Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:159

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-01-2021
Datum publicatie
11-01-2021
Zaaknummer
21-004054-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2018:2624
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft haar achtjarige dochter van een flat doen of laten vallen. Ter zake van doodslag is zij veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren en negen maanden, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0060
EeR 2021, afl. 1, p. 59
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004054-18

Uitspraak d.d.: 11 januari 2021

Tegenspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 9 juli 2018 met het parketnummer

18-930159-15 in de strafzaak inzake de verdachte

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

wonende op een adres dat bij het openbaar ministerie en het gerechtshof bekend is.

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 21 december 2018, 7 december 2020, 8 december 2020, 10 december

2020, 14 december 2020 en 11 januari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel

422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal, inhoudende dat het hof:

- de verdachte ter zake van het primair aan haar ten laste gelegde delict doodslag zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van de periode die is doorgebracht in voorarrest;

- de gevangenneming van de verdachte zal gelasten;

- de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk zal toewijzen, tot een bedrag van € 30.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente;

- de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen;

- de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in het overige deel van diens vordering tot schadevergoeding.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en haar raadsman, mr. P.Th. van Jaarsveld, ter terechtzittingen in hoger beroep is aangevoerd.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank:

- de verdachte vrijgesproken;

- de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding;

- de voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven met ingang van 9 juli 2018 en

- de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte bevolen.

Het hof zal dat vonnis vernietigen omdat het hof tot een andere bewijsbeslissing komt dan de rechtbank. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

Verloop van het strafrechtelijk onderzoek

De 8-jarige [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) is op 8 juni 2015 omstreeks 01.20 uur onderaan de flat [adres] aangetroffen door een tweetal flatbewoners. Bij aankomst van politie en ambulance bleek dat zij was overleden. Uit het onderzoek van de politie kwam naar voren dat [slachtoffer] van de flat naar beneden moet zijn gevallen.

Verdachte is op verdenking van betrokkenheid bij de dood van haar dochter aangehouden op 8 juni 2015 en - na een aantal verhoren - op 10 juni 2015 heengezonden.

Op 9 november 2015 besloot de officier van justitie om verdachte niet verder te vervolgen en de zaak tegen verdachte te seponeren wegens gebrek aan bewijs.

De vader van [slachtoffer] , [naam vader] , heeft tegen deze beslissing een klacht ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering ingediend. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft bij beschikking van 23 maart 2017 de vervolging van verdachte bevolen. Naar aanleiding van deze beschikking heeft de politie een nieuw onderzoeksteam samengesteld en is het onderzoek dat in 2015 was afgesloten in april 2017 opnieuw opgestart.

Op 16 oktober 2017 is verdachte opnieuw aangehouden.

In het kader van het onderzoek in eerste aanleg zijn meerdere getuigen gehoord en (forensische) deskundigen geraadpleegd, onder wie de pathologen dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, prof. dr. B. Kubat en dr. D.J. Rijken. Deze drie deskundigen zijn ter terechtzitting van de rechtbank van 14 juni 2018 gehoord. Op die zitting is ook de deskundige prof. dr.

E. Otten, hoogleraar bewegingswetenschappen, gehoord. Verder zijn er rapporten uitgebracht d.d. 11 juli 2017 en 9 oktober 2017 door deskundige dr. H.G.T. Nijs, forensisch arts, deskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI). Op 24 mei 2018 heeft er onder leiding van de rechter-commissaris van de rechtbank Noord-Nederland een auditief onderzoek plaatsgevonden door ir. A. Eisses.

De rechtbank heeft verdachte bij het bestreden vonnis vrijgesproken van het tenlastegelegde (zie hierna) en haar onmiddellijk in vrijheid gesteld. Hiertegen heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld.

Ook in het kader van de procedure in hoger beroep zijn getuigen gehoord en deskundigen geraadpleegd. Het betreft hier de eerdergenoemde deskundigen Soerdjbalie-Maikoe, Kubat en Rijken, alsmede de Engelse deskundige C.P. Johnson BSc MD FRCPath DMJ, als forensisch patholoog verbonden aan het Royal Liverpool University Hospital.

Daarnaast hebben de deskundigen drs. K.E. Schreuder, arts-somnoloog en deskundige op het gebied van slaapgeneeskunde en slaapwandelen, en dr. G. Wolters, psycholoog, gerapporteerd. Deze zes deskundigen zijn ter terechtzitting van het hof op 8 december 2020 gehoord.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 8 juni 2015 te [plaats] , in elk geval in de gemeente [gemeente] , [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

- ernstig geweld op het lichaam van die [slachtoffer] uitgeoefend en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer] gewurgd, althans de keel/hals van die [slachtoffer] dichtgeknepen en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer] vanaf de tiende verdieping, althans vanaf een (grote) hoogte, van een flatgebouw (gelegen aan of bij [adres] ), naar beneden gegooid, althans doen of laten vallen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden

of

medeplichtigheid aan voornoemd feit, door op enigerlei wijze opzettelijk behulpzaam te zijn geweest en/of gelegenheid en/of (een) middel(en) en/of (een) inlichting(en) te verschaffen.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Inleiding

Het hof heeft kennis genomen van de standpunten van de advocaten-generaal en de verdediging over de aan de bewijsvoering in deze zaak te stellen juridische vereisten.

Naar aanleiding daarvan zal het hof bij de beantwoording van de strafrechtelijk inhoudelijk relevante vragen de volgende structuur hanteren.

Het hof zal eerst ingaan op de vraag of [slachtoffer] door een misdrijf om het leven is gekomen, dan wel of er aanknopingspunten zijn op grond waarvan een andere oorzaak voor het overlijden van [slachtoffer] aannemelijk is. Vervolgens gaat het hof in op de vraag of er

- in geval een misdrijf aan de orde is - voldoende redengevende feiten en/of omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan de betrokkenheid van de verdachte bij dat misdrijf vastgesteld kan worden.

Standpunten van de advocaten-generaal

De advocaten-generaal hebben zich - op nader in het schriftelijk requisitoir aangevoerde gronden - op het standpunt gesteld dat geen bewijs aanwezig is voor moord, maar dat er voldoende bewijs aanwezig is voor doodslag, uitgevoerd door middel van de feitelijke handelingen die in de tenlastelegging zijn genoemd onder het tweede en derde gedachtestreepje.

Standpunten van de verdediging

De verdachte heeft tijdens de behandeling van de strafzaak bij de rechtbank en bij het hof ontkend enige betrokkenheid te hebben gehad bij de dood van haar dochter [slachtoffer] .

Ter terechtzitting1 van het hof heeft verdachte - onder meer - verklaard dat zij op zondagavond 7 juni 2015 ruzie heeft gehad met [slachtoffer] . Die ruzie ging over het afnemen van de telefoon van [slachtoffer] omdat [slachtoffer] - tegen de tussen hen gemaakte afspraak in - die middag toch bij een vriendinnetje in de flat was gaan barbecueën.

De verdachte was na het eten op de avond van 7 juni 2015 samen met [slachtoffer] alleen thuis. Zij heeft [slachtoffer] omstreeks 20.00 uur naar bed gebracht. Later op de avond, omstreeks 21.30 uur of 22.00 uur, heeft zij - zoals gebruikelijk - [slachtoffer] uit bed gehaald om haar te laten plassen. Verdachte heeft verklaard dat zij niet weet of [slachtoffer] daarna nog wakker is geweest.

