Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:1909

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
04-03-2021
Zaaknummer
21-001854-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld ter zake van mishandeling van een agent van politie tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. Het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van onrechtmatig politieoptreden en dat verbalisanten in de rechtmatige uitoefening van hun bediening hebben gehandeld.

Schending van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zijn niet aannemelijk geworden.

Het hof ziet onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de ingevolge de ambtsinstructie geldende afstandsregel voor de inzet van pepperspray in dit geval niet is nageleefd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001854-19

Uitspraak d.d.: 3 maart 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 22 maart 2019 met parketnummer 18-107512-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis (onbeperkt) hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft bij akte van 16 februari 2021 het hoger beroep ter zake van feit 1 ingetrokken, waarbij het hoger beroep ter zake van feit 2 is gehandhaafd.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 februari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot vrijspraak van hetgeen aan verdachte onder 2 primair en 2 subsidiair is tenlastegelegd en veroordeling van verdachte ten aanzien van hetgeen onder 2 meer subsidiair ten laste is gelegd tot een gevangenisstraf voor de duur van 31 dagen waarvan 29 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 70 uur te vervangen door 35 dagen hechtenis. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] kan volgens de advocaat-generaal geheel worden toegewezen, met vergoeding van wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.B. Pieters, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland op 22 maart 2019 veroordeeld ter zake het hem onder 1 tenlastegelegde (tot een taakstraf van 20 uur) en vrijgesproken ter zake van hetgeen hem onder 2 primair, 2 subsidiair en 2 meer subsidiair is tenlastegelegd.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

2 primair
hij op of omstreeks 29 maart 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] , aan [benadeelde partij] , op dat moment werkzaam als aspirant van de politie-eenheid Noord-Nederland, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een forse scheurwond aan de linkeroorschelp

(met grote kans op littekenvorming en/of vervorming van de oorschelp), heeft toegebracht door deze (hard) tegen het gezicht en/of het (linker)oor te schoppen en/of te trappen en/of met zijn elleboog tegen het gezicht en/of tegen het (linker)oor te stompen en/of te slaan (zgn. "hoeken");

2 subsidiair
hij op of omstreeks 29 maart 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] , [benadeelde partij] , op dat moment werkzaam als aspirant van de politie eenheid Noord-Nederland heeft mishandeld door deze (hard) tegen het gezicht en/of (linker) oor te schoppen en/of te trappen en/of te stompen en/of te slaan (zgn. "hoeken"), zich niet laten boeien en/of zijn spieren aan te spannen en/of op te willen staan en/of los te willen komen en/of in worsteling te gaan met [benadeelde partij] , terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een forse scheurwond aan de linkeroorschelp (met grote kans op littekenvorming en/of vervorming van de oorschelp) ten gevolge heeft gehad;

2 meer subsidiair
hij op of omstreeks 29 maart 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] , zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [benadeelde partij] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten bezig met de aanhouding van verdachte, door die [benadeelde partij] (hard) tegen het gezicht en/of het (linker)oor te schoppen en/of te trappen en/of te stompen en/of te slaan (zgn. "hoeken"), zich niet te laten boeien en/of zijn spieren aan te spannen en/of op te willen staan en/of los te willen komen en/of in worsteling te gaan met [benadeelde partij] , terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een forse scheurwond aan de linkeroorschelp bij die [benadeelde partij] ten gevolge heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bij de beoordeling van de zaak gaat het hof uit van de volgende, uit de bewijsmiddelen blijkende, gang van zaken.

