [adres 2] in [plaats 2] , alsmede een contactverbod met [naam benadeelde partij] . Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 6.352,50, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. J. Boksem, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 8 september 2020 verdachte wegens 1) primair poging tot doodslag en 2) opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van drie jaren, met daaraan gekoppeld enkele bijzondere voorwaarden, alsmede de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een gebiedsverbod voor de locatie: [adres 2] te [plaats 2] . Tot slot heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 3.482,50, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na nadere omschrijving van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 17 december 2019 te [plaats 2] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een (tot kort daarvoor) brandende snijbrander slaande bewegingen heeft gemaakt in de richting van het hoofd en/of de hals, althans het lichaam, van die [naam benadeelde partij] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat


hij op of omstreeks 17 december 2019 te [plaats 2] , aan [naam benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een (tot kort daarvoor) brandende snijbrander slaande bewegingen te maken in de richting van het hoofd en/of de hals, althans het lichaam, van die [naam benadeelde partij] ;

2.
hij op of omstreeks 17 december 2019 te [plaats 2] , opzettelijk en wederrechtelijk een hek, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verweer raadsman

Ten aanzien van het onder feit 1 primair ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit. De raadsman heeft – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had om [naam benadeelde partij] van het leven te beroven. Volgens de raadsman is er geen sprake geweest van een aanmerkelijke kans op het overlijden van aangever, gelet op de aard van het letsel, het gehanteerde voorwerp (een snijbrander), alsmede het feit dat deze snijbrander niet meer aan stond en de manier waarop door verdachte is geslagen met deze snijbrander. Indien het hof van oordeel is dat er wel sprake was van een aanmerkelijke kans op het overlijden van aangever, dan kan niet bewezen worden dat verdachte deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit. De vernieling van het hek kan volgens de raadsman niet bewezen worden. Verdachte heeft slechts de metalen plaat waarmee het hek was afgesloten verwijderd. Het hek zelf is onbeschadigd gebleven, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken.

Het hof oordeelt als volgt.

Uit de inhoud van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte meermalen, met kracht, met een snijbrander heeft uitgehaald en slaande bewegingen heeft gemaakt in de richting van het hoofd en de hals van aangever [naam benadeelde partij] . Hierbij is [naam benadeelde partij] is zijn hals geraakt en hij heeft daarbij letsel bekomen. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte de snijbrander - die kort daarvoor nog gebrand heeft - met twee handen aan het uiteinde vasthoudt, waarbij hij het uiteinde van de snijbrander boven zijn hoofd heeft. Vanuit deze positie maakt verdachte een neerslaande c.q. houwende beweging, waarbij de snijbrander op de onderkant van de linkerzijde van het gezicht van aangever landt. Aansluitend op de eerste twee slagen haalt verdachte een derde keer uit. Voor het toedienen van deze derde slag beweegt verdachte de snijbrander in beide handen eerst naar achteren om vervolgens in één beweging naar voren richting aangever uit te halen. De betreffende snijbrander heeft een lengte van 1 meter en weegt 2079 gram. Hij bestaat uit een koperen handvat, twee ijzeren buizen en aan het uiteinde bevindt zich de metalen brander.

Uit het strafdossier volgt niet dat verdachte zogenoemd ‘vol’ opzet had op de dood van aangever. De vraag is vervolgens of verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van aangever. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop heeft toegenomen).

De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Het hof is van oordeel dat de gedragingen van verdachte, in het bijzonder het maken van een houwende beweging van boven naar beneden in de richting van het hoofd en de hals van aangever met de hiervoor omschreven snijbrander, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van aangever dat het behoudens aanwijzingen voor het tegendeel niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op het overlijden van aangever heeft aanvaard.

Daarbij overweegt het hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat zich in de regio van het hoofd en de hals vitale structuren en bloedvaten bevinden, die door een klap met een snijbrander zodanig beschadigd kunnen worden dat aangever daaraan zou kunnen overlijden.

Door te handelen als verdachte heeft gedaan heeft hij die aanmerkelijke kans aanvaard en op de koop toegenomen. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken. Dat er uiteindelijk geen dodelijk letsel in de hals is ontstaan doet aan het bewijs van het voorwaardelijk opzet op het gevolg niet af.

Voorts overweegt het hof dat op de beelden is te zien dat verdachte meermalen met de snijbrander heeft uitgehaald in de richting aangever. Tussen de diverse uithalen lag voldoende tijd waarin verdachte zich bewust moet zijn geweest van zijn handelen en de mogelijke gevolgen daarvan.