Rond middernacht is verdachte gaan slapen, gekleed in een hemdje en een string, waarna ze op een gegeven moment uit haar slaap wakker is geworden door een koude tocht in haar slaapkamer. Zij is toen in haar flatwoning op zoek gegaan naar de oorzaak van die tocht. Daarbij heeft zij ontdekt dat [slachtoffer] niet in haar bed lag en ook niet in de woning aanwezig was. Wèl heeft zij gezien dat het raam van de slaapkamer van haar dochter wagenwijd open stond. Dat raam grenst aan de galerijkant van de flatwoning. Verdachte is eerst in de flatwoning op zoek gegaan naar haar dochter, maar heeft haar niet aangetroffen. Vervolgens is zij naar buiten gegaan. Zij is gaan kijken, maar heeft [slachtoffer] niet aangetroffen op de galerij van de flat. Toen zij over de balustrade van de galerij van de flat naar beneden keek, om te zien of [slachtoffer] daar liep, heeft zij gezien dat haar dochter beneden voor de flat op de grond lag.

Zij heeft op dat moment geconcludeerd dat het niet goed was met haar dochter omdat zij niet bewoog. Vanaf dat moment heeft zij geen herinnering meer aan hetgeen er vervolgens is gebeurd tot het moment dat ze op het politiebureau terecht is gekomen, aldus de verdachte.

Toen ze [slachtoffer] zag liggen, wilde ze naar haar toe, heeft de verdachte nadien verklaard.

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte desgevraagd verklaard dat ze niet weet wat ze dacht op het moment dat ze [slachtoffer] onderaan de flat zag liggen.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit, op nader in het schriftelijke pleidooi aangevoerde gronden.

Het oordeel van het hof 2

Het aantreffen van [slachtoffer] onderaan de flat

Op 8 juni 2015, omstreeks 01.23 uur heeft de politiemeldkamer in Drachten een telefonische melding ontvangen van een incident bij de flat [adres] . Deze melding is afkomstig van de getuige [getuige 1]3.

De getuige [getuige 1]4heeft bij de politie het volgende verklaard.

Op 8 juni 2015 bevond hij zich in de woning van zijn moeder, aan [adres] , op de tweede etage van de flat. Omstreeks 01.00 uur is hij wakker geworden, waarna hij is gaan roken en weer op bed is gaan liggen.

Op een gegeven moment, omstreeks 01.15 of 01.20 uur, heeft hij een heel raar geluid gehoord, dat hem eerst nog deed denken aan een vuilniszak. Hij kon het geluid echter niet plaatsen en heeft meteen gedacht dat het niet goed was. Hij is tien seconden daarna buiten op de galerij van de flat gaan kijken en hij heeft beneden bij de flat iets of iemand zien liggen. De buurman van [adres] , [getuige 2] , stond toen ook al buiten en die heeft aan [getuige 1] gevraagd of hij iets had gehoord, waarop [getuige 1] heeft geantwoord dat er iemand lag. Vervolgens is hij naar beneden gegaan en heeft hij een meisje zien liggen. Tijdens het naar beneden gaan heeft hij het alarmnummer 112 gebeld. Zijn gesprek met het alarmnummer heeft bijna drie minuten geduurd.

[getuige 1] heeft voorts verklaard dat hij - vlak nadat hij het gesprek met het alarmnummer had beëindigd en toen hij nog naast het meisje stond - omhoog keek en daar iemand zag kijken. De persoon (een vrouw) keek en was meteen weer weg. [getuige 1] beschrijft het als een heen en weer gaande beweging, een schrikreactie, omdat ze van hem schrok. Hij dacht nog: straks springt ze erachteraan. Hij is vervolgens op straat gaan staan, ongeveer 15 meter van het meisje vandaan. Hij hoorde toen het geluid van een deur en heeft een vrouw in paniek zien lopen / rennen op de verdieping waar een lamp op de galerij knipperde (het hof begrijpt: de tiende verdieping5), in de richting van het trappenhuis. Hij heeft vervolgens gezien dat deze vrouw naar de tweede verdieping is gegaan, naar huisnummer 12, waar ze vervolgens ongeveer tien tot twintig seconden binnen is geweest. Daarna heeft hij gezien dat de ambulance is gearriveerd en dat de vrouw naar haar auto wilde lopen. [getuige 1] heeft een agent hierop gewezen, waarna de vrouw is staande gehouden.

Nadien is [getuige 1] nogmaals gehoord door de politie, op 10 mei 2017.6

[getuige 1] heeft toen verklaard dat later is gebleken dat de vrouw over wie hij in 2015 heeft verklaard de moeder van het meisje bleek te zijn en dat die vrouw niet naar haar dochter is gelopen, maar de andere kant op, richting haar auto.

De getuige [getuige 2], wonende op het adres [adres] , op de tweede etage, heeft bij de politie het volgende verklaard.7

Op 8 juni 2015 bevond hij zich in zijn flatwoning. Hij heeft een doffe knal gehoord en hij heeft gehoord dat de hond van de buren aansloeg en bleef blaffen, waarop hij binnen een minuut naar buiten is gelopen.

Hij heeft zijn buurman [getuige 1] iets verderop op de galerij zien staan. [getuige 2] heeft gezien dat [getuige 1] over de reling keek. [getuige 2] heeft aan [getuige 1] gevraagd of hij ook iets had gehoord, waarop [getuige 1] heeft geantwoord dat daar iemand beneden lag. [getuige 2] en [getuige 1] zijn naar beneden gegaan, waar ze een jong meisje zagen liggen. Omdat hij dacht dat er misschien nog wel iemand zou springen zijn ze in de straat gaan staan, uit de buurt van de flat.

[getuige 2] denkt dat ze daar ongeveer twee tot drie minuten hebben staan wachten op de politie. Toen hebben zij op de negende of tiende verdieping een jonge vrouw naar buiten zien lopen, met ferme passen, aldus [getuige 2] . Deze vrouw is naar de tweede verdieping gegaan, naar de flatwoning op nummer 12, waar ze naar binnen is gegaan.

[getuige 2] heeft deze vrouw in de gaten gehouden en heeft verklaard dat deze vrouw op het moment dat ze weer naar buiten is gekomen naar haar auto is gelopen. Ze keek niet naar haar kind.

Nadien is [getuige 2] nogmaals gehoord door de politie, op 11 mei 2017.8

[getuige 2] heeft toen verklaard dat de vrouw over wie hij in 2015 heeft verklaard de enige persoon was die actief was aan de galerijkant van de flat, onder meer op de galerij waar de verlichting knipperde (het hof begrijpt: de tiende verdieping) en dat hij de politie daarom heeft gewezen op deze vrouw. Haar gedrag was gehaast, aldus [getuige 2] .

Bevindingen politie en resultaten eerste forensische onderzoeken

De eerste politie-eenheid die op 8 juni 2015 ter plaatse is gekomen bestond uit hoofdagenten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . De ambulance reed vóór hen. De agenten zijn samen met de ambulance-medewerkers gaan kijken bij het meisje dat op de grond lag.

De ambulanceverpleegkundige zei dat er niets meer gedaan kon worden en dat het meisje overleden was.

Verbalisanten hebben ter plaatse gesproken met de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] .

Later die nacht is het stoffelijk overschot van het meisje opgehaald door de lijkauto.9

De tweede politie-eenheid die ter plaatse is gekomen bestond uit brigadier [verbalisant 3] en hoofdagent [verbalisant 4] . Bij aankomst werden zij door een man gewezen op een vrouw die zich bij de hoofdingang van de flat [adres] bevond.