Verdachte is staande gehouden na opvallend rijgedrag met zijn auto. Verbalisant [verbalisant1] heeft hem meermalen gevorderd zijn rijbewijs ter inzage te geven. Verdachte voldeed daar niet aan en liet zich verbaal meteen nadrukkelijk gelden. Verdachte heeft daarbij op enig moment uitgehaald in de richting van verbalisant [verbalisant1] die die uithaal kon ontwijken. Nadat verbalisant [verbalisant1] verdachte een trap had gegeven om hem van zich af te houden, kwam verdachte opnieuw op verbalisant [verbalisant1] af. De duw die verbalisant [benadeelde partij] verdachte daarop uitdeelde, had geen effect. Verdachte kwam opnieuw op verbalisant [verbalisant1] af. Daarop heeft verbalisant [verbalisant1] pepperspray gebruikt en heeft hij verdachte in diens gezicht gespoten. Verdachte onttrok zich daarop aan zijn aanhouding door weg te rennen. Verbalisant [benadeelde partij] heeft verdachte ook nog gepepperd tijdens dit wegrennen.

Verbalisanten zijn verdachte te voet achternagegaan. Op enig moment heeft verdachte zich richting verbalisant [verbalisant1] omgedraaid, is dreigend op hem afgekomen en heeft gezegd: “Kom op dan, dan gaan we 1 op 1”. Verbalisant [verbalisant1] heeft toen opnieuw zijn pepperspray gebruikt. Verbalisant [benadeelde partij] heeft dit op afstand waargenomen. Verdachte heeft zich toen opnieuw uit de voeten gemaakt.

Verbalisant [verbalisant1] heeft het operationeel centrum toen op de hoogte gebracht van het feit dat zij een verdachte hadden die zich aan zijn aanhouding onttrok. Daarop heeft het operationeel centrum versterking ter plaatse gestuurd.

Vervolgens zien verbalisanten verdachte ter hoogte van perceel [adres] naar hen toelopen. Verdachte maakt zich groot en zegt: ‘Kom maar op.’

Verbalisant [verbalisant1] heeft verdachte daarop gezegd te blijven staan en dat hij was aangehouden. Verdachte is weggerend en verbalisanten zijn achter hem aangegaan, naar de achtertuin van perceel [adres] (het erf van verdachtes ouders). Daar is verdachte dreigend op verbalisanten afgekomen, waarop zij opnieuw hun pepperspray hebben gebruikt. Verbalisant [verbalisant1] heeft toen gezegd dat verdachte op zijn knieën moest gaan zitten. Verdachte voldeed daaraan.

Verbalisanten pakten beiden een arm van verdachte en zeiden dat verdachte rustig moest meewerken omdat hij was aangehouden. Verdachte begon echter te brommen, spande zijn spieren aan, verzette zich en probeerde los te komen. Daarop heeft verbalisant [benadeelde partij] een nekklem aangelegd.

De ook op het erf aanwezige vader van verdachte probeerde verdachte vervolgens te ontzetten door verbalisant [benadeelde partij] van verdachte af te trekken. Verbalisant [verbalisant1] heeft de vader van verdachte losgetrokken doch die bemoeide zich vervolgens opnieuw met hetgeen zich tussen verdachte en verbalisant [benadeelde partij] afspeelde.

Verdachte weet vervolgens los te komen uit de greep van verbalisant [benadeelde partij] , die op zijn rug op de grond terecht gekomen was, komt overeind en zegt: ‘Nu ben jij aan de beurt, nu krijg jij er een’ en gaat richting verbalisant [benadeelde partij] . Verbalisant [benadeelde partij] beschrijft dat hij gelijk daarna een trap tegen de linkerzijde van zijn gezicht voelde en een behoorlijke pijn aan de linkerzijde van zijn gezicht en zijn linkeroor voelde.

Aan het einde van deze worsteling tussen verdachte, diens vader en verbalisant [benadeelde partij] heeft verbalisant [verbalisant1] een of meer trappen tegen het lijf van verdachte gegeven en heeft hij hem met zijn wapenstok geslagen.

Verbalisant [benadeelde partij] heeft naar aanleiding van de worsteling letsel opgelopen: een forse scheurwond in zijn linker oorschelp (enkele centimeters, door en door, inclusief het kraakbeen) en een opgezette linkerwang.

