Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:164

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-01-2021
Datum publicatie
12-01-2021
Zaaknummer
200.278.108/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nigeriaanse rechterlijke beslissing ten aanzien van het ouderlijk gezag wordt door Nederland niet erkend. De moeder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.278.108/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 188868)

beschikking van 5 januari 2021

inzake

[verzoekster] ,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.G. Ouwejan te Breukelen,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.H. Heeg te Groningen.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 11 februari 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 8 mei 2020;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Ouwejan van 3 juli 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Heeg van 17 november 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Ouwejan van 19 november 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Ouwejan van 20 november 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Ouwejan van 27 november 2020 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 30 november 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten, met dien verstande dat de moeder via een telefoonverbinding aan de mondelinge behandeling heeft deelgenomen en haar advocaat via een beeldbelverbinding. Namens de raad voor de kinderbescherming is mevrouw

[C] verschenen.

2.3

Aan het slot van de mondelinge behandeling hebben beide partijen, vanwege de haperende telefonische verbinding met de moeder en de afwezigheid van de door de moeder opgeroepen tolk, met instemming van beide partijen de gelegenheid gekregen om binnen veertien dagen na ontvangst van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling een schriftelijke reactie dan wel aanvulling te geven op wat ter zitting is besproken. Hiervan is gebruik gemaakt van de zijde van de vader door toezending van het journaalbericht van

mr. Heeg van 22 december 2020 en van de zijde van de moeder door toezending van het journaalbericht van mr. Ouwejan van 24 december 2020. Bij dit journaalbericht is naast de schriftelijke reactie waarvoor het hof gelegenheid had geboden, een uitvoerige reactie van de moeder zelf overgelegd. Omdat de mogelijkheid voor indiening van dergelijke nadere stukken niet is geboden, zal het hof de reactie van de moeder zelf buiten beschouwing laten.

2.4

[de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening aan het hof kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

3 De feiten

3.1

De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren te [D] in Nigeria [in] 2006 (verder te noemen: [de minderjarige] ) en oefenden gezamenlijk het ouderlijk gezag over hem uit. Na de echtscheiding van de ouders in 2012 is [de minderjarige] bij de moeder blijven wonen, samen met zijn twee broers.

3.2

De moeder heeft [de minderjarige] in 2015, zonder toestemming van de vader, naar Nigeria laten afreizen. In verband hiermee is de moeder tot twee keer toe, in 2017 en 2019, veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vanwege het onttrekken en het onttrekken houden van [de minderjarige] aan het wettige gezag. De rechtbank heeft bij beschikking van 25 maart 2016, bekrachtigd door dit hof, het ouderlijk gezag van de moeder over [de minderjarige] (en zijn broers) beëindigd. De vader oefent sindsdien alleen het ouderlijk gezag over hem uit.

3.3

[de minderjarige] verblijft sinds 2015 in Nigeria. Hij zit op een kostschool, genaamd

[E] College, in [D] . Zijn broers wonen bij de vader.

3.4

De moeder is gedetineerd in Nederland. Zij is in 2016 opnieuw getrouwd met een Nederlandse man. Zij hebben samen een dochter, geboren in 2018.

3.5

De moeder heeft de rechtbank bij verzoekschrift, ontvangen ter griffie van de rechtbank Den Haag op 25 oktober 2018 en bij beschikking van diezelfde datum doorverwezen naar de rechtbank Noord-Nederland, verzocht voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren, verkort weergegeven, dat de uitspraak van de High Court of Lagos State van 31 januari 2018 rechtskracht heeft en dat de moeder met het eenhoofdig gezag zal worden belast over [de minderjarige] .

De moeder verzoekt de rechtbank verder om de griffier van de rechtbank op te dragen de uitspraak van de High Court of Lagos State in te schrijven in het gezagsregister, dan wel de Nederlandse beslissing dat de moeder belast zal zijn met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] in het gezagsregister in te schrijven. De vader heeft verweer gevoerd.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking van 11 februari 2020 zijn de verzoeken van de moeder afgewezen en is zij, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de vader, tot dan toe begroot op € 5.185,89.

