Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:1882

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
21-003418-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Economische zaak. EVOA. Vrijspraak van het opzettelijk zonder toestemming overbrengen van afvalstoffen en het valselijk opmaken van transportdocumenten. Dat verdachte, een rechtspersoon, opzet had op het plegen van deze feiten acht het hof niet bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2021/66 met annotatie van Pieters, S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003418-17

Uitspraak d.d.: 2 maart 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Noord-Nederland van 13 juni 2017 met parketnummer 18-670020-13 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] , [vestigingsadres] .

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 8 en 9 december 2020 en 6, 11, 12 en 13 januari 2021, 16 februari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal die strekt tot veroordeling van verdachte tot een geldboete van € 400.000,-. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de vertegenwoordiger van verdachte, [naam vertegenwoordiger] , en verdachtes raadsvrouw, mr. R. Croes-Hoogendoorn, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij voormeld vonnis door de rechtbank ter zake het onder 1., 2. en 3. tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van € 450.000,- waarvan € 225.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen omdat het tot een andere beslissing komt.

1 Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

1.1.

Het standpunt van de verdediging

Namens verdachte is bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Daartoe is primair aangevoerd dat de vervolgingsbeslissing in strijd is met het verbod op détournement de pouvoir. Het openbaar ministerie heeft bij zijn beslissing tot vervolging doorslaggevende betekenis toegekend aan de omstandigheid dat verdachte, anders dan [naam bedrijf 1] die door de rechtbank eveneens is veroordeeld, beschikte over financiële middelen, zodat een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kansrijk werd geacht. De verdediging stelt zich op het standpunt dat een strafrechtelijke vervolging niet uitsluitend of in beslissende mate mag worden ingesteld met het oog op voordeelsontneming. Subsidiair is aan het verzoek tot niet-ontvankelijkverklaring ten grondslag gelegd dat een vervolging dusdanig ingrijpt voor een familiebedrijf als verdachte dat de keuze om daar uit financiële motieven desondanks toe over te gaan getuigt van een niet redelijke en billijke belangenafweging.

1.2.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft betwist dat verdachte uitsluitend met het oog op voordeelsontneming is vervolgd. Zij is van meet af aan als verdachte aangemerkt en heeft zich naar de mening van het openbaar ministerie aan de tenlastegelegde strafbare feiten schuldig gemaakt. Voor zover bij de beslissing om te vervolgen al het ontnemingsaspect in de overwegingen is betrokken, heeft daarbij niet de afwezigheid van financiële middelen bij [naam bedrijf 1] een rol gespeeld, maar de omstandigheid dat verdachte als gevolg van het plegen van strafbare feiten aanmerkelijk financieel voordeel heeft genoten, hetgeen een vervolging en een vordering tot ontneming van dat voordeel rechtvaardigt.

1.3.

Het oordeel van het hof

Met het opportuniteitsbeginsel, vastgelegd in artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering, is de discretionaire bevoegdheid om tot vervolging over te gaan in handen gelegd van het openbaar ministerie. Het opportuniteitsbeginsel brengt een belangenafweging met zich die door de rechter slechts in zeer beperkte mate kan worden getoetst. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan plaats zijn voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Het primaire verweer strekkend tot niet-ontvankelijkverklaring behelst een beroep op schending van het beginsel van zuiverheid van oogmerk. Dit verweer slaagt niet. De wens van het openbaar ministerie om een ontnemingsvordering in te dienen, kan voldoende reden zijn om een verdachte te vervolgen. Dat met het indienen van die vordering een ander doel is beoogd dan het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel, is niet gebleken.

Het subsidiaire verweer houdt in dat het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging. Volgens bestendige rechtspraak van de Hoge Raad is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wegens schending van dit beginsel slechts plaats wanneer moet worden geoordeeld dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Er moet met andere woorden sprake zijn van een apert onredelijke beslissing. Dat is hier niet het geval. Er is sprake van een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van verdachte. Het staat het openbaar ministerie vrij in zijn afweging om al dan niet te vervolgen – al dan niet in doorslaggevende mate – de omstandigheid te betrekken dat verdachte door het plegen van strafbare feiten mogelijk wederrechtelijk financieel voordeel heeft genoten.