De raadsvrouw heeft bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde en heeft hiertoe aangevoerd – kort en zakelijk weergegeven – dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het bij verbalisant [benadeelde partij] vastgestelde letsel door verdachte is veroorzaakt en dat, zo dit wel het geval mocht zijn, het letsel veroorzakend handelen van verdachte heeft plaatsgehad in het kader van verdediging tegen onrechtmatig politieoptreden. Ter toelichting van het laatste heeft de raadsvrouw gesteld dat het handelen van politieambtenaren [benadeelde partij] en [verbalisant1] niet voldeed aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Politieambtenaar [benadeelde partij] heeft verdachte, terwijl deze zelf al op zijn knieën was gaan zitten, in een nekklem genomen en politieambtenaar [verbalisant1] heeft verdachte in die situatie een aantal malen geschopt. Toen verdachte niet meer in de nekklem zat is hij door politieambtenaar [verbalisant1] geslagen met de wapenstok.

Behalve politieambtenaar [benadeelde partij] zijn ook verdachte en zijn vader gewond geraakt.

De nekklem heeft overduidelijke verwondingen achtergelaten bij verdachte.

Voorts is door de raadsvrouw aangevoerd dat het pepperen van verdachte, voorafgaand aan het incident in de tuin van de ouders van verdachte, niet is gebeurd in overeenstemming met de geweldsinstructie. Er is niet gewaarschuwd en de afstand was veel te kort. Of het pepperen gerechtvaardigd werd door de veronderstelde aanval van verdachte is zeer de vraag.

De geweldsinstructie is wederom niet in acht genomen ten aanzien van het gebruik van pepperspray voorafgaand aan het op de knieën gaan van verdachte. Verdachte benaderde de politieambtenaren niet gewelddadig, zijn vader stond in de buurt, er is geen waarschuwing gegeven en er is geen rekening mee gehouden dat een omstander ook geraakt zou kunnen worden met de pepperspray.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van de hierna te vermelden wettig bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat het bij verbalisant [benadeelde partij] vastgestelde letsel is veroorzaakt doordat verdachte [benadeelde partij] een klap/trap tegens diens hoofd heeft gegeven.

Het hof begrijpt het door/namens verdachte gevoerde verweer strekkend tot vrijspraak voorts aldus dat, waar het de in deze aan de orde zijnde verdenking ter zake van mishandeling betreft, verdachte niet wederrechtelijk heeft gehandeld door verbalisant [benadeelde partij] een klap/trap tegen diens hoofd te geven, daar hij gerechtigd was zich – aldus – te verdedigen tegen de jegens hem onrechtmatig optredende politieambtenaren.

Nog afgezien van de vraag of het toedienen van een klap/trap aan een op de grond liggende verbalisant gerechtvaardigd zou kunnen worden door het feit dat die verbalisant daaraan voorafgaand met overschrijding van de hem in het kader van aanhouding toekomende bevoegdheden tot geweldsuitoefening heeft gehandeld, is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van onrechtmatig politieoptreden.

Bij die beoordeling neemt het hof, naast de toentertijd geldende Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren, tevens in aanmerking artikel 7 van de Politiewet 2012, en meer in het bijzonder lid 1 en lid 5 zoals deze destijds luidden:

1. De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld of vrijheidsbeperkende middelen te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.

5 De uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn.

De kern van deze regelgeving bestaat erin dat de wetgever streeft naar handhaving van het wettelijk gezag en minimalisering van de daartoe benodigde geweldsuitoefening, zowel qua intensiteit als qua aard/middel. Laatstbedoeld streven pleegt aldus te worden verwoord dat dient te worden voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De voorliggende vraag is of het door de verbalisanten [benadeelde partij] en [verbalisant1] in dit geval toegepaste geweld bij de aanhouding van verdachte, die op wettelijke gronden plaatsvond, al dan niet in strijd met voornoemde beginselen heeft plaatsgehad.