4.2

De moeder is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt het hof de beschikking van 11 februari 2020 te vernietigen, althans nietig te verklaren, en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de verzoeken van de moeder alsnog worden toegewezen, met het aanvullende verzoek dat deze beschikking zal worden ingeschreven in het gezagsregister, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie vermeent te behoren.

4.3

De vader voert verweer en hij verzoekt het hof de moeder in haar verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoek in hoger beroep af te wijzen. Verder verzoekt de vader het hof om, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van gronden, de beschikking van 11 februari 2020 te bekrachtigen, met veroordeling van de moeder in de kosten van deze procedure, die worden bepaald op de werkelijke kosten van de vader door hem nader begroot op € 3.811,83 (inclusief btw), dan wel door het hof in goede justitie zullen worden vastgesteld.

4.4

Voor zover mr. Ouwejan in haar laatste stuk namens de moeder de doorverwijzing naar de rechtbank Noord-Nederland aan de orde heeft willen stellen, zal het hof hieraan, gelet op het late stadium van de procedure waarin dit naar voren is gebracht en in het licht van de goede procesorde, voorbij gaan.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De moeder verzoekt in de kern om erkenning in Nederland van de beslissing van de High Court of Lagos State van 31 januari 2018, waarin de moeder, naar zij stelt, alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] is belast (hierna ook: de Nigeriaanse beslissing). Daar waar het gaat om de erkenning van een buitenlandse beslissing in Nederland, is de zaak, mede gelet op de woonplaats van de moeder als de verzoekster in eerste aanleg in Nederland, voldoende met de Nederlandse rechtssfeer verbonden om de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht te laten hebben.

5.2

Met de grieven 1 tot en met 4 komt de moeder op tegen het oordeel van de rechtbank dat de Nigeriaanse beslissing niet voor erkenning in Nederland vatbaar is.

5.3

De vraag of een uit Nigeria afkomstige rechterlijke beslissing over het ouderlijk gezag in Nederland kan worden erkend, is niet onderworpen aan enige supranationale regeling. Het commune Nederlandse internationaal privaatrecht moet daarom antwoord geven op deze vraag. De norm daarvoor is af te leiden uit artikel 431 lid 2 Rv, zoals uitgelegd in het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838 (Gazprombank).

5.4

Genoemd arrest van de Hoge Raad hanteert als uitgangspunt dat een buitenlandse beslissing in Nederland in beginsel wordt erkend als voldaan is aan een viertal voorwaarden:

  1. de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is;

  2. de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging;

  3. de erkenning van de buitenlandse beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde;

  4. de buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.

5.5

De rechtbank is in de bestreden beslissing tot de slotsom gekomen dat de Nigeriaanse beslissing niet kan worden erkend, omdat de rechtbank de echtheid en de juistheid van de inhoud van de Nigeriaanse beslissing niet voor waar kan aannemen. Dat oordeel wordt door de moeder in haar grieven uitvoerig bestreden. Wat er echter zij van de gronden van de rechtbank om de Nigeriaanse beslissing niet te erkennen, ook het hof is van oordeel dat de Nigeriaanse beslissing in Nederland niet kan worden erkend. Zoals hiervoor vermeld, is er een beslissing van de Nederlandse rechter ten aanzien van het gezag over [de minderjarige] . Bij beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 25 maart 2016 is immers het ouderlijk gezag van de moeder over [de minderjarige] beëindigd en is de vader alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast. Deze beslissing is bovendien bekrachtigd bij beschikking van 9 augustus 2016 van dit hof. Uit de Nigeriaanse beslissing blijkt niet dat de Nigeriaanse rechter het oordeel van de Nederlandse rechter heeft meegewogen. Daarmee staat voor het hof vast dat erkenning van de Nigeriaanse beslissing waarin het ouderlijk gezag over [de minderjarige] alleen aan de moeder wordt toegekend onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter. Aan de hierboven vermelde vierde voorwaarde is aldus niet voldaan, zodat de Nigeriaanse beslissing alleen hierom al niet voor erkenning in Nederland in aanmerking komt.