De verweren treffen geen doel. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

2 De omvang van het aan verdachte gemaakte verwijt

De tenlastelegging is impliciet-cumulatief van aard. Verdachte heeft het hoger beroep beperkt tot de door de rechtbank bewezen verklaarde feiten. Het openbaar ministerie heeft te kennen gegeven de vrijspraken waartoe de rechtbank gekomen is, niet te bestrijden. Tegen deze vrijspraken zijn bij appelschriftuur noch ter zitting bezwaren aangevoerd. Nu het hof ook ambtshalve geen aanleiding ziet voor een nieuwe behandeling van de feiten waarvan is vrijgesproken, zal het hoger beroep van de officier van justitie met inachtneming van artikel 416, derde lid, Sv, in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Het voorgaande brengt mee dat het hof bij de beoordeling van de hoger beroepen uitgaat van de tenlasteleggingen voor zover de rechtbank de verdachte daarvan niet heeft vrijgesproken. Aldus is de verdachte tenlastegelegd dat:

1.
zij in of omstreeks de periode van 12 juli 2007 tot en met 31 december 2009, althans in 2007 (vanaf 12 juli) en/of 2008 en/of 2009 te [plaatsnaam 1] en/of [plaatsnaam 2] , althans in Nederland, althans op het grondgebied van Europa, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, opzettelijk,

- in totaal - 27 maal, althans een aantal malen (zaak A), te weten

- zes maal, althans een aantal malen, in de periode van 25 juli 2007 tot en met 29 december 2007 {(zie overzicht op bladzijde 4100847 (deels) en 4100848 (1 transport)}, en/of

- dertien maal, althans een aantal malen in de periode van 7 februari 2008 tot en met 12 december 2008 (zie overzicht bladzijde 4100845 en 4100846), en/of

- acht maal, althans een aantal malen in de periode van 21 december 2008 tot en met 2 september 2009 (zie overzicht bladzijde 41 00843, 41 00844), en/of

- in totaal tien maal, althans een aantal malen (Zaak B), te weten

- zeven maal, althans een aantal malen in de periode 6 mei 2008 tot en met 19 januari 2009 (zie overzicht bladzijde 4100095), en/of

- drie maal, althans een aantal malen in de periode van 5 mei 2009 tot en met 9 september 2009 (zie overzicht bladzijde 4100099)

(telkens) (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2, onder 35 sub a en/of b van de "EG-verordening overbrenging van afvalstoffen", immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s) (telkens) afvalstoffen, te weten afgewerkte olie en/of smeerolie en/of één of meer andere afvalstoffen, overgebracht van [plaatsnaam 2] naar [plaatsnaam 3] dan wel [plaatsnaam 4] , in elk geval naar Duitsland, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig deze verordening en/of zonder (schriftelijke) toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening;

2.
zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 11 juli 2007, althans in 2006 en/of 2007 (tot en met 11 juli) te [plaatsnaam 1] en/of [plaatsnaam 2] , althans in Nederland, althans op het grondgebied van Europa, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, opzettelijk, - in totaal - tien maal, althans een aantal malen, te weten,

- zes maal, althans een aantal malen, in de periode 2 augustus 2006 tot en met 11 december 2006 (zie overzicht bladzijde 4100848), en/of

- vier maal, althans een aantal malen, in de periode van 7 januari 2007 tot en met 29 juni 2007, {(zie overzicht bladzijde 4100847 (deels)},

(telkens) (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 26, lid 1, aanhef, onder a en/of b, van de "EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen", immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s) (telkens) afvalstoffen, te weten afgewerkte olie en/of smeerolie en/of één of meer andere afvalstoffen, overgebracht van [plaatsnaam 2] naar [plaatsnaam 3] , in elk geval naar Duitsland, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig voornoemde Verordening en/of zonder toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig voornoemde Verordening;

3.
zij te [plaatsnaam 5] , gemeente [naam gemeente] , althans in Nederland, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen,

- in het jaar 2008 en/of 2009, - in totaal - 31 maal, althans een aantal malen (telkens) één of meer EVOA-documenten genaamd "Vervoersdocument voor grensoverschrijdende afvaloverbrenging" (de in het overzicht op bladzijde 41 00843 tot en met 41 00846 opgenomen documenten, waarvan het IBN-nummer in rood is weergegeven en/of de/het document(en) op bladzijde 41 01092, 41 01102, 41 01111, 41 01120, 41 01130, 41 01142, 41 01149, 41 01154, 41 01165, 41 01174, 41 01288, 41 01299, 41 01304, 41 01310, 41 01319 en/of 41 01330) en/of

- in het jaar 2008 en/of 2009, - in totaal – negentien maal, althans een aantal malen (telkens) één of meer begeleidingsbrieven (de in het overzicht op bladzijde 41 00843 tot en met 41 00846 opgenomen documenten, waarvan het IBN-nummer in zwart is weergegeven) -

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid:

- op de in 2008 en/of 2009 gebruikte EVOA-documenten in vak 9 (als locatie waarop, en proces waarbij, de afvalstoffen zijn ontstaan), -respectievelijk - (zakelijk weergegeven) [plaatsnaam 5] en destillatie en/of

- op de begeleidingsbrieven als ontvanger [naam bedrijf 1] vermeld,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.
De verdachte is daardoor niet geschaad in haar verdediging.