Voor wat betreft het aanleggen van de nekklem geldt dat verdachte zich, ondanks dat hem door verbalisanten te verstaan was gegeven dat hij was aangehouden en rustig moest meewerken, krachtig verzette. De inzet van pepperspray – direct daaraan voorafgaand – bracht hem kennelijk (nog) niet op andere gedachten. Tegen die achtergrond en in aanmerking genomen dat verdachte zich sinds zijn staande houding en de achtervolging daarna, waarbij eveneens pepperspray was ingezet, en gegeven de tumultueuze toestand op het erf bij verdachtes ouders, ziet het hof geen aanleiding het aanleggen van de nekklem door verbalisant [benadeelde partij] als strijdig met de beginselen van proportionaliteit of subsidiariteit aan te merken. Het hof merkt daarbij op dat de ene nekklem de andere nekklem niet is – aard en intensiteit kunnen wezenlijk verschillen. Daarbij kan worden gedacht aan het uitvoeren van een nekklem om iemand (op gecontroleerde wijze) onder controle te brengen/houden versus een nekklem om iemand uit te schakelen. Op de hierna te bespreken beelden is de jegens verdachte uitgevoerde nekklem waar te nemen. Het hof stelt vast dat van een nekklem in laatstbedoelde zin op geen enkele wijze is gebleken en dat de beelden wijzen op een nekklem in eerstbedoelde zin. Schending van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit is in dat verband niet aannemelijk geworden.

Ook het slaan met de wapenstok en het trappen door verbalisant [verbalisant1] teneinde verbalisant [benadeelde partij] te ontzetten valt naar het oordeel van het hof binnen diezelfde context en levert onder de gegeven omstandigheden evenmin schending op van voornoemde beginselen.

Ten aanzien van het gebruik van de pepperspray direct voorafgaand aan de aanhouding op het erf van verdachtes ouders is het hof van oordeel dat ook daarvan niet kan worden gezegd dat het gebruik onrechtmatig is geweest. Tegen verdachte was gezegd dat hij was aangehouden, hij heeft duidelijk gemaakt niet van plan te zijn daaraan mee te werken, heeft zich confrontatie zoekend opgesteld en is daarbij op verbalisanten afgekomen. Ook hier geldt weer dat daarbij niet uit het oog kan worden gelaten de manier waarop verdachte zich direct na zijn staande houding al heeft opgesteld. Ten aanzien van de inzet van pepperspray rondom die staande houding kan naar het oordeel van het hof overigens niet worden gezegd dat dit buitenproportioneel is geweest nu dit middel eerst is ingezet nadat verdachte duidelijk had gemaakt niet mee te werken en dat ook in gebaar – hij haalde uit naar verbalisant [verbalisant1] – in woord – ‘kom maar op, 1 op 1’- en door het hazenpad te kiezen, liet blijken.

Voor zover door de raadsvrouw is betoogd dat in strijd met de ambtsinstructie niet is gewaarschuwd voordat pepperspray gebruikt zou worden, overweegt het hof dat uit de door beide verbalisanten beschreven situaties op het erf en rondom de staande houding voldoende blijkt dat er door de reactie van verdachte voor een voorafgaande waarschuwing geen tijd was. Het hof ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd c.q. is gebleken voorts onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de ingevolge de ambtsinstructie geldende afstandsregel voor de inzet van pepperspray in dit geval niet is nageleefd.

Het hof verwerpt daarom de verweren van de verdediging, is van oordeel dat verbalisanten [benadeelde partij] en [verbalisant1] in de rechtmatige uitoefening van hun bediening hebben gehandeld, dat de door verdachte aan verbalisant [benadeelde partij] gegeven klap/trap geen enkele rechtvaardiging vindt in het politieoptreden en dat de door verdachte gepleegde mishandeling dus ‘wederrechtelijk’ was.