Verbalisant [verbalisant 3] 10 ziet dan een vrouw vanaf de hoofdingang van de flat in de richting van de parkeerplaats voor de flat lopen, in de richting van een auto. [verbalisant 3] is met [verbalisant 4] naar de vrouw gelopen. [verbalisant 3] ziet dat de vrouw een bos met sleutels in haar handen heeft en dat zij met één van die sleutels probeerde het bestuurdersportier van de auto te openen.

[verbalisant 3] heeft de vrouw daarop gevraagd wie ze was en wat ze aan het doen was. De vrouw keek [verbalisant 3] daarop aan, waarna [verbalisant 3] constateert dat ze verdwaasd uit haar ogen kijkt. [verbalisant 3] constateert dat haar adem naar drankgebruik ruikt en stelt vast dat ze onvast ter been is en dat ze gekleed is in een rode broek en een zwart hemdje. Hij hoort haar zeggen dat ze een sigaret wil en dat haar sigaretten in haar auto liggen. [verbalisant 3] heeft vervolgens het bestuurdersportier van de auto geopend en heeft gezien dat er een pakje sigaretten in het opbergvak van dit portier lag. Hij heeft de vrouw een sigaret uit dit pakje gegeven.

Hij heeft gezien dat de vrouw een aansteker bij zich had en dat zij de sigaret aanstak.

Hij heeft gehoord dat de vrouw niet heeft gereageerd op de herhaalde vraag van [verbalisant 4] aan de vrouw wat haar naam was. [verbalisant 3] heeft geconstateerd dat de vrouw twee flesjes bier bij zich droeg, onder haar hemd, ter hoogte van haar buik / broeksband. Hij hoort en ziet dat de vrouw vervolgens begint te huilen en zegt dat ze haar meisje wil zien.

[verbalisant 3] hoort dat [verbalisant 4] tegen de vrouw zegt dat ze niet tot antwoorden verplicht is en dat [verbalisant 4] aan haar vroeg wat er was gebeurd. [verbalisant 3] hoort dat de vrouw zegt dat ze vanmiddag ruzie heeft gehad met haar dochter en dat haar dochter gezegd had dat ze haar haatte. [verbalisant 3] hoort voorts dat ze zegt dat haar ouders vanmiddag op bezoek zijn geweest en dat haar ouders ook gehoord hebben dat ze ruzie hadden. [verbalisant 3] hoort haar zeggen dat ze bier heeft gedronken en dat ze een afscheidsbriefje van haar dochter in de woning had zien liggen. [verbalisant 3] heeft gehoord dat de vrouw diverse keren zei dat ze naar haar dochter wilde, waarop [verbalisant 3] haar heeft proberen uit te leggen dat dit gezien de situatie niet mogelijk was. [verbalisant 3] heeft ook gehoord dat de vrouw zei dat ze vanavond samen met haar dochter thuis was geweest. Nadat [verbalisant 3] van [verbalisant 4] heeft gehoord dat het meisje was overleden, heeft [verbalisant 3] de vrouw meegedeeld dat haar dochter was overleden.

Verbalisant [verbalisant 4] heeft min of meer eender verklaard als [verbalisant 3] .11

Aanvullend heeft [verbalisant 4] verklaard dat zij omstreeks 01.30 uur ter plaatse kwamen en door een man werden gewezen op een vrouw die van hun weg liep in de richting van de parkeerplaats van [adres] .

[verbalisant 4] is samen met zijn collega [verbalisant 3] naar deze vrouw gelopen en heeft gehoord dat [verbalisant 3] aan deze vrouw heeft gevraagd waar ze heen ging, waarop de vrouw heeft geantwoord dat ze sigaretten moest halen. [verbalisant 4] heeft gezien dat de vrouw verward was en haar sleutel in het sleutelgat van de auto stak. [verbalisant 4] heeft gezien dat [verbalisant 3] voor de autodeur ging staan en dat hij de deur dicht hield. [verbalisant 4] hoorde de vrouw zeggen dat ze graag een sigaret uit de auto wilde hebben en [verbalisant 4] zag dat [verbalisant 3] deze uit de auto haalde. Op de vraag van [verbalisant 4] aan deze vrouw wat er gebeurd was, hoorde [verbalisant 4] de vrouw zeggen dat ze vanmiddag ruzie had gehad met haar dochter. Zij hoorde de vrouw tevens iets zeggen over een afscheidsbrief die in de woning lag en waarop stond “ik haat je”; dit zou haar dochter hebben geschreven.

[verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben de verdachte op 8 juni 2015 omstreeks 01.49 uur aangehouden.12

Uit forensisch onderzoek13 ter plaatse door de politie op 8 juni 2015 is gebleken dat [slachtoffer] ongeveer twee meter vanaf de gevel van de flat op straat lag.

Aan de hand van temperatuurmetingen en het nomogram van Henssge is geconcludeerd dat het tijdstip van overlijden van [slachtoffer] kan overeenkomen met het tijdstip van de melding (van de getuige [getuige 1] , zo begrijpt het hof).

Voorts is vastgesteld dat het licht op de galerij voor de flatwoning [adres] (de woning van de verdachte, aldus het hof) knipperde en dat dit tevens het enige licht op de flatgalerijen was dat knipperde.14

Uit bloedonderzoek van verdachte15 is gebleken dat zij ten tijde van haar aanhouding op

8 juni 2015 onder invloed van alcohol verkeerde. In het om 04.30 uur afgenomen bloedmonster werd een concentratie ethanol (alcohol) gemeten van 1,7 mg/ml. Teruggerekend naar het tijdstip van de eerste melding bij 112 om 01.23 uur zou de ethanolconcentratie in verdachtes bloed op dat moment gelegen hebben tussen 2,0 en 2,5 mg/ml.

In de woning met nummer 12, op de tweede etage van de flat, bleek [getuige 3] te wonen, een vriend van verdachte. Hij was in de nacht van 7 op 8 juni 2015 niet thuis. [getuige 3] heeft bij de politie verklaard16 dat verdachte een sleutel van zijn woning had, dat verdachte wel eens vaker bier bij hem ophaalde en dat zijn koelkast leeg was toen hij weer thuis kwam.

[getuige 3] heeft ook verklaard over het drankgebruik van verdachte en over een incident dat een paar weken voor 8 juni 2015 had plaatsgevonden, rond het verjaardagsfeestje van [slachtoffer] (het hof begrijpt: in de week van 19 mei 201517). Verdachte had toen de sleutel van haar woning bij [getuige 3] op tafel gegooid en gezegd dat ze klaar was met jeugdzorg en met de vader van [slachtoffer] . Ze is vervolgens vertrokken en heeft de zorg voor [slachtoffer] aan [getuige 3] overgelaten. Toen verdachte na een paar dagen terugkwam vertelde ze aan [getuige 3] dat ze in Duitsland was geweest, dat ze zich eigenlijk tegen een boom aan wilde rijden maar dat kon ze niet, in verband met [slachtoffer] .

Uit de verklaringen van de ouders van verdachte18 blijkt dat zij op de middag van 7 juni 2015 bij verdachte en [slachtoffer] op bezoek zijn geweest. Uit die verklaringen blijkt ook dat verdachte drie weken overspannen thuis was geweest en op 8 juni 2015 weer aan het werk zou gaan. Verdachte had veel problemen met jeugdzorg en met de vader van [slachtoffer] over de omgangsregeling en over de alimentatie voor [slachtoffer] .