3 Inleiding

3.1.

Algemeen

Verdachte hield zich gedurende de jaren waarop de tenlastelegging ziet voornamelijk bezig met het bedrijfsmatig inzamelen van afgewerkte olie bij garagebedrijven. Zij beschikte over eigen tankauto’s waarmee ladingen olie bij garages werden afgehaald, waarna deze olie in opslagtanks op verdachtes bedrijfslocatie in [plaatsnaam 2] werd overgepompt en vervolgens verhandeld. Verdachtes bestuurders waren blijkens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel [naam bedrijf 2] (sinds 1 januari 1995) en de heer [naam 1] (sinds 1 januari 2001). Enig aandeelhouder van verdachte was [naam bedrijf 2] , waarvan de heer [naam 2] enig bestuurder was. De dagelijkse leiding bij verdachte was in handen van de dochter van de heer [naam 2] , mevrouw [naam 3] , hoewel zij formeel was aangesteld als laborant.

Verdachte was samen met de vijf andere inzamelaars van afgewerkte olie die in Nederland actief waren aandeelhouder van [naam bedrijf 3] , die op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder was van [naam bedrijf 4] , ofwel [naam bedrijf 1] , een in [plaatsnaam 5] gevestigde afvalolieverwerkende onderneming. [naam bedrijf 1] hield zich blijkens haar bedrijfsomschrijving bij de Kamer van Koophandel bezig met 'het (doen) opwerken van oliehoudende (afval)stoffen, waaronder afgewerkte olie (…) alsmede de handel in al of niet bewerkte producten (…)'. Met instemming van de autoriteiten had de [naam bedrijf 3] zich ten doel gesteld alle in Nederland en België ingezamelde afgewerkte olie hoogwaardig op te werken tot een bruikbaar smeerolieproduct. Om dat te bewerkstelligen werd op enig moment het (op dat moment nauwelijks nog actieve) bedrijf [naam bedrijf 1] aangekocht. Eén van de twee directeuren van verdachte, [naam 1] , werd in januari 2001 gedetacheerd bij [naam bedrijf 1] . Ten tijde van de tenlastegelegde feiten was hij samen met de heer [naam 4] directeur van de [naam bedrijf 3] .

In de periodes die de tenlastelegging bestrijkt, beschikte [naam bedrijf 1] nog niet over installaties die een hoogwaardige opwerking van afgewerkte olie mogelijk maakten. In de aanloop naar de geplande komst van installaties waarmee dat wel zou kunnen, vond in [plaatsnaam 5] een voorbewerkingsproces plaats dat kort gezegd een filtering en vacuümdestillatie van de afgewerkte olie inhield, wat leidde tot een verlaging van het watergehalte. Het resultaat van deze bewerking was nog altijd een afvalstof, die [naam bedrijf 1] verkocht aan een tweetal Duitse raffinaderijen, [naam bedrijf 5] te [plaatsnaam 3] en [naam bedrijf 6] te [plaatsnaam 4] , die deze afvalstof alsnog hoogwaardig opwerkten tot het beoogde smeerolieproduct.

Teneinde [naam bedrijf 1] rendabel te maken, hadden de gezamenlijke inzamelaars binnen de [naam bedrijf 3] zich verplicht de door hen ingezamelde afgewerkte olie tegen een marktconforme prijs te leveren aan [naam bedrijf 1] . Op haar beurt had [naam bedrijf 1] zich gecommitteerd aan de afname van de olie. Eén en ander was ten aanzien van verdachte vastgelegd in een overeenkomst waarbij zowel [naam bedrijf 1] als verdachte partij waren. In deze overeenkomst is een leveringsplicht van verdachte versus een afnameplicht van [naam bedrijf 1] vastgelegd ten aanzien van een jaarlijkse hoeveelheid afgewerkte olie van 10.000 tot 20.000 ton per jaar. In de overeenkomst is vermeld dat [naam bedrijf 1] in tegenstelling tot verdachte beschikt over opslag- en bewerkingsfaciliteiten en een toereikende vergunning voor de opslag en bewerking van afgewerkte olie. Verder is overeengekomen dat [naam bedrijf 1] zorgdraagt voor het transport vanaf de locatie van verdachte en dat het vervoer voor haar rekening en risico plaatsvindt.

3.2.