Door het hof gebezigde bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde

1. Een in de wettelijk vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt

proces-verbaal van aangifte nr. PL0100-2018075624-1 d.d. 29 maart 2018, pagina 27 van

het eindproces-verbaal PL0100-2018081578 Z, inhoudende onder meer:

als verklaring van [benadeelde partij]

Op donderdag 29 maart 2018 vorderde mijn collega het rijbewijs van de bestuurder van een Seat personenauto. De bestuurder rende weg. Uit controle in ons politiesysteem bleek voornoemde Seat op naam te staan van [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] .

Ik zag dat verdachte in de richting van een woningblok rende.

Ik zag ineens dat verdachte achter het huizenblok kwam. Ik zag dat hij naar ons toe kwam lopen, Ik zag dat hij zich groot maakte en ons provoceerde.

Wij zeiden dat verdachte was aangehouden. Wij zeiden dat verdachte op zijn knieën moest. Wij zagen dat verdachte niet meewerkte. Verdachte rende weg richting het huizenblok waar hij vandaan kwam, de tuin in van de [adres] .

In de tuin zag ik een worsteling tussen [verbalisant1] en verdachte. Ze belandden op de grond. Op het moment dat [verbalisant1] weer los was, heb ik verdachte bij de nek gepakt en naar de grond gewerkt. Ik zag dat verdachte op zijn buik lag en ik had mijn armen om zijn nek om hem onder controle te brengen. Verdachte was volledig door het lint. Ik lag op dat moment boven op hem.

Ik voelde dat ik van verdachte werd afgetrokken door de man die achter mij stond. Ik kwam op mijn rug te liggen en hoorde verdachte zeggen: ‘Nu ben jij aan de beurt, nu krijg je er een.’ Ik voelde een trap tegen mijn gezicht en mijn linkeroor.

Ik voelde een behoorlijke pijn aan de linkerzijde van mijn gezicht en mijn linkeroor.

Toen ik naar het dienstvoertuig liep, hoorde ik dat verdachte aan mij vroeg: ‘Heb ik dat gedaan?’ Ik zei dat hij dat had gedaan toen ik op de grond lag. Ik hoorde dat hij zei: ‘Ja, dat krijg je ervan als je met mij vecht, dit keer heb je verloren.’

In het ziekenhuis bleek dat ik een scheurtje in mijn linkeroor had. Ik heb meerdere hechtingen in mijn oor. Ik heb veel pijn aan mijn oor en mijn linkerkaak. Mijn kaak is ook opgezwollen. Ik heb antibiotica gekregen voor 10 dagen. Ik moet alles goed koelen en mijn oor in de gaten houden.

2. Een schriftelijk stuk, te weten een geneeskundige verklaring opgemaakt door G.A. Luten-

van Overbeeke, huisarts d.d. 11 april 2018, pagina 35c van het eindproces-verbaal onder 1 genoemd, inhoudende:

Medische informatie betreffende

[benadeelde partij]

Omschrijving letsel

Uitwendig waargenomen letsel:

Linkerwang wat opgezet, geen tekenen van een breuk in het gelaat, flink bloedende linkeroorschelp door forse scheurwond vanaf de bovenzijde van de oorschelp, enkele centimeters doorlopend naar beneden, door en door, inclusief kraakbeen.

Matig uitwendig bloedverlies.

Behandeling

Wonden gereinigd

Scheurnaad linkeroorschelp gehecht na verdoving

Overig

Grote kans op littekenvorming/vervorming oorschelp

Geschatte duur genezing

Enkele weken

3. Een in de wettelijk vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt

proces-verbaal van bevindingen nr. PL0100-2018075624-7 d.d. 29 maart 2018, pagina 36 van het eindproces-verbaal PL0100-2018081578 Z, inhoudende onder meer:

als verklaring van [verbalisant1] :

Op 29 maart 2018 was ik samen met collega [benadeelde partij] , aspirant van politie, aan de | [adres] te [plaats] belast met noodhulpsurveillance.