Rond 20.00 uur op 7 juni 2015 heeft verdachte telefonisch contact gehad met haar moeder en was toen over haar toeren.

In de nacht van 8 juni 2015 heeft de politie de flatwoning van verdachte, [adres] , betreden ten behoeve van sporenonderzoek. Daarbij is in de slaapkamer van [slachtoffer] , op de grond naast haar bed, een A-4-papier aangetroffen, met daarop de tekst “Mama ik haat je”19.

Met betrekking tot dit briefje is een vergelijkend handschriftonderzoek verricht door ing. C. Verhulst, deskundige van het NFI20.

In het hierover uitgebrachte rapport is als conclusie opgenomen dat de resultaten van het onderzoek veel waarschijnlijker zijn wanneer juist is de hypothese dat het betwiste handschrift is geschreven door [slachtoffer] , dan wanneer juist is de hypothese dat het handschrift is geschreven door een willekeurige andere persoon dan [slachtoffer] .

In een rapport Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood d.d. 6 juli 2015 heeft dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog, werkzaam bij het NFI, geconcludeerd dat bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] het intreden van de dood wordt verklaard op grond van uitgebreide weefselschade aan de hersenen en longen en samengevallen longen, met functieverlies van deze vitale organen. Dit was opgelopen in het kader van bij leven doorgemaakt hoogenergetisch trauma, zoals bij een val van een hoogte of een transportongeval kan worden opgeleverd21.

Geen slaapwandelen, geen zelfdoding

In het vonnis van de rechtbank is nadrukkelijk stilgestaan bij de mogelijkheid dat [slachtoffer] om het leven kan zijn gekomen ten gevolge van slaapwandelen, dan wel dat er sprake kan zijn geweest van zelfdoding.

In het requisitoir hebben de advocaten-generaal deze scenario’s belicht en gemotiveerd verworpen. De verdediging heeft ruim aandacht besteed aan het scenario slaapwandelen.

Het hof concludeert dat het strafdossier geen enkele concrete aanwijzing biedt voor een scenario waarin de dood van [slachtoffer] kan worden verklaard of aannemelijk kan worden geacht vanuit slaapwandelen of zelfdoding door [slachtoffer] .

Met betrekking tot het ontbreken van enige concrete aanwijzing voor slaapwandelen overweegt het hof aanvullend het volgende.

In het strafdossier bevinden zich enkele getuigenverklaringen van buren (mede-flatbewoners), kennissen en familieleden waarbij is ingegaan op de vraag of zij ooit hebben gezien of gemerkt dat [slachtoffer] heeft geslaapwandeld. Deze vraag is door het merendeel van deze getuigen ontkennend beantwoord. Enkele getuigen hebben anders verklaard, zij het dat deze getuigen hun wetenschap over mogelijk slaapwandelen door [slachtoffer] niet ontlenen aan eigen waarneming, maar uit een andere bron (van horen zeggen). De betreffende bron van wie de informatie afkomstig zou zijn bevestigde de mededelingen echter in het geheel niet.22

De getuige [getuige 5]23 heeft verklaard over "af en toe een vorm van slaapwandelen", waarbij [slachtoffer] een paar stappen in de kamer zette en door haar moeder weer terug naar bed werd gebracht. Of daarmee daadwerkelijk sprake is geweest van slaapwandelen of dat [slachtoffer] slaapdronken uit bed was gekomen, is uit de verklaring van [getuige 5] echter niet op te maken. In dit verband acht het hof vooral van belang dat de personen die [slachtoffer] het meest van nabij hebben gekend, te weten haar vader, [naam vader] , en de grootouders van [slachtoffer] , hebben verklaard dat zij er nooit iets van hebben gezien of gemerkt dat [slachtoffer] zou slaapwandelen. Integendeel: [slachtoffer] sliep altijd dóór wanneer zij eenmaal in slaap was gevallen. Wel hebben verdachte en de grootouders verklaard dat [slachtoffer] steevast later op de avond door hen uit bed werd gehaald om haar naar het toilet te begeleiden en haar te laten plassen. [slachtoffer] wist daar naderhand niets meer van.

Verdachte zelf heeft aanvankelijk niets verklaard over slaapwandelen door [slachtoffer] .

Eerst ter terechtzitting van de rechtbank op 14 juni 2018 heeft verdachte verklaard dat er volgens haar eenmaal sprake is geweest van slaapwandelen.24 Volgens verdachte is er geen verwijzing geweest naar een slaapwandelpoli, alleen naar een plaspoli. Ook de huisarts van [slachtoffer] heeft in april 2018 geschreven - in tegenstelling tot een eerder bericht afkomstig van de huisartsenpost - dat er geen sprake is geweest van een verwijzing naar een slaapwandelpoli.25

Met betrekking tot het rapport van 5 maart 2020 van de deskundige K.E. Schreuder, arts-somnoloog en expert slaapgeneeskunde, en de door deze deskundige ter terechtzitting van het hof van 8 december 2020 gegeven toelichting, is het hof van oordeel dat de conclusies van de deskundige niet voldoen aan de daarvoor in het strafrecht geldende maatstaven.

Het hof onderschrijft de kritische kanttekeningen die de advocaten-generaal in het requisitoir hebben geplaatst bij de bevindingen van Schreuder voor wat betreft de gebrekkige uitwerking van de verschillende hypotheses en de selectieve en/of onjuiste lezing en waardering van verklaringen van getuigen. Deskundige Schreuder lijkt te zijn uitgegaan van de idee dat [slachtoffer] zou hebben geslaapwandeld in de fatale nacht van 7 op 8 juni 2015 en hij lijkt vervolgens slechts op zoek te zijn gegaan naar aanknopingspunten voor dat uitgangspunt. Daarbij heeft hij selectief informatie uit het dossier gehaald.

Ook de toelichting op de conclusies van de deskundige, gegeven ter terechtzitting van het hof, acht het hof op meerdere onderdelen (te) inconsistent, onvoldoende (wetenschappelijk) onderbouwd en derhalve - in totaliteit bezien - niet dragend voor zijn conclusies. Gelet hierop legt het hof dit rapport terzijde en worden de conclusies van de deskundige niet overgenomen.

Concluderend is het hof van oordeel dat de mogelijkheid van slaapwandelen als oorzaak van de val van [slachtoffer] niet aannemelijk is geworden.

Met betrekking tot het ontbreken van enige concrete aanwijzing voor zelfdoding overweegt het hof aanvullend het volgende.

Uit het dossier blijkt dat meerdere deskundigen zijn ingegaan op de vraag naar vóórkomen van zelfdoding bij kinderen van (circa) acht jaar oud.26 Uit de bevindingen van de deskundigen Nijs en Rijken en de door hen aangehaalde bronnen maakt het hof op dat zelfdoding zeer uitzonderlijk voorkomt bij kinderen tot tien jaar. De hierbij geplaatste kritische kanttekening en relativering van de deskundige Soerdjbalie-Maikoe doet in essentie aan deze conclusie niet af. Van groter belang acht het hof in dit verband dat uit de vele verklaringen van directe familie en andere getuigen, zoals haar leerkrachten, die [slachtoffer] goed hebben gekend, geen enkele aanwijzing naar voren komt voor psychische problematiek of suïcidale uitingen bij [slachtoffer] .