Het hof acht bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Het onder feit 2 ten laste gelegde, het opzettelijk en wederrechtelijk beschadigen van het hek, acht het hof eveneens wettig en overtuigend bewezen.

Nu aangever, de eigenaar van het hek, heeft verklaard dat het betreffende hek was dichtgelast met twee ijzeren balkjes en diverse bouten is het hof van oordeel dat deze ijzeren balkjes en bouten onderdeel zijn geworden van het hek. Verdachte heeft bekend dat hij deze bouten met de snijbrander heeft doorgebrand, zodat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beschadiging van het hek.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 17 december 2019 te [plaats 2] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, met kracht, met een kort daarvoor brandende snijbrander slaande bewegingen heeft gemaakt in de richting van het hoofd en de hals van die [naam benadeelde partij] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op 17 december 2019 te [plaats 2] , opzettelijk en wederrechtelijk een hek, toebehorende aan [naam benadeelde partij] , heeft beschadigd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft aangevoerd dat bij verdachte sprake was van noodweer dan wel noodweerexces. Volgens de raadsman werd verdachte onverhoeds van achteren aangevallen waardoor er van de kant van verdachte sprake was van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke aanranding. Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat er sprake was van putatief noodweer. Volgens de raadsman was verdachte in de veronderstelling dat hij van achteren met een hamer (of een ander slagwapen) werd aangevallen en voelde hij zich genoodzaakt om zich tegen dat plotselinge onverhoedse geweld te verdedigen. Omdat verdachte van achteren werd aangevallen, ontbrak hem de mogelijkheid om de situatie anders in te schatten. Onmiddellijk handelen was geboden en dat heeft hij gedaan.

Oordeel hof

Aan het tenlastegelegde is een geschiedenis van procedures en conflicten omtrent de toegang van verdachte tot het terrein van aangever [naam benadeelde partij] voorafgegaan. Een dag eerder, op 16 december 2019, is verdachte daarvoor ook op het politiebureau geweest. Verdachte wist dat aangever - de eigenaar van het terrein - hem niet op het terrein wilde hebben en daarom het hek had gebarricadeerd. Desondanks is verdachte op 17 december 2019 naar het terrein toegegaan om aldaar het hek met een snijbrander te openen. Daarmee heeft verdachte welbewust de confrontatie met aangever opgezocht en kon hij een reactie van aangever, die de vernieling van zijn hek wilde doen stoppen, verwachten. Ter terechtzitting van het hof zijn de beelden van het incident bij het hek getoond. Uit deze beelden volgt niet dat verdachte onverhoeds van achteren werd aangevallen. Te zien is dat verdachte bezig is om met behulp van een snijbrander het hek los te maken en dat aangever naar hem toe komt rennen. Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat aangever al roepend op hem kwam afrennen. Op de beelden is te zien dat verdachte zich op het moment van de confrontatie al heeft omgedraaid in de richting van aangever. Op het moment dat de beide mannen tegenover elkaar staan haalt verdachte uit met de snijbrander en slaat hiermee in de richting van het hoofd en de hals van aangever.

Het vorenstaande brengt mee dat het verweer dat verdachte onverhoeds van achteren werd aangevallen feitelijke grondslag mist en dat er dus er geen sprake was of is geweest van een situatie waarin verdachte zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. In het verlengde hiervan kan ook een beroep op noodweerexces niet slagen. Het beroep op noodweer(exces) faalt derhalve.

Naar het oordeel van het hof is gelet op de hierboven geschetste gang van zaken evenmin aannemelijk geworden dat sprake was van feiten en omstandigheden op grond waarvan de verdachte redelijkerwijs in de veronderstelling kon en mocht verkeren dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.

Nu het beroep op putatief noodweer eveneens feitelijke grondslag mist, dient het te worden verworpen.

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden ook overigens niet aanwezig geacht.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en beschadiging van een hek. De aanleiding van het incident was een langdurig juridisch conflict tussen verdachte en aangever, de eigenaar van een bedrijventerrein aan [adres 2] in [plaats 2] , op welk terrein verdachte eerder zijn afvalinzamelingsbedrijf uitoefende. Op 17 december 2019 wilde verdachte het betreffende bedrijventerrein betreden. Op het moment dat verdachte zich met behulp van een snijbrander de toegang tot het met een ijzeren hek omheinde terrein wilde verschaffen, ontstond een confrontatie tussen verdachte en aangever. Verdachte heeft vervolgens meermalen, met kracht, met de snijbrander slaande bewegingen gemaakt in de richting van het hoofd en de hals van aangever, waarbij aangever in zijn hals is geraakt.

Dit is een zeer ernstig feit, dat fataal voor aangever had kunnen aflopen. Dat dit niet is gebeurd is een gelukkige toevalligheid en niet aan verdachte te danken. Verdachte heeft door zijn handelen op een grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever.

Het toegepaste geweld heeft een grote impact gehad op aangever, hetgeen behalve uit de aangifte tevens blijkt uit de toelichting bij de vordering tot schadevergoeding. Een delict als het onderhavige veroorzaakt bovendien veel maatschappelijke onrust.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 19 januari 2021. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens strafbare feiten, waaronder in 2016 wegens gekwalificeerde mishandeling en wegens bedreiging.

Het hof heeft voorts bij de strafoplegging gelet op hetgeen verdachte en zijn raadsman ter zitting naar voren hebben gebracht en hetgeen blijkt uit de over de persoon van verdachte opgemaakte rapportages, waaronder het verslag d.d. 30 maart 2020 van het psychologisch onderzoek dat is verricht door psycholoog [naam psycholoog] en van de rapporten van de Reclassering d.d. 22 mei 2020 en 23 november 2020.

Uit het rapport van psycholoog [naam psycholoog] blijkt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven: Door het ontbreken van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, psychogeriatrische aandoening en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, kan er geen sprake zijn van een vermindering van de toerekeningsvatbaarheid. Echter, er zijn enkele gedragskenmerken te duiden die redengevend zijn voor zijn gedrag ten tijde van het hem tenlastegelegde. Verdachte is een weinig flexibele man die moeite heeft met het herkennen en uiten van emoties en gevoelens. Emoties kunnen hem onverwachts overspoelen en in tijden van spanning en/of frustratie aanleiding zijn voor acting-out gedrag. verdachte is gebaat bij meer inzicht in zijn gedrag, mede omdat deze gedragskenmerken aanleiding kunnen zijn voor toekomstig delictgedrag. Vanuit forensisch oogpunt is, teneinde de kans op herhaling te minimaliseren, behandeling van de geconstateerde tekorten aangewezen.

Het hof is alles afwegende van oordeel dat de straf zoals geëist door de advocaat-generaal, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, passend en geboden is. Deze straf met de daaraan verbonden proeftijd van drie jaren dient eveneens als stok achter de deur, om te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Gezien het feit dat de civiele procedure tussen verdachte en aangever nog loopt, zal het hof conform de eis van de advocaat-generaal en het advies van de reclassering d.d. 23 november 2020 aan verdachte vrijheidsbeperkende maatregelen, inhoudende een contactverbod met aangever en een gebiedsverbod voor het gebied [adres 2] te [plaats 2] opleggen. Het hof bepaalt voorts dat telkens wanneer niet aan de maatregel wordt voldaan, vervangende hechtenis voor de duur van twee weken zal worden toegepast, met dien verstande dat de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 13.500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.482,50. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 3.482,50. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op € 720,00 en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich uiterlijk vijf dagen na zijn detentie meldt bij Reclassering Nederland, [adres 3] te [plaats 3] (telefoonnummer: [nummer] ), en dat bij zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

2. dat de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft;

3. dat de veroordeelde zich ambulant laat behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd, althans zolang als de reclassering het nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren zich niet zal ophouden in het navolgende gebied: [adres 2] te [plaats 2] . Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [naam benadeelde partij] , geboren d.d. [geboortedatum] . Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Bepaalt dat uit hoofde van deze maatregel maximaal zes maanden vervangende hechtenis kan worden toegepast.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij] ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.482,50 (drieduizend vierhonderdtweeëntachtig euro en vijftig cent) bestaande uit € 1.482,50 (duizend vierhonderdtweeëntachtig euro en vijftig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 720,00 (zevenhonderdtwintig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij] , ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.482,50 (drieduizend vierhonderdtweeëntachtig euro en vijftig cent) bestaande uit € 1.482,50 (duizend vierhonderdtweeëntachtig euro en vijftig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 44 (vierenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 17 december 2019.

Aldus gewezen door

mr. A.J. Rietveld, voorzitter,

mr. J. Hielkema en mr. M.B. de Wit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Pool, griffier,

en op 2 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Rietveld en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.