Ik heb het rijbewijs van verdachte ter inzage gevorderd. Verdachte weigerde. Verdachte wilde naar mij uithalen en daarop heb ik hem om een klap te voorkomen met mijn linkerbeen een duw gegeven. Toen hij weer op mij afkwam heb ik de pepperspray gepakt. Verdachte stond op ongeveer anderhalve meter afstand.

Verdachte ging er vandoor in de richting van perceel [adres] .

Kort daarna zagen wij verdachte vanuit de richting van het perceel naar ons toelopen.

Ik zei dat hij was aangehouden en moest blijven staan.

Verdachte wilde de woning in. Omdat ik dat niet wilde, rende hij weg.

Ik ben samen met collega [benadeelde partij] achter hem aangerend. Naast de woning stond een man die later de vader, [naam] , van verdachte bleek te zijn.

Verdachte riep agressief dingen in mijn richting.

Ik sommeerde verdachte op zijn knieën te gaan zitten. Dit deed verdachte.

Ik heb verdachte bij zijn rechterarm gepakt en ik zag dat [benadeelde partij] zijn linkerarm pakte.

Collega [benadeelde partij] zei tegen verdachte dat hij zijn armen moest spreiden.

Ik hoorde dat [verdachte] begon te brommen en ik voelde dat hij probeerde op te staan. Ik voelde dat hij zijn spieren aanspande en probeerde los te komen. Ik zag dat [verdachte] bijna loskwam, maar zag vervolgens dat [benadeelde partij] een klem om de nek van [verdachte] legde en hem daarmee naar de grond werkte. Ik zag dat [benadeelde partij] met [verdachte] op de grond lag, tegen de

achtergevel van de woning aan. Ik zag dat de vader van [verdachte] probeerde om [verdachte] los te maken. Ik zag dat de vader van [verdachte] [benadeelde partij] van achter vast pakte. Hierop heb ik geprobeerd de vader van [verdachte] los te trekken. Ik zag dat hij loskwam en dat hij met mij meebewoog achteruit.

Ik ben weer naar collega [benadeelde partij] gegaan die op dat moment op de grond lag met [verdachte] . Ik zag dat de vader van [verdachte] zich weer begon te bemoeien en ook op de grond bij collega [benadeelde partij] kwam.

Ik zag dat [verdachte] , welke ik kon onderscheiden aan zijn grijze vest, met zijn rechterarm hoekte op de plek waar het hoofd van collega [benadeelde partij] moest zitten.

Ik had het gevoel dat [benadeelde partij] klem zat en dat hij zwaar zou worden mishandeld.

Ik zag dat [benadeelde partij] en vader en zoon [verdachte] op een bepaald moment loskwamen.

Toen ik [benadeelde partij] op zag staan, zag ik dat hij veel bloed aan zijn gezicht en op zijn gele fluoriderende vest had zitten. Ik, verbalisant, zag dat dit bloed bij collega [benadeelde partij] ter hoogte van zijn linkeroor zat.

4. Een in de wettelijk vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt

proces-verbaal van verhoor nr. PL0100-2018075624-15 d.d. 30 maart 2018, pagina 54 van het eindproces-verbaal PL0100-2018081578 Z, inhoudende onder meer:

als verklaring van verdachte:

Op 29 maart 2018 werd mijn rijbewijs gevorderd. Ik gaf dat niet. Ik ben er vandoor gegaan. Ik rende naar het huis van mijn ouders.

Ik riep naar de agenten dat ze moesten komen om te praten.

Een van de agenten zei dat ik op de buik op de grond moest liggen.

De kleinere agent sommeert mij om op mijn knieën te gaan zitten. Dat doe ik. De lange sommeert mij op mijn buik te gaan liggen.

De kleinere agent is achter mij gaan zitten en heeft zijn arm om mijn nek geslagen.