Integendeel: [slachtoffer] is door hen beschreven als een ongecompliceerd en vrolijk kind dat het op school ook heel behoorlijk deed.

Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat de mogelijkheid van zelfdoding als oorzaak van de val van [slachtoffer] niet aannemelijk is geworden.

Tussenconclusie van het hof

Uit de voorgaande overwegingen met betrekking tot een andere mogelijke oorzaak voor het overlijden van [slachtoffer] , bezien in samenhang met de feiten zoals tot nu toe in dit arrest door het hof genoemd, volgt dat [slachtoffer] door toedoen van een ander over de balustrade van de tiende verdieping van de flat is gevallen. Het hof concludeert dan ook dat sprake is geweest van een misdrijf. Daarmee ligt de vraag voor of verdachte betrokken is bij dit misdrijf.

Het hof gaat uit van de voorgaande en volgende feiten en omstandigheden

Vóór [slachtoffer] haar val van de flat was zij ’s avonds en ’s nachts alleen met haar moeder - verdachte - in de flatwoning op de tiende etage aanwezig. Direct na het aantreffen van [slachtoffer] onderaan de flat, hebben getuigen alleen verdachte gezien op de galerij van de tiende etage (en haar nadien via het trappenhuis naar de tweede etage zien gaan en daarna naar buiten).

Uit de camerabeelden van de bewakingscamera’s van de flat27 - voor zover die destijds geraadpleegd zijn - volgt ook dat verdachte omstreeks 01.36 uur uit de flat naar buiten is gekomen. Met uitzondering van de getuige [getuige 6] (het hof begrijpt: de moeder van de getuige [getuige 1] ) heeft de politie geen melding gemaakt van waarnemingen met betrekking tot andere personen die in het tijdvak van (omgerekend) 01.15 uur tot 02.15 uur op de camerabeelden te zien waren.

Het hof constateert voorts dat geen van de gehoorde getuigen die de bewuste nacht in of nabij de flat aanwezig waren - met name de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] niet - hebben verklaard over geluiden als gillen, roepen of schreeuwen, van hetzij [slachtoffer] , hetzij van verdachte op het moment dat zij over de reling van de tiende verdieping naar beneden keek. Verder constateert het hof dat verdachte - na haar blik over de reling vanaf de tiende verdieping en het ontwaren van [slachtoffer] daar beneden - direct heeft geconcludeerd dat het niet goed was met [slachtoffer] , omdat [slachtoffer] niet bewoog. Uitgaande van de lezing van verdachte kon zij op dat moment echter nog niet weten wat er gebeurd was en hoe [slachtoffer] daar terecht was gekomen. In dit verband bevreemdt het des te meer dat verdachte niet de naam van haar dochter heeft geroepen toen ze zag dat [slachtoffer] niet bewoog.

Ook bevreemdt het dat verdachte niet direct naar haar dochter is gegaan om poolshoogte te nemen, maar eerst naar de woning van een kennis op de tweede verdieping en daarna naar haar auto is gegaan om sigaretten te pakken.

Met betrekking tot het briefje acht het hof voorts van belang dat verdachte direct zelf tegenover de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] melding heeft gemaakt van het briefje, de tekst op het briefje "ik haat je" en het briefje heeft betiteld als een afscheidsbriefje dat door [slachtoffer] zelf was geschreven.

Indien en voor zover de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft beoogd te betwisten dat bedoeld briefje door [slachtoffer] is of kan zijn geschreven - onder meer omdat [slachtoffer] nooit het woord “haat” gebruikte - volgt het hof de verdachte daarin niet.

De enkele omstandigheid dat de verdachte zich thans niet meer kan herinneren destijds met [verbalisant 3] en [verbalisant 4] over het briefje te hebben gesproken, kan hieraan niet afdoen. [verbalisant 3] en [verbalisant 4] zijn er allebei heel duidelijk over. Bovendien bevat het procesdossier het eerder genoemde rapport van handschriftdeskundige ing. C. Verhulst dat de stelling dat [slachtoffer] de schrijver is van het briefje ondersteunt.

Verdachte was in de periode voorafgaand aan 8 juni 2015 enkele weken overspannen thuis en had veel stress door de contacten met jeugdzorg en de vader van [slachtoffer] . In mei

2015 is zij een paar dagen weggeweest, zonder daarbij opvang voor haar dochter te regelen. Bij terugkomst heeft verdachte zich suïcidaal uitgelaten tegenover haar vriend [getuige 3] .

Op de avond van 7 juni 2015 was verdachte over haar toeren. Toen zij werd aangehouden door de politie was zij (zwaar) onder invloed van alcohol.

Voor wat betreft het tijdstip van overlijden gaat het hof uit van de bevindingen zoals die door patholoog Soerdjbalie-Maikoe zijn opgenomen in het rapport d.d. 6 juli 2015 en die erop neerkomen dat [slachtoffer] nog leefde op het moment dat zij naar beneden viel. Door de val is zij overleden.28 Bezien in samenhang met het geluid waardoor de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] werden gealarmeerd, concludeert het hof dat [slachtoffer] omstreeks 01.20 uur moet zijn overleden. Het hof acht het, gezien de feitelijke gebeurtenissen die direct volgden op het geluid dat [getuige 1] en [getuige 2] hoorden, volstrekt onwaarschijnlijk dat [getuige 1] en [getuige 2] op dat tijdstip een ander geluid hebben gehoord dan het neerkomen van [slachtoffer] op de grond en dat [slachtoffer] al eerder die nacht van de flat was gevallen. Hetgeen de raadsman in dit verband heeft aangevoerd wordt derhalve verworpen.

De verklaringen van de getuige [getuige 4]

In mei en juni 2017 heeft de politie opnieuw een buurtonderzoek verricht in de flat [adres]29. In dat kader heeft de getuige [getuige 4] , de bovenbuurman die recht boven de flatwoning van de verdachte aan [adres] woonde, op 22 mei 2017 bij de politie een verklaring afgelegd.30 heeft het volgende verklaard, voor zover hier van belang.

In de nacht van het overlijden van [slachtoffer] is [getuige 4] tussen middernacht en

00.30

uur naar bed gegaan, om eerst dertig tot veertig minuten te mediteren en daarna te gaan slapen. Hij heeft in dat tijdsbestek een gesprek gehoord tussen zijn onderburen, de moeder en het meisje (het hof begrijpt: verdachte en [slachtoffer] ). [getuige 4] heeft verklaard dat hij zijn onderburen wel eens vaker had gehoord en hen herkende aan hun stemmen. Het was voor zijn gevoel een normaal gesprek.

Hij is gaan mediteren om 00.30 uur en tegen 01.15 uur was hij klaar en toen hoorde hij geen stemmen (van zijn onderburen) meer. Wel hoorde hij even later een doffe knal waar zijn bed van trilde. Er knalde iets heel hard tegen de muur beneden. Na ongeveer 10 minuten hoorde hij iets over de reling gaan; hij dacht aan een vuilniszak die over de reling werd gegooid.

Hij heeft niemand horen schreeuwen of gillen.

Op 7 juli 2017 heeft brigadier [verbalisant 5] telefonisch contact gehad met de getuige [getuige 4] .31

In dat telefoongesprek heeft [getuige 4] verklaard dat hij na het overlijden van [slachtoffer] , in dezelfde week, is bezocht door twee agenten die zijn verklaring in een notitieblokje hebben opgeschreven. [getuige 4] had verwacht dat hij nog iets zou horen van de agenten, maar dat is niet gebeurd.