5.6

Van de zijde van de moeder is aangevoerd dat de Nederlandse procedures zijn gevoerd tussen de raad voor de kinderbescherming en de moeder, zodat de Nederlandse beslissingen van de rechtbank en het hof niet zijn gegeven tussen dezelfde partijen als de Nigeriaanse beslissing. Op grond daarvan zou de hiervoor genoemde vierde voorwaarde niet aan erkenning van de Nigeriaanse beslissing in Nederland in de weg staan.

5.7

Het hof deelt deze conclusie niet. In de Nederlandse procedures is de vader steeds als belanghebbende aangemerkt. De vader is in de Nederlandse procedures verschenen. De rechtbank heeft de vader in zijn beslissing, na beëindiging van het gezag van de moeder, bovendien alleen met het gezag over [de minderjarige] belast. Daarmee staat voor het hof vast dat de verdeling van het gezag over [de minderjarige] tussen de moeder en de vader de inzet van de Nederlandse procedures was en dat de beslissingen van de Nederlandse rechter wel degelijk hebben te gelden als tussen de moeder en de vader gegeven. Daarop stuit de erkenning van de Nigeriaanse beslissing in Nederland af.

5.8

De grieven 1 tot en met 4 falen. Omdat de Nigeriaanse beslissing in Nederland niet kan worden erkend, staat vast dat ook de overige verzoeken van de moeder in eerste aanleg terecht door de rechtbank zijn afgewezen. Het hof zal de bestreden beschikking daarom op die punten bekrachtigen.

5.9

Met haar vijfde grief komt de moeder op tegen de proceskostenvergoeding die door de rechtbank is uitgesproken. Zij betoogt dat de rechtbank de proceskosten ten onrechte niet heeft gecompenseerd.

5.10

Deze grief faalt. Het hof ziet aanleiding om ten aanzien van de proceskosten af te wijken van het in familierechtelijke zaken gebruikelijke uitgangspunt, dat de kosten tussen partijen worden gecompenseerd. De moeder is geheel in het ongelijk gesteld. De moeder is meerdere keren strafrechtelijk veroordeeld wegens, kort samengevat, het onttrekken van [de minderjarige] aan het ouderlijk gezag van de man. Mede daardoor is de vader in het verleden in vele procedures betrokken, met hoge kosten tot gevolg. De moeder heeft de vader ook nu weer genoodzaakt verweer te voeren tegen haar verzoeken. Alleen al in het licht van de eerdere gezagsbeslissingen van de Nederlandse rechter had de moeder behoren te begrijpen dat de daarvan afwijkende Nigeriaanse beslissing in Nederland niet voor erkenning vatbaar was. Deze erkenningsprocedure is door haar dan ook zowel in eerste aanleg als in hoger beroep nodeloos gevoerd, waarmee zij de vader eveneens nodeloos heeft verplicht opnieuw kosten te maken om in beide instanties verweer te voeren. Het hof zal de moeder daarom, overeenkomstig het verzoek van de vader, veroordelen in de daadwerkelijk aan de zijde van de vader gemaakte proceskosten in hoger beroep.

5.11

Deze kosten zullen worden vastgesteld op in totaal € 3.811,83 aan advocaatkosten, conform de door hem overgelegde berekening die van de zijde van de moeder onweersproken is gebleven.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van

11 februari 2020;

veroordeelt de moeder in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de vader vastgesteld op € 3.811,83;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, M.P. den Hollander en J.G. Knot, bijgestaan door mr. E. Klijn als griffier, en is op 5 januari 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.