Hetgeen verdachte wordt verweten

Uit het opsporingsonderzoek is gebleken dat meerdere ladingen afgewerkte olie die door [naam bedrijf 1] van verdachte werden afgenomen geen bewerking in [plaatsnaam 5] hebben ondergaan. Deze ladingen olie zijn telkens zonder dat zij in [plaatsnaam 5] werden gelost doorgevoerd naar [naam bedrijf 5] (per schip) of naar [plaatsnaam 6] (per tankwagen). Onder 1. en 2. is verdachte betrokkenheid tenlastegelegd bij het overbrengen van afvalstoffen naar Duitsland zonder daarvan kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten te doen in de zin van de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA). Het betreft materieel steeds dezelfde gedragingen, die in artikel 26 van de tot 12 juli 2007 geldende Verordening1 als sluikhandel (feiten onder 2.) en in artikel 2, onder 35, van de opvolgende Verordening2 als illegale overbrengingen (feiten onder 1.) werden aangemerkt. Onder 3. is betrokkenheid bij het vervalsen dan wel valselijk opmaken van EVOA- en binnenlandse vervoersdocumenten (begeleidingsbrieven) tenlastegelegd.

4 Standpunten in hoger beroep

4.1.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie kan zich verenigen met de bewezenverklaring waartoe de rechtbank is gekomen.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

Namens verdachte is primair vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde feiten. Verdachte is er altijd vanuit gegaan dat de door haar aan [naam bedrijf 1] geleverde afgewerkte olie conform de leveringsovereenkomst werd verwerkt in [plaatsnaam 5] . De gedragingen van [naam 1] , die in eerste aanleg voor betrokkenheid bij illegale overbrengingen en valsheid in geschrift is veroordeeld, kunnen in redelijkheid niet aan verdachte worden toegerekend, aangezien [naam 1] gedurende de tenlastegelegde periode handelde als directeur van [naam bedrijf 1] . Zijn enige betrokkenheid bij verdachte bestond in de jaren 2006 - 2009 uit het formele directeurschap. Die functie vervulde hij echter niet meer in de praktijk. Van enig overleg tussen [naam 1] en de daadwerkelijke leidinggevende bij verdachte was in die periode in het geheel geen sprake meer. Geen van de medewerkers van verdachte is door [naam 1] ooit op de hoogte gesteld van rechtstreekse overbrengingen van de door verdachte geleverde afgewerkte olie naar Duitsland. Verdachte werd daarvan opzettelijk onwetend gehouden. Gelet op de positie van [naam 1] kunnen zijn gedragingen in redelijkheid niet aan verdachte worden toegerekend. Subsidiair wordt betwist dat het opzet van [naam 1] op de strafbare feiten zoals die zijn tenlastegelegd aan verdachte kan worden toegerekend, ook niet in voorwaardelijke zin.

5 Overwegingen van het hof

5.1.

Ten aanzien van de onder 1. en 2. tenlastegelegde feiten

5.1.1.

Toepasselijke regelgeving

In de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) zijn regels gesteld ten aanzien van het grensoverschrijdende vervoer van voor nuttige toepassing of verwijdering bestemde afvalstoffen. Ingevolge de EVOA-Verordeningen zoals die respectievelijk ten tijde van de onder 1. en 2. tenlastegelegde periodes golden, is een kennisgever verplicht om bij de bevoegde autoriteit(en) kennisgeving te doen van een voorgenomen overbrenging van afvalstoffen. Na verleende toestemming kunnen op basis van één algemene EVOA-kennisgeving meerdere transporten van de betreffende afvalstof plaatsvinden, zolang het aantal transporten en de totale hoeveelheid van de kennisgeving niet worden overschreden.

De normadressaat van de onderhavige EVOA-bepalingen is de kennisgever. De voormalige Verordening, zoals die gold ten tijde van het onder 2. tenlastegelegde, definieerde de kennisgever als volgt3:

elke natuurlijke of rechtspersoon die tot kennisgeving is verplicht, dat wil zeggen de hierna bedoelde persoon die voornemens is afvalstoffen over te brengen of te doen overbrengen:

i) de persoon wiens activiteiten deze afvalstoffen hebben voortgebracht (oorspronkelijke producent), of

ii) indien dat niet mogelijk is, een daartoe door een Lid-Staat erkende inzamelaar of een geregistreerde of erkende handelaar of makelaar die de verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen regelt, of

iii) indien deze personen onbekend of niet erkend zijn, de persoon die deze afvalstoffen in zijn bezit of onder zijn wettelijke controle heeft (houder), of

iv) in geval van invoer in of doorvoer door de Gemeenschap van afvalstoffen, de persoon die door de wetgeving van het land van verzending is aangewezen, of, indien geen aanwijzing heeft plaatsgevonden, de persoon die de afvalstoffen in zijn bezit of onder zijn wettelijke controle heeft (houder).

In de Verordening, zoals die gold ten tijde van het onder 1. tenlastegelegde, was de kennisgever, voor zover hier relevant, als volgt gedefinieerd4:

de onder de rechtsmacht van die lidstaat vallende natuurlijke of rechtspersoon die voornemens is de afvalstoffen over te brengen of te laten overbrengen en gehouden is door de kennisgevingsplicht. De kennisgever is een van de hieronder genoemde personen of instanties in de aangegeven volgorde:

i) de eerste producent; of

ii) de vergunde nieuwe producent die handelingen verricht vóór de overbrenging; of

iii) een vergunde inzamelaar die de overbrenging — die zal aanvangen vanaf één locatie waarvan kennisgeving is gedaan — uit diverse kleine hoeveelheden van eenzelfde soort afvalstoffen uit verschillende bronnen heeft samengesteld; of

iv) een geregistreerde handelaar die door de eerste producent, de nieuwe producent of de bevoegde inzamelaar, zoals bedoeld onder i), ii) en iii), schriftelijk gemachtigd werd om namens hen als kennisgever op te treden;

v) een geregistreerde makelaar die door de eerste producent, de nieuwe producent of de bevoegde inzamelaar, zoals bedoeld onder i), ii) en iii), schriftelijk gemachtigd werd om namens hen als kennisgever op te treden;

vi) wanneer alle onder i), ii), iii), iv), en eventueel v), bedoelde personen onbekend of insolvabel zijn, de houder.

Het overbrengen zonder kennisgeving was ten tijde van de tenlastegelegde periode strafbaar gesteld bij artikel 1a onder 1° van de Wet op de economische delicten (WED) juncto artikel 10.60, eerste respectievelijk tweede lid van de Wet milieubeheer (Wm).

5.1.2.

Bewijsoverwegingen; algemeen

Het verwijt dat verdachte onder 1. en 2. wordt gemaakt, komt er in de kern op neer dat zij meerdere malen opzettelijk niet heeft voldaan aan haar verplichting om kennisgeving te doen van haar voornemen om afvalstoffen over te brengen naar Duitsland. Daarbij merkt het hof op dat de tenlastelegging aldus is geredigeerd dat deze slechts de transporten die aanvangen in [plaatsnaam 2] en zonder dat daarvoor een kennisgeving is gedaan omvat. Verder is ‘opzettelijk’ tenlastegelegd. Dit betreft een essentieel en bepalend onderdeel van de tenlastelegging, mede in aanmerking genomen dat indien sprake zou zijn van een (niet opzettelijke) overtreding, het recht tot strafvervolging zou zijn komen te vervallen door verjaring. Dit brengt mee dat dient te worden beoordeeld of een verplichting tot kennisgeving bestond ten tijde van het vertrek van het transport uit [plaatsnaam 2] en voorts dat deze verplichting opzettelijk niet is nagekomen.

Niet in geding is dat in de tenlastegelegde periode ladingen afgewerkte olie, zijnde een afvalstof als bedoeld in de EVOA-verordening, per schip zijn vervoerd vanaf verdachtes vestiging in [plaatsnaam 2] naar [plaatsnaam 7] , waarna ze per tankwagen werden doorgevoerd naar [naam bedrijf 5] in [plaatsnaam 3] , zonder dat deze ladingen bij [naam bedrijf 1] zijn gelost. Vaststaat dat verdachte ter zake van deze transporten geen kennisgeving heeft gedaan conform de EVOA. Hetzelfde geldt ten aanzien van meerdere tankwagentransporten van afgewerkte olie vanaf verdachtes vestiging in [plaatsnaam 2] naar de firma [plaatsnaam 6] . Evenmin is gebleken dat door [naam bedrijf 1] of een ander een kennisgeving is gedaan ten aanzien van transporten van [plaatsnaam 2] naar [plaatsnaam 7] , [plaatsnaam 3] of [plaatsnaam 6] . De eerste vraag waarvoor het hof zich ziet gesteld, is of verdachte dan wel een ander gehouden was ten aanzien van deze transport(en) een EVOA-kennisgeving te doen.

Zoals hiervoor onder 5.1.1. reeds is opgemerkt, rust de verplichting tot het doen van kennisgeving voor de overbrenging van afvalstoffen op de kennisgever, zijnde de persoon die voornemens is afvalstoffen over te brengen of te doen overbrengen. Uit de hiervoor uit de EVOA-Verordeningen geciteerde dwingende rangorde volgt dat in het onderhavige geval de ontdoener, zijnde verdachte, kennisgevingsplichtig zou zijn, indien zij voor aanvang van het transport van een concrete lading olie in [plaatsnaam 2] voornemens was deze naar Duitsland te (doen) overbrengen.

