Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:1711

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-02-2021
Datum publicatie
25-02-2021
Zaaknummer
200.275.019/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Informatieverplichting schuldenaren bij executoriaal beslag op grond van artikel 475 g lid 1 Rv in samenhang met de wetsgeschiedenis bij artikel 444 Rv (TK 16593, nr. 5, p.11-12). Veroordeling om informatie te verschaffen op straffe van dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.275.019

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 490254)

arrest in kort geding van 23 februari 2021

in de zaak van:

1 [appellant] ,

hierna: [appellant] ,

2. [appellante],

hierna: [appellante] ,

beiden wonende te [A] ,

appellanten,

gezamenlijk te noemen: het echtpaar,

advocaat: mr. W.Y. Hofstra,

tegen:

de coöperatie met uitgesloten van aansprakelijkheid

Coöperatieve BloemenVeiling Royal FloraHolland U.A.,

gevestigd te Aalsmeer,

geïntimeerde,

hierna: de Veiling,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens.

1 De verdere procedure in hoger beroep

1.1

Het hof verwijst naar het tussenarrest van 14 juli 2020, waarin een enkelvoudige mondelinge behandeling is bepaald. Die zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2020 en daarvan is een proces-verbaal opgemaakt.

1.2

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de producties 5 en 6 overgelegd door de Veiling (bij bericht van 22 september 2020);

- de producties 7 tot en met 10, overgelegd door de Veiling (bij bericht van 23 november 2020);

- het proces-verbaal van de zitting van 14 december 2020, met daaraan gehecht de aantekeningen die de advocaten van partijen hebben gehanteerd. In dat proces-verbaal staat ten onrechte dat de hiervoor genoemde producties door het echtpaar zijn overgelegd.

1.3

Het hof heeft arrest bepaald (op één dossier).

2 De motivering van de beslissing in hoger beroep

kern van de zaak

2.1

Tussen partijen wordt al vele jaren geprocedeerd. Dit hof heeft [appellant] op 30 januari 2018 veroordeeld tot betaling aan de Veiling van € 6.418.400,- (met rente en kosten) wegens onrechtmatig handelen (bestaande uit het ontvreemden van metalen stapelwagens, een soort veilingkarren). De Veiling probeert dit bedrag sinds die tijd te verhalen op [appellant] . In deze procedure vordert de Veiling het echtpaar te bevelen geen goederen aan dit verhaal te onthouden of te onttrekken, opgave te doen van inkomsten en vermogen en een aantal vragen daarover te beantwoorden, alles op straffe van een dwangsom. De voorzieningenrechter heeft deze vordering toegewezen. De bezwaren van het echtpaar tegen deze beslissing worden hierna besproken.

grondslag onrechtmatig handelen

2.2

[appellant] blijft volhouden dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan diefstal van de stapelwagens. In de procedure die aan het arrest van 30 januari 2018 voorafging is dit echter wel komen vast te staan, zodat dit ook uitgangspunt is in deze procedure. Dit geldt voor [appellant] op grond van het gezag van gewijsde van genoemd arrest, terwijl [appellante] haar verweer hiertegen onvoldoende heeft gemotiveerd.

schade Veiling niet verzekerd

2.3

Het echtpaar voert aan dat er geen schade bestaat voor de Veiling aangezien die wel gedekt zal zijn door een verzekering en heeft in hoger beroep (als productie 1) een krantenartikel overgelegd, waaruit dat zou kunnen worden afgeleid. De Veiling heeft betwist verzekerd te zijn voor deze schade. Dit is tegenover de tekst in het krantenartikel voldoende onderbouwd met een e-mailbericht van de insurancemanager van de Veiling, waaruit blijkt dat de Veiling niet verzekerd was en zich niet verzekeren kon voor schade door diefstal van goederen. Dit verweer gaat dus niet op.

toelichting vordering

2.4

De Veiling heeft aangevoerd dat zij op grond van de wet van het echtpaar (dat in gemeenschap van goederen is getrouwd) kan vragen informatie te geven over hun inkomen en vermogen. De tot nu toe gegeven informatie komt er op neer dat het echtpaar niet beschikt over meer inkomen dan een AOW-uitkering en niet over meer vermogen beschikt dan hun woonhuis met omringende grond en diverse opstallen en daarnaast nog een woning. De onroerende zaken vertegenwoordigen geen overwaarde vanwege het feit dat het echtpaar daarop in 1996 een hypotheek heeft verstrekt aan een Amerikaanse vennootschap (TFC) met als bestuurder [de boekhouder] , de accountant van het echtpaar. Op deze hypotheek lijkt niet te worden afgelost en geen rente te worden betaald. In 2014 heeft het echtpaar een pandrecht op hun roerende zaken verstrekt aan [de boekhouder] en echtgenote, zodat die zaken ook aan verhaal zijn onttrokken. De Veiling twijfelt aan de volledigheid en betrouwbaarheid van de gegeven informatie en verlangt meer informatie van het echtpaar, op straffe van een dwangsom.