Toen ik mij probeerde los te maken omdat ik geen lucht kreeg, zei de agent dat hij mij los zou laten. Hij had zijn arm slap. Ik zag dat hij met mijn vader in gevecht was.

Ik heb geprobeerd die kleinere agent bij mijn vader weg te trekken. Hij lag onder mijn vader.

Ik heb de kleinere agent excuses aangeboden als hij dacht dat ik hem letsel had toegebracht.

5. Een in de wettelijk vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt

proces-verbaal van aangifte nr. IOONN180027 met als bijlage een cd-rom met filmopnamen, d.d. 9 juli 2018, inhoudende onder meer:

als verklaring van verbalisant [verbalisant2] :

Op 7 mei 2018 werd door mij een aangifte opgenomen van [verdachte] .

[verdachte] liet mij tijdens de aangifte twee bestanden zien die hij op zijn telefoon had staan.

1. VID-20180331-WA0002 video 1.mp4, 42 seconden.

De smartphone waarmee de opname is gemaakt is aan het begin in zijdelingse positie gehouden en de beelden worden ook zijdelings getoond. Op een bepaald moment wordt de smartphone “rechtop" gehouden.

Het betreft een video-opname, die kennelijk is gemaakt door een buurtbewoner die zich ophield aan de zijde van de openbare weg. De beelden geven een fragment weer van het conflict tussen twee politiemedewerkers en aangever [verdachte] en zijn vader (getuige [naam] ).

In de beschrijving van de beelden worden de personen als volgt aangeduid:

“lange" politieman

“kleine politieman

Aangever, [verdachte]

Vader, [naam]

Moeder.

De opname start met het tonen van een toegangspad tot de tuin met groene bosschages aan de zijkant. Direct daarop is te zien dat een “lange” politiemedewerker in uniform, een schoppende beweging met zijn rechterbeen maakt. Voor hem staat de vader die met zijn armen bewegingen maakt kennelijk om te proberen iets bij een tweetal gedaan te krijgen dat op de grond ligt en kennelijk met elkaar in gevecht is. Het lijkt erop dat een van deze zich op de grond bevindende personen een “kleine" politieman is die de aangever onder controle probeert te krijgen. Die handelingen spelen zich grotendeels buiten het zicht af want de filmer bevindt zich op het toegangspad en de schermutselingen spelen zich deels achter de woning af.

De vader wendt zich daarna tot de lange politieman die vlak daarvoor de schoppende beweging maakte. De vader probeert kennelijk met zijn armen de politieman tegen te houden. De lange politieman loopt naar achteren en verdwijnt uit beeld. Van achter de woning komt een (oudere) vrouw met blond haar in een staart, (kennelijk moeder aangever), in beeld.

Twee personen bevinden zich in gevecht op de grond en door hun bewegingen komen ze deels in beeld. Een ervan is de kleine politieman die aangever in een nekklem houdt. De aangever stribbelt tegen. De kleine politieman die de man in een nekklem houdt, kijkt in de richting van de positie waar zijn collega en de vader zich bevinden. De vader maakt met zijn armen bewegingen met de kennelijke bedoeling om de politieman die zich achter bosschages bevindt, op afstand te houden. De vader neemt daarbij een bokshouding aan. Zijn rechterhand is in een vuist gebald. De politieman komt achter de bosschages tevoorschijn en richt zijn arm in de richting van de vader en wijst kennelijk op hem. Daarop duwt de lange politieman de vader naar voren waardoor de vader voorbij de aangever en de politieman, die zich nog steeds op de grond bevinden, komt. Daarop richt de vader zich weer tot de kleine politieman die aangever

in een nekklem houdt en probeert hem van aangever af te trekken.