5.1.3.

Bewijsoverwegingen; ten aanzien van de tankwagentransporten

Ten aanzien van geen van de tenlastegelegde transporten per tankwagen blijkt dat vóór de aanvang van het transport vanuit [plaatsnaam 2] al het voornemen bestond de afgewerkte olie rechtstreeks naar Duitsland te vervoeren. Dat brengt mee dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich ten aanzien van die transporten had voorgenomen afvalstoffen over te brengen naar Duitsland. Daarmee kan zij ten aanzien van de tankwagentransporten niet als kennisgever in de zin van de EVOA worden aangemerkt en kan niet worden bewezen dat zij heeft verzaakt gevolg te geven aan een op de kennisgever rustende verplichting.

Voor zover op enig moment ná vertrek vanuit [plaatsnaam 2] , hetzij te [plaatsnaam 5] of [naam gemeente] , hetzij onderweg daar naar toe, werd besloten dat een tankwagen met olie zonder bewerking te ondergaan zou worden doorgevoerd naar Duitsland, kan daaraan niet de conclusie worden verbonden dat verdachte dan wel [naam bedrijf 1] of een ander zich reeds voorafgaande aan de aanvang van het transport uit [plaatsnaam 2] had voorgenomen dat te doen.

5.1.4.

Bewijsoverwegingen; ten aanzien van transporten per schip

Ten aanzien van de transporten per schip overweegt het hof het volgende. Uit het dossier, met name uit een aantal tapgesprekken, blijkt dat het [naam 1] in ieder geval enkele keren al voor vertrek van een lading vanuit [plaatsnaam 2] bekend was dat de betreffende lading niet in [plaatsnaam 5] zou worden gedestilleerd, maar onbewerkt zou worden doorgevoerd naar [plaatsnaam 7] , waarna het per vrachtwagen naar [naam bedrijf 5] zou worden getransporteerd. Uit onder meer de tapgesprekken en meerdere getuigenverklaringen kan worden afgeleid dat het [naam 1] was die doorgaans de beslissing nam om een lading afgewerkte olie, zonder deze bij [naam bedrijf 1] te bewerken, van [plaatsnaam 2] naar Duitsland over te brengen. [naam 1] had dus niet alleen de wetenschap van dergelijke rechtstreekse transporten, maar bevorderde en bewerkstelligde ook actief dat deze plaatsvonden.

In aanmerking genomen dat uit het dossier niet blijkt dat medewerkers van verdachte, anders dan [naam 1] , bekend waren met de rechtstreekse olietransporten vanaf haar depot in [plaatsnaam 2] naar [plaatsnaam 7] en ook anderszins niet blijkt dat verdachte kennis heeft gehad of moet hebben gehad van de omstandigheid dat scheepstransporten soms onbewerkt naar Duitsland werden doorgevoerd, kan verdachte slechts overeenkomstig de tenlastelegging als (potentieel) kennisgevingsplichtig in de zin van de EVOA worden aangemerkt, wanneer met betrekking tot die transporten niet alleen de gedragingen van [naam 1] maar ook zijn opzet en wetenschap gericht op overbrenging van de olie naar Duitsland in redelijkheid aan haar als rechtspersoon kunnen worden toegerekend.

Indien al, in het licht van de criteria uit het Drijfmestarrest5, de (verboden) gedragingen aan verdachte kunnen worden toegerekend, dan geldt ten aanzien van opzet en wetenschap bij verdachte het volgende.

[naam 1] was ten tijde van de tenlastegelegde transporten werkzaam in dienstbetrekking bij [naam bedrijf 2] ., verdachtes enige aandeelhouder. Hij vervulde blijkens de verdachte betreffende inschrijving bij de Kamer van Koophandel sinds 1 januari 2001 de functie van directeur van verdachte. Uit getuigenverklaringen blijkt echter dat [naam 1] in de loop der tijd op steeds meer afstand van verdachte kwam te staan. Hoewel zijn formele functie onveranderd bleef, nam hij rond 2003 in feite afscheid van verdachte en werd hij voltijds gedetacheerd bij [naam bedrijf 1] . Aangezien op voorhand ongewis was of [naam bedrijf 1] op termijn succesvol zou zijn, wilde [naam 1] een directeurschap daar slechts aanvaarden op voorwaarde van het behoud van zijn formele functie bij verdachte, inclusief de daarbij behorende baanzekerheid, salariëring en autoregeling. De uit het dossier blijkende contacten tussen [naam 1] met medewerkers van verdachte gedurende de tenlastegelegde periode laten zich, zo komt ook naar voren uit hetgeen [naam 1] en mevrouw [naam 3] ter zitting van het hof hebben verklaard, verklaren vanuit de relatie die [naam 1] als directeur van [naam bedrijf 1] , de grootste afnemer van verdachte, met haar onderhield. Afgezien van enkele formaliteiten, zoals het plaatsen van een handtekening op een bezwaarschrift vanwege zijn tekenbevoegdheid als statutair directeur, blijkt niet dat [naam 1] gedurende die periode nog enige rol van betekenis speelde binnen de bedrijfsvoering van verdachte.

Uit het voorgaande volgt dat [naam 1] formeel weliswaar nog directeur was bij verdachte, maar ten aanzien van de handelingen die hij (vanuit zijn positie als directeur van [naam bedrijf 1] ) met betrekking tot de illegale overbrengingen verrichte solistisch en geïsoleerd van verdachte te werk ging. Niet blijkt dat hij zijn handelwijze op enig moment met personen werkzaam bij verdachte heeft besproken of op andere wijze kenbaar gemaakt. Integendeel, [naam 1] heeft verklaard dat hij een en ander om hem moverende redenen bewust heeft verzwegen. Verdachtes (indirecte) aandeelhouder [naam 2] en zijn dochter [naam 3] , de dagelijks leidinggevende, verkeerden in de veronderstelling dat zij conform de overeenkomst met [naam bedrijf 1] de afgewerkte olie afgaven ter destillatie aan een erkend en vergund verwerkingsbedrijf in [plaatsnaam 5] . Een en ander brengt mee dat de bij [naam 1] bestaande opzet en wetenschap naar het oordeel van het hof niet aan verdachte kunnen worden toegerekend. Niet kan worden gezegd dat [naam 1] bij het begaan van de strafbare feiten, althans bij het daaraan feitelijk leiding geven, namens en ten behoeve van verdachte optrad, terwijl evenmin blijkt dat verdachte zeggenschap heeft gehad over deze handelingen, laat staan dat zij deze heeft aanvaard of onvoldoende zorg heeft betracht om de verboden gedragingen te voorkomen.

5.1.5.

Conclusie

Bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dat verdachte de tenlastegelegde strafbare feiten opzettelijk heeft gepleegd, moet verdachte van de feiten onder 1. en 2. worden vrijgesproken.

5.2.

Ten aanzien van de onder 3. tenlastegelegde feiten

5.2.1.

Toepasselijke regelgeving

Ingevolge de EVOA-Verordening zoals die gold ten tijde van de onder 3. tenlastegelegde periode, wordt door de kennisgever van een overbrenging van afvalstoffen een begeleidend vervoersdocument opgemaakt op basis van een voorgeschreven formulier. Ieder transport waarvoor op basis van de kennisgeving toestemming is gegeven, dient vergezeld te gaan van een dergelijk document.

Ingevolge artikel 10.39 jo. artikel 10.38 van de Wet milieubeheer, zoals die bepalingen luidden ten tijde van de onder 3. tenlastegelegde periode, verstrekt de ontdoener van een afvalstof een begeleidingsbrief aan de vervoerder waarin onder meer de naam en het adres worden vermeld van degene aan wie de afvalstof wordt afgegeven.

5.2.2.

Bewijsoverwegingen; ten aanzien van de EVOA-vervoersdocumenten

Uit het dossier blijkt dat op meerdere EVOA-vervoersdocumenten is ingevuld dat de over te brengen afvalstof door middel van destillatie bij [naam bedrijf 1] is ontstaan, terwijl in werkelijkheid onbewerkte afgewerkte olie afkomstig van verdachtes depot rechtstreeks naar Duitsland werd overgebracht. De EVOA-vervoersdocumenten zijn ingevuld door medewerkers van [naam bedrijf 1] . [naam 1] was als directeur van [naam bedrijf 1] aanspreekpunt voor medewerkers bij vragen en hij instrueerde hen geregeld. [naam 1] maakte in de beginfase zelf EVOA-aanvragen op, maar had dit ten tijde van de tenlastegelegde feiten gedelegeerd aan medewerkers. [naam 1] was bekend met de rechtstreekse transporten van afgewerkte olie naar Duitsland en bevorderde ook actief dat deze plaatsvonden. De wijze waarop de EVOA-vervoersdocumenten werden ingevuld, paste hierbij. Het valselijk opmaken van de vervoersdocumenten is daarmee een gedraging die in de sfeer van de rechtspersoon [naam bedrijf 1] plaatsvond en aan haar kan worden toegerekend.

Verdachte heeft met het invullen van de EVOA-vervoersdocumenten zelf geen bemoeienis gehad. Dit invullen vond plaats bij [naam bedrijf 1] in [plaatsnaam 5] . Uit het dossier blijkt niet dat medewerkers van verdachte, anders dan [naam 1] , bekend waren met de wijze waarop de EVOA-vervoersdocumenten werden ingevuld. Ook anderszins blijkt niet dat verdachte kennis heeft gehad of moet hebben gehad van de omstandigheid dat medewerkers van [naam bedrijf 1] onjuiste informatie invulden op EVOA-vervoersdocumenten. Wat feitelijk resteert zijn het opzet en de wetenschap van [naam 1] .

In aansluiting op wat hiervoor onder 5.1.4 is overwogen over de positie van [naam 1] , die weliswaar formeel directeur was van verdachte maar in de praktijk geen rol van betekenis meer speelde binnen haar bedrijfsvoering, is het hof van oordeel dat voor zover de gedragingen van [naam 1] al zouden kunnen worden aangemerkt als vallend binnen de sfeer van verdachte en daarmee in redelijkheid aan haar zouden kunnen worden toegerekend, dit in ieder geval niet geldt ten aanzien van het opzet en de wetenschap van [naam 1] . Niet kan worden gezegd dat [naam 1] bij het begaan van de strafbare feiten, althans bij het daaraan feitelijk leiding geven, namens en ten behoeve van verdachte optrad, terwijl evenmin blijkt dat verdachte zeggenschap heeft gehad over deze handelingen, laat staan dat zij deze heeft aanvaard of onvoldoende zorg heeft betracht om de verboden gedragingen te voorkomen.

5.2.3.

Bewijsoverwegingen; ten aanzien van de begeleidingsbrieven

Uit het dossier blijkt dat op meerdere begeleidingsbrieven als ontvanger is ingevuld ' [naam bedrijf 1] ', terwijl in werkelijkheid onbewerkte afgewerkte olie afkomstig van verdachtes depot rechtstreeks naar Duitsland werd overgebracht. De begeleidingsbrieven werden door medewerkers van verdachte ingevuld en afgegeven aan de transporteur. Ten aanzien van een aantal van de transporten waarop deze begeleidingsbrieven betrekking hebben, was al vóór vertrek vanuit [plaatsnaam 2] bij [naam 1] bekend dat de olie niet in [plaatsnaam 5] zou worden gelost, maar dat deze na een 'papierwissel' zou worden overgebracht naar Duitsland.

Uit het dossier blijkt niet dat medewerkers van verdachte, anders dan [naam 1] , bekend waren met het feit dat de betreffende ladingen olie niet conform de begeleidingsbrief bij [naam bedrijf 1] zouden worden gelost. Ook anderszins blijkt niet dat verdachte daarvan kennis heeft gehad of moet hebben gehad. Wat feitelijk resteert zijn het opzet en de wetenschap van [naam 1] .

In aansluiting op wat hiervoor onder 5.1.4 is overwogen over de positie van [naam 1] , die weliswaar formeel directeur was van verdachte maar in de praktijk geen rol van betekenis meer speelde binnen haar bedrijfsvoering, is het hof van oordeel dat voor zover de gedragingen van [naam 1] al zouden kunnen worden aangemerkt als vallend binnen de sfeer van verdachte en daarmee in redelijkheid aan haar zouden kunnen worden toegerekend, dit in ieder geval niet geldt ten aanzien van de wetenschap en het opzet van [naam 1] . Niet kan worden gezegd dat [naam 1] bij het begaan van de strafbare feiten, althans bij het daaraan feitelijk leiding geven, namens en ten behoeve van verdachte optrad, terwijl evenmin blijkt dat verdachte zeggenschap heeft gehad over deze handelingen, laat staan dat zij deze heeft aanvaard of onvoldoende zorg heeft betracht om de verboden gedragingen te voorkomen.

5.3.

Conclusie

Gelet op het voorgaande kan niet worden bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het valselijk opmaken van EVOA-vervoersdocumenten en begeleidingsbrieven, zodat zij daarvan moet worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de door de rechtbank gegeven vrijspraken.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het hoger beroep onderworpen en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr. E. de Witt, voorzitter,

mr. O. Anjewierden en mr. W.M. van Schuijlenburg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.C. Huizenga, griffier,

en op 2 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap.

2 Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen.

3 Artikel 2, aanhef en onder g van Verordening (EEG) nr. 259/93.

4 Artikel 2, aanhef en onder 15 van Verordening (EG) nr. 1013/2006.

5 Hoge Raad 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938.