verweer echtpaar

2.5

Het echtpaar heeft aangevoerd dat zij al op gevorderde leeftijd zijn en met serieuze gezondheidsklachten kampen. Zij beschikken over niet meer inkomen dan een AOW-uitkering. Op de AOW-uitkering van [appellant] heeft de Veiling al beslag gelegd. Op de woning rust inderdaad een hypotheek. [de boekhouder] , die jarenlang de administratie van [appellant] heeft verzorgd, heeft het echtpaar willen helpen toen een eerdere hypotheek bij de Rabobank werd opgezegd. TFC heeft hen toen een hypotheek verstrekt. Omdat het echtpaar niet in staat was af te lossen op de hypotheek en rente te betalen is het pandrecht aan [de boekhouder] dan wel TFC verstrekt. Hypotheekrecht en pandrecht zijn legitiem en hebben niet als doel de Veiling te benadelen. De Veiling heeft door het beslag op uitkering en bankrekeningen van het echtpaar al € 15.000,- geïncasseerd. Meer informatie dan nu verstrekt kan het echtpaar niet geven.

verstrekte informatie onvoldoende

2.6

Het hof is het met de Veiling eens dat er voldoende redenen bestaan om te twijfelen aan de volledigheid en betrouwbaarheid van de tot nu toe door het echtpaar verstrekte informatie. Die twijfel is niet alleen gebaseerd op de diefstalvoorgeschiedenis, maar ook op concrete aanwijzingen dat de inmiddels gegeven informatie niet compleet is. Dat is door de Veiling toegelicht en onderbouwd op de volgende punten:

a. a) inkomsten uit werkzaamheden;

- uit de bankafschriften die de Veiling heeft overgelegd blijkt dat er afschrijvingen zijn gedaan met als omschrijving omzetbelasting, bedrijfsadvies, motorrijtuigenbelasting, aanbetaling van bomen en aanbetaling van zaad, dit wijst op bedrijfsmatige activiteiten;

- in het medisch dossier dat is overgelegd in een andere zaak tussen partijen is in een verslag van de bedrijfsarts een deel zwart gemaakt, waar desalniettemin leesbaar is gebleven: ‘ [appellant] is wel in staat werkzaamheden te verrichten in de houtzagerij’;

b) inkomsten uit de verhuur van een woning; in 2018 was de tweede woning die op het erf van het echtpaar staat verhuurd, de Veiling wil weten of er nog steeds inkomsten uit verhuur zijn;

c) inkomsten uit het laten gebruiken van schuren voor criminele activiteiten; in 2011, 2016 en 2018 zijn door de politie drugsgerelateerde activiteiten geconstateerd in gebouwen op het erf van het echtpaar;

d) de hypotheekconstructie en de pandovereenkomst; de Veiling heeft zowel aan het echtpaar als aan [de boekhouder] vragen gesteld over de achtergrond en de reden van het opzetten van deze ongebruikelijke constructie. Op die vragen heeft het echtpaar in het geheel niet geantwoord. [de boekhouder] was tijdens de behandeling bij de rechtbank aanwezig en kon desgevraagd ook niet aangeven waarom voor deze constructie gekozen is, aldus de Veiling.

2.7

Het hof is van oordeel dat uit het voorgaande voldoende blijkt dat het echtpaar kennelijk niet bereid is mee te werken aan het verkrijgen door de Veiling van een compleet beeld van haar verhaalsmogelijkheden. Tot die medewerking is [appellant] als schuldenaar wel verplicht op grond van de wet1. Dit vloeit ook voort uit de eisen van redelijkheid en billijkheid (op grond van artikel 6:2 BW). Voor deze schuld kan de Veiling zich verhalen op de goederen van de gemeenschap (die is ontstaan voor 1 januari 2018). [appellante] heeft voor deze schuld (op grond van artikel 1:94 lid 5 BW (oud) eenzelfde informatieverplichting. Met name is dan van belang dat de aan het echtpaar gestelde vragen over achtergrond en uitwerking van de hypotheekconstructie in het geheel niet beantwoord zijn. Dat het echtpaar die vragen niet zou kunnen beantwoorden (met behulp van [de boekhouder] en/of hun advocaat) is niet gebleken. Gelet op het ongebruikelijke karakter van deze constructie en het onverklaard gelaten feit dat kennelijk niet wordt afgelost en zelfs geen rente wordt betaald, kan het echtpaar in deze omstandigheden niet volstaan met de tegenwerping dat die constructie legitiem is en dat [de boekhouder] enkel het echtpaar wilde helpen. De noodzaak voor de gevorderde bevelen om informatie te verstrekken en de noodzaak om die te versterken met een dwangsom is daarmee voldoende aangetoond.

2.8

Het bewijsaanbod dat het echtpaar heeft gedaan zal worden gepasseerd. Daaraan ligt de stelling ten grondslag dat zij hebben voldaan aan hun informatieplicht. Zoals uit het voorgaande blijkt is het hof het daarmee niet eens. Bovendien is voor bewijslevering in kort geding geen plaats.

3 De slotsom

3.1

Het hoger beroep gaat niet op. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

3.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof het echtpaar in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de Veiling zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 760,-

- salaris advocaat € 2.228,- (2 punten x tarief II ad € 1.114,-).

De Veiling heeft niet gevraagd deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zodat dit niet wordt toegewezen.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

4.1

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland van (zoals op 8 januari 2020 gewijzigd in:) 2 januari 2020;

4.2

veroordeelt het echtpaar in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Veiling vastgesteld op € 760,- voor griffierecht en op € 2.228,- voor salaris advocaat volgens het liquidatietarief;

4.3

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, C.G. ter Veer en M.B. Beekhoven van den Boezem, is ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2021.

1 op grond van artikel 475 g lid 1 Rv in samenhang met de wetsgeschiedenis bij artikel 444 Rv (TK 16593, nr. 5, p.11-12).