De schermutselingen spelen zich weer deels achter de woning af. De aangever heeft zich kennelijk uit de greep weten te onttrekken De lange politieman heeft een wapenstok in de hand en maakt daarmee slaande bewegingen. Niet te zien is tegen wie de slaande bewegingen is gericht of dat er iemand wordt geraakt want de schermutselingen spelen zich grotendeels achter de woning af. Te zien is dat de aangever opstaat en de lange politieman maakt met de wapenstok wederom slaande bewegingen. De kleine politieman die op de grond lag, staat op en loopt achteruit. De aangever wijst op hem. Einde bestand.

6. De eigen waarneming van het hof na het bekijken en beluisteren van de door verdachte

overgelegde filmopnamen zoals hierboven benoemd:

Het hof stelt vast dat de bovengenoemde omschrijving van de filmbeelden overeenkomt met hetgeen door het hof is waargenomen.

Het hof heeft voorts waargenomen dat op het moment dat verdachte zich los heeft gemaakt van de nekklem van verbalisant [benadeelde partij] , hij omhoogkomt, zich omdraait in de richting van de plek waar [benadeelde partij] zich bevindt en zegt: ‘Nou ben jij aan de beurt.’ Vervolgens beweegt verdachte zich richting [benadeelde partij] die zich kennelijk, net buiten beeld, achter een muur, op de grond bevindt.

De hierboven weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen levert op de redengevende feiten en omstandigheden, op grond waarvan het hof bewezen acht en de overtuiging heeft verkregen, dat verdachte het onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.subsidiair
hij op 29 maart 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] , [benadeelde partij] , op dat moment werkzaam als aspirant van de politie-eenheid Noord-Nederland heeft mishandeld door deze tegen het gezicht en (linker) oor te schoppen of te trappen of te stompen of te slaan (zgn. ‘hoeken’).

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

Mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een politieman die op dat moment werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Het hof rekent dit verdachte zwaar aan. Geweld tegen politieambtenaren is een ernstig vergrijp. Bovendien blijkt hieruit een gebrek aan respect voor de politie. Door zich met geweld te verzetten tegen zijn aanhouding heeft de verdachte het werk van politieambtenaren onnodig moeilijker en gevaarlijker gemaakt dan dit al is.

Uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 19 januari 2021 blijkt dat de verdachte al eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder geweldsmisdrijven.

Het hof heeft bij het bepalen van de opgelegde straf in aanmerking genomen:

Enerzijds:

Dat verdachte door zijn van aanvang af recalcitrante en agressieve opstelling een escalatie van de situatie heeft bewerkstelligd die uiteindelijk heeft geleid tot aanzienlijk letsel bij verbalisant [benadeelde partij] . Voorts rekent het hof verdachte aan dat hij zich tot op de zitting bij het hof niet heeft willen laten aanspreken op zijn gedrag en dat niet gebleken is dat hij daadwerkelijk verantwoordelijkheid neemt voor wat hij heeft gedaan.

Anderzijds:

Dat verdachte zelf ook letsel heeft opgelopen tijdens de worsteling met verbalisant [benadeelde partij] en dat inmiddels bijna drie jaren zijn verstreken na het plegen van het feit.

Alles afwegende acht het hof – evenals door de advocaat-generaal gevorderd – een gevangenisstraf voor de duur van 31 dagen waarvan 29 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren alsmede een taakstraf voor de duur van 70 uren te vervangen door 35 dagen hechtenis passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 843,24. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 31 (eenendertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 29 (negenentwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 70 (zeventig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 843,24 (achthonderddrieënveertig euro en vierentwintig cent) bestaande uit € 43,24 (drieënveertig euro en vierentwintig cent) materiële schade en € 800,00 (achthonderd euro) immateriële schade.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 843,24 (achthonderddrieënveertig euro en vierentwintig cent) bestaande uit € 43,24 (drieënveertig euro en vierentwintig cent) materiële schade en € 800,00 (achthonderd euro) immateriële schade.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 16 (zestien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door

mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter,

mr. W. Foppen en mr. G.A. Versteeg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G.G. Eisma, griffier,

en op 3 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.