Op 28 september 2017 verklaarde [getuige 4] aanvullend dat het gesprek met de politie op de woensdagmiddag na het incident (het hof begrijpt: 10 juni 2015) moet hebben plaatsgevonden.

Ondanks naspeuringen door de politie op dit aspect is niet opgehelderd of en zo ja, welke agenten de getuige [getuige 4] destijds in juni 2015 hebben gesproken. Een proces-verbaal of aantekeningen van een dergelijk gesprek konden niet worden getraceerd.32

Niettemin kan op basis van de bewijsmiddelen worden vastgesteld dat de getuige [getuige 4] in juni 2015 wel degelijk heeft gesproken met de politie. Dat blijkt uit de verklaringen van zijn maatschappelijk werkers [maatschappelijk werker 1] en [maatschappelijk werker 2] , afgelegd bij de politie op 22, respectievelijk 29 januari 2018 en uit hun aantekeningen in het registratiesysteem van de Stichting Welzijn Werk [plaats] . Daaruit blijkt namelijk dat de getuige [getuige 4] op 11 juni 2015 aan zijn maatschappelijk werker [maatschappelijk werker 2] heeft verteld dat hij bezoek heeft gehad van de recherche over het incident van [adres] en dat hij op 11 april 2016 aan maatschappelijk werker [maatschappelijk werker 1] heeft verteld dat hij moeder en dochter heeft horen praten en dat hij dit heeft besproken met de rechercheurs.33

Gelet met name op het korte tijdsverloop tussen de datum van het incident, in de nacht van

7 op 8 juni 2015, en het gesprek van [getuige 4] met de maatschappelijk werker op

11 juni 2015, staat voor het gerechtshof in voldoende mate vast dat hetgeen [getuige 4] in de daartussen liggende tijd heeft besproken met de politie betrekking heeft gehad op hetgeen hij heeft gehoord in de nacht van 7 op 8 juni 2015.

De getuige [getuige 4] heeft vervolgens op 21 december 2017 bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Nederland, het navolgende verklaard, voor zover hier van belang34.

[getuige 4] heeft verklaard dat hij tweemaal door de politie is verhoord. De eerste keer was in dezelfde week als het incident. Toen zijn twee agenten bij hem aan de deur gekomen en zij hebben gevraagd of hij iets heeft gehoord en hebben iets opgeschreven. Deze agenten hebben hem verteld waarom ze bij hem kwamen, ze gingen namelijk alle omliggende woningen af.

De tweede keer was op 22 mei 2017 en toen heeft hij hetzelfde verklaard als de eerste keer.

Op die dag kwamen twee agentes bij hem aan de deur en die hebben ook eerst alles opgeschreven wat hij vertelde. Toen [getuige 4] tegen hen zei dat ze alles al wisten wat hij te vertellen had, waren deze agentes verbaasd, aldus [getuige 4] .

[getuige 4] verklaarde bij de rechter-commissaris dat hij blijft bij de verklaring zoals hij die eerder heeft afgelegd bij de politie en antwoordt op de aan hem gestelde vragen over zijn waarnemingen tussen middernacht en 01.00 uur in de nacht van 7 op 8 juni 2015 op hoofdlijnen identiek als in zijn eerdere verklaring.

Aanvullend daarop heeft [getuige 4] verklaard dat hij de stemmen van zijn onderbuurvrouw en haar dochter (het hof begrijpt: verdachte en [slachtoffer] ) herkende omdat hij hun stemmen eerder had gehoord. De flat is vrij gehorig. Hij was al een tijdje aan het mediteren toen hij hoorde dat zijn onderbuurvrouw praatte met haar dochtertje. Hij schatte dat het gesprek tussen moeder en dochter ongeveer twintig minuten heeft geduurd, dat hij zo'n tien minuten daarna een harde bons hoorde en nog eens vijf of tien minuten later hoorde hij tikken tegen de reling. Het raam van de slaapkamer van [getuige 4] was open.

Voorts heeft [getuige 4] - op de vraag hoe hij weet dat hetgeen hij heeft gehoord door hem is gehoord in de nacht dat het meisje gevallen is - geantwoord dat zijn familie hem kort nadat dit gebeurd was heeft gevraagd of hij iets heeft gehoord en dat hij toen bij zichzelf te rade is gegaan wat hij heeft gehoord die nacht.

Door de verdachte en door haar raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep verweer gevoerd tegen het gebruik van deze verklaringen voor het bewijs. Volgens verdachte heeft zij rond middernacht in de nacht van 7 op 8 juni 2015 geen gesprek gehad met haar dochter en heeft zij ook geen harde bons gehoord. Ook heeft de verdachte verklaard dat naast haar ook een moeder met kind woont. Daarmee werpt zij kennelijk de suggestie op dat de getuige [getuige 4] zich kan hebben vergist in de herkomst van het door hem genoemde gesprek tussen een moeder en haar kind.

De raadsman van de verdachte heeft - op nader in de pleitnota genoemde gronden - aangevoerd dat niet (voldoende) vastgesteld kan worden wat de getuige [getuige 4] heeft waargenomen en dat evenmin (voldoende) vastgesteld kan worden dat hetgeen [getuige 4] heeft waargenomen betrekking heeft op de nacht van 7 op 8 juni 2015. Mogelijk gaat het om een waarneming door [getuige 4] op een andere datum, aldus de verdediging.

Het hof is van oordeel dat hetgeen aldus door de verdachte en haar raadsman is aangevoerd wordt weerlegd door de inhoud van de door het gerechtshof in dit kader gebezigde bewijsmiddelen en bewijsredenering, waarop hieronder nader wordt ingegaan.

Verklaringen dienen te worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid.

De enkele omstandigheid dat in verklaringen van een getuige op onderdelen tegenstrijdigheden voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Dit kan immers zijn veroorzaakt door de feilbaarheid van het menselijk geheugen, al dan niet teweeg gebracht onder invloed van emoties of bijvoorbeeld het verstrijken van de tijd. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop die verklaringen zijn afgelegd.

Het hof overweegt dat de getuige [getuige 4] in grote lijnen consistent is in zijn verklaringen over hetgeen hij in de nacht van 7 op 8 juni 2015, tussen middernacht en

01.30

uur, heeft gehoord.

Ook kan worden vastgesteld - zoals hierboven reeds is overwogen - dat de getuige kort na het incident op 8 juni 2015, al vóór 11 juni 2015, gesproken heeft met de politie over zijn waarnemingen zodat een vergissing met betrekking tot de datum niet aannemelijk is. Van relevante beïnvloeding van de getuige van buitenaf, door berichtgeving in de media dan wel door gesprekken met anderen, is niet gebleken noch is dit aannemelijk geworden.

Verder overweegt het hof dat uit het auditief onderzoek dat op 24 mei 2018 onder leiding van de rechter-commissaris van de rechtbank Noord-Nederland heeft plaatsgevonden35, blijkt dat hetgeen [getuige 4] zegt te hebben gehoord door hem ook daadwerkelijk kan zijn gehoord. De conclusie van het onderzoek is hierover derhalve bevestigend. Daarnaast is onderzocht of het gesprek ook uit een ander appartement dan uit het appartement van verdachte afkomstig kan zijn geweest. De conclusie van het onderzoek is dat dit weliswaar niet geheel uitgesloten kan worden, maar dat dit niet waarschijnlijk is.

In het kader van de behandeling van de zaak in hoger beroep is voorts een onderzoek gelast naar de betrouwbaarheid van de door de getuige [getuige 4] afgelegde verklaringen.

Het onderzoek is uitgevoerd door dr. G. Wolters, gerechtelijk deskundige op het gebied van Legal Psychology - Statement Validity. In zijn rapport van 11 juli 2019 heeft deze deskundige geconcludeerd dat de door de getuige [getuige 4] afgelegde verklaringen in ‘aanzienlijke mate betrouwbaar’ zijn, op nader in het rapport aangeduide gronden.36

De deskundige Wolters heeft ter terechtzitting van het hof van 8 december 2020 zijn rapport en zijn bevindingen toegelicht en vragen daarover beantwoord.37

Het hof onderschrijft de conclusie van deze deskundige en de daaraan ten grondslag gelegde argumenten en maakt deze tot de zijne.

De raadsman heeft opgemerkt dat de deskundige volgens hem niet over alle relevante informatie heeft beschikt bij het opstellen van zijn rapport. Gedoeld wordt op de informatie afkomstig van genoemde maatschappelijk werkers.

Het hof stelt vast dat de deskundige in zijn rapport een opsomming heeft opgenomen van de hem ter beschikking gestelde stukken. Daarbij zijn de verklaringen van de maatschappelijk werkers niet opgenomen. Het hof overweegt dat het ontbreken van die verklaringen geen afbreuk kan doen aan de conclusie van de deskundige, omdat die verklaringen nu juist de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 4] nader verankeren.

Op grond van het bovenstaande verwerpt het hof het bewijsverweer.

Het bovenstaande leidt ertoe dat het hof de verklaringen van de getuige [getuige 4] , zoals die hierboven in zakelijke bewoordingen zijn omschreven, betrouwbaar acht en derhalve bruikbaar als bewijsmiddel.

Tussenconclusie van het hof

Op grond van hetgeen de getuige [getuige 4] heeft verklaard over het gesprek dat hij na middernacht in de nacht van 7 op 8 juni 2015 heeft gehoord tussen de verdachte en [slachtoffer] , stelt het hof vast dat de verdachte niet naar waarheid heeft verklaard over hetgeen vooraf ging aan de val van [slachtoffer] . Er is toen - anders dan de verdachte het heeft willen doen voorkomen - een gesprek geweest tussen de verdachte en [slachtoffer] , op de slaapkamer van [slachtoffer] . Gelet op de geluiden die [getuige 4] ná middernacht heeft gehoord en de korte tijdspanne tussen de verschillende geluiden - eindigend met tikken tegen de reling - was verdachte wakker na middernacht.

Wat heeft zich afgespeeld in de fatale nacht?

Onvoldoende aanwijzingen voor ernstige geweldsuitoefening voorafgaand aan de val

Anders dan de advocaten-generaal, ziet het hof geen redengevende feiten en/of omstandigheden die duiden op het - voorafgaand aan de val - wurgen van [slachtoffer] , dan wel het dichtknijpen van haar keel/hals door de verdachte. Het hof grondt dit op het volgende.

Radiologisch onderzoek, CT scan, verricht door V. Niehe, radioloog, op 21 juni 2015

Aan de hand van de vraag of het slachtoffer mogelijk geleefd heeft voor de val en of er mogelijk tekenen van eventuele strangulatie zijn, is een CT scan van hoofd/hals en een total body CT scan gemaakt. Hiernaast is er een CT scan van het strottenhoofd gemaakt. In het strottenhoofd zijn geen aanwijzingen voor fracturen gevonden.

Met betrekking tot de bij [slachtoffer] aangetroffen letsels en de interpretatie daarvan is het hof voorgelicht door de rapporten en nadere toelichtingen daarop, van een viertal deskundigen.

De vier deskundigen Soerdjbalie-Maikoe, Rijken, Kubat en Johnson zijn gehoord ter terechtzitting van het hof van 8 december 2020. Zij hebben hun bevindingen, met name die over het ontstaan van de bij [slachtoffer] aangetroffen puntbloedingen, toegelicht, hebben vragen beantwoord en hebben afsluitend verklaard te blijven bij de inhoud van hun rapporten en bevindingen. Het ontstaan van puntbloedingen is in deze zaak van belang, omdat het een aanwijzing kan zijn voor voorafgaand uitgeoefend geweld.

Anders dan de raadsman, heeft het hof op grond van het overgelegde curriculum vitae en hetgeen Rijken ter zitting van het hof nader over zijn ervaringsopbouw heeft verklaard, geen twijfel over de deskundigheid van Rijken.

Rijken heeft daarbij aanvullend verklaard dat het destructieve letsel dat door de val is veroorzaakt heeft geleid tot drukverval in het bloedvatenstelsel en dat daardoor in zijn visie na de val onmogelijk puntvormige bloedingen in de bindvliezen van de ogen kunnen zijn ontstaan. Soerdjbalie-Maikoe en Kubat hebben hierop gereageerd dat de praktijk, zoals zij die kennen, (regelmatig) anders uitwijst.

Johnson heeft onder meer verklaard dat hevig kuchen of hevig hoesten kan leiden tot een toename van druk (in het bloedvatenstelsel, zo begrijpt het gerechtshof), zij het dat het wetenschappelijk bewijs daarvoor niet overtuigend is.

Rijken heeft verklaard dat puntvormige bloedingen óók kunnen ontstaan bij obstipatie.

Soerdjbalie-Maikoe heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer verklaard dat je de ouderdom van puntvormige bloedingen niet kunt vaststellen. Deze kunnen post mortem zijn ontstaan; het kan ook langer geleden zijn dat deze zijn ontstaan. De drie andere deskundigen hebben verklaard het hierover eens te zijn met Soerdjbalie-Maikoe.

Kubat heeft ter terechtzitting in hoger beroep aanvullend verklaard dat wurging niet uit te sluiten is en dat zij niet kan aangeven of verwurging méér waarschijnlijk is dan géén verwurging. Voorts heeft zij verklaard dat zij niet kan uitsluiten dat de twee kleine bloeduitstortingen in de hals een uitbreiding of doordrenking betreft die (van)uit diepere structuren naar boven zijn gekomen, maar dat het ook door vingerafdrukken kan zijn veroorzaakt, óók van na de val. Dat de beide bloeduitstortingen zijn ontstaan bij leven, is volgens Kubat waarschijnlijker.

Johnson heeft ter terechtzitting in hoger beroep aanvullend verklaard dat de bloeduitstortingen in de hals méér zichtbaar werden op de derde fotoserie (sectie), dat wil zeggen: méér zichtbaar dan op de eerste (de plaats van het delict) en de tweede (klinisch onderzoek) fotoserie. Het is niet te zeggen wanneer die letsels zijn ontstaan. Wanneer die letsels bij leven zijn ontstaan en dan niet te zien zijn, dan nog is het mogelijk dat dit letsel nadien wèl zichtbaar wordt.

Soerdjbalie-Maikoe, Kubat en Rijken hebben ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het kan zijn dat een hand van [slachtoffer] tussen haar hals en de grond terechtgekomen is, zij het dat volgens Rijken dan méér letsel aan die hand zou worden verwacht. Johnson heeft hierop verklaard dat het een interessante gedachte is dat in het dynamische proces van de val een arm met de hals in aanraking gekomen kan zijn.

Het hof stelt vast dat over de mogelijke oorzaak van de puntvormige bloedingen op de bindvliezen van de ogen verschil van opvatting is tussen de deskundigen. Verschil van opvatting is er eveneens over de oorzaak van de onderhuidse bloeduitstortingen in de hals, met dien verstande dat zowel Rijken als Kubat dit letsel niet kunnen verklaren door de val en toeschrijven aan verwurging, respectievelijk samendrukkend of botsend geweld op de hals.

Met betrekking tot de puntvormige bloedingen overweegt het hof daarnaast dat niet is vast te stellen wanneer deze mogelijk zijn ontstaan. De mogelijkheid bestaat dat - zo begrijpt het hof de deskundige Johnson - hevig kuchen of hevig hoesten er de oorzaak van is. Ook een problematische stoelgang, waarvan sprake was bij [slachtoffer] , behoort tot de mogelijkheden, zo begrijpt het hof de deskundige Rijken.

Met betrekking tot de onderhuidse bloeduitstortingen overweegt het hof eveneens dat niet vast te stellen is wanneer deze mogelijk zijn ontstaan. Letseldatering bleek niet mogelijk, zo is het hof gebleken, aangezien geen weefsel ten behoeve van onderzoek bewaard is gebleven. Dit laat de mogelijkheid open dat die bloeduitstortingen op andere wijze kunnen zijn ontstaan, bijvoorbeeld bij spelen of stoeien eerder op de dag, zonder dat dit - zo begrijpt het hof de deskundige Johnson - direct goed zichtbaar was voor anderen.

Gelet hierop en mede gelet op de uiteenlopende bevindingen van de deskundigen, acht het hof onvoldoende concrete, overtuigende redengevende feiten en/of omstandigheden aanwezig om te kunnen vaststellen dat sprake is geweest van wurging of dichtknijpen van de keel/hals van [slachtoffer] voorafgaand aan de val.

Betrokkenheid van een ander dan verdachte?

Met betrekking tot het ontbreken van enige concrete aanwijzing voor de betrokkenheid van een ander dan de verdachte overweegt het hof het volgende.

Door de raadsman is in dit verband aangevoerd dat het onderzoek van meet af aan eenzijdig is geweest en niet ook gericht op een mogelijke andere dader dan verdachte.

Het hof is van oordeel dat dit verweer van de raadsman feitelijke grondslag mist. Aan de raadsman kan worden toegegeven dat in 2015 meer onderzoek had kunnen worden gedaan en dat de bevindingen van het onderzoek dat wel is uitgevoerd vollediger hadden kunnen worden vastgelegd. Er is echter ook in 2015 onderzoek gedaan naar camerabeelden die een periode van een uur bestrijken inbegrepen het tijdsbestek van 01.15 tot 02.15 uur, dactyloscopische sporen aan (onder meer) de vensterbank van de slaapkamer van [slachtoffer] en aan de balustrade van de galerij op de tiende etage. Ook is onderzoek gedaan naar

DNA-sporen op de kleding van [slachtoffer] .38 Voor zover dat nog mogelijk was heeft in

2017 aanvullend onderzoek plaatsgevonden. Behalve DNA-sporen van verdachte op de bemonsterde delen van de kleding van [slachtoffer] heeft het onderzoek geen enkele aanwijzing voor betrokkenheid van een (onbekende) derde persoon opgeleverd.

De suggestie van verdachte dat mogelijk de vader van [slachtoffer] verantwoordelijk is voor de dood van zijn dochter vindt geen enkele steun in het dossier.

Op grond van het bovenstaande acht het hof de mogelijkheid van de betrokkenheid van een ander dan de verdachte bij de val van [slachtoffer] niet aannemelijk geworden.

Eindconclusie van het hof met betrekking tot het bewijs

Verdachte heeft verklaard in de nacht van 7 op 8 juni 2015, rond middernacht, te zijn gaan slapen en dat zij op een gegeven moment wakker is geworden van tocht, dat zij [slachtoffer] is gaan zoeken toen zij haar niet op haar slaapkamer aantrof en dat zij niet betrokken is geweest bij de dood van [slachtoffer] . Het hof schuift deze verklaring als niet overeenkomstig de waarheid terzijde.

Uit de door het hof als betrouwbaar aangemerkte verklaringen van bovenbuurman [getuige 4] volgt immers dat hij in de genoemde nacht kort na middernacht naar bed is gegaan om vervolgens dertig tot veertig minuten te mediteren. Tijdens het mediteren heeft hij verdachte en [slachtoffer] horen spreken, heeft hij enige tijd later een doffe knal gehoord en weer even later hoorde hij iets over de reling gaan.

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 8 juni 2015 omstreeks 01.15 uur en 01.20 uur een heel raar geluid heeft gehoord. Getuige [getuige 2] verklaart eender. Hij hoorde een doffe knal. Beide getuigen zijn gaan kijken en zagen aan de voet van het flatgebouw op straat een meisje liggen. Ook verklaren deze getuigen dat zij kort daarna op de tiende verdieping een vrouw (het hof begrijpt: verdachte) hebben gezien die over de reling keek en kort daarna het flatgebouw via de hoofdingang heeft verlaten. Zij hebben de politie geattendeerd op deze vrouw.

Politieman [verbalisant 3] , vergezeld van collega [verbalisant 4] , spreekt verdachte aan bij haar auto op de parkeerplaats. Geconstateerd wordt dat verdachte verdwaasd uit haar ogen kijkt en alcohol heeft genuttigd en om een sigaret vraagt.

Tegenover de politie verklaarde verdachte dat ze die middag ruzie heeft gehad met haar dochter en dat ze een afscheidsbriefje van haar dochter had zien liggen. Ook verklaarde verdachte dat zij die avond alleen met haar dochter thuis was geweest.

Niemand van de in deze conclusie genoemde personen heeft verklaard dat hij [slachtoffer] of verdachte heeft horen schreeuwen of gillen, terwijl [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard dat verdachte bij het verlaten van het flatgebouw niet omkeek naar het meisje.

Het hof stelt vast dat direct voorafgaande aan het misdrijf, verdachte alleen met [slachtoffer] in de woning was, niet heeft verklaard over het gesprek dat [getuige 4] tussen moeder en dochter heeft gehoord en dat verdachte fors onder invloed van alcohol is geweest. Uit de omstandigheid dat het aangetroffen A4-tje met de tekst “ik haat je” door verdachte betiteld is als een afscheidsbriefje van [slachtoffer] , leidt het hof af dat verdachte de ware toedracht kennelijk heeft willen verhullen.

Het hof stelt vast dat er in het onderzoek geen concrete aanwijzingen zijn gevonden dat er sprake is geweest van slaapwandelen of zelfdoding. Die scenario’s sluit het hof dan ook uit. Voorts is uit het onderzoek niet gebleken van betrokkenheid van een ander dan verdachte bij het tenlastegelegde en het kan daarom naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat alleen verdachte verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer] .

Op grond van bovenstaande overwegingen, tussenconclusies en eindconclusie, in onderling verband en in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat verdachte haar dochter [slachtoffer] opzettelijk van de flat heeft doen of laten vallen, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.

Evenals de advocaten-generaal en de raadsman van de verdachte stelt het hof vast dat geen bewijs aanwezig is voor de voor moord vereiste voorbedachte raad.

Gelet op het bovenstaande acht het hof bewijs aanwezig voor doodