Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:1912

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
09-03-2021
Zaaknummer
21-002715-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen.

Financieel voordeel niet bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002715-19

Uitspraak d.d.: 3 maart 2021

TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 2 mei 2019 met parketnummer 16-260628-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 februari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot afwijzing van de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en zijn raadsvrouw, mr. B. Molleman, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De betrokkene is bij arrest van dit hof van 3 maart 2021, parketnummer

21-002716-19 ter zake van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod (het aanwezig hebben van hennep) veroordeeld tot straf.

Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is niet gebleken dat betrokkene uit het bewezen verklaarde handelen dan wel uit andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan, financieel voordeel heeft genoten.

De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet daarom worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Aldus gewezen door

mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter,

mr. W. Foppen en mr. G.A. Versteeg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G.G. Eisma, griffier,

en op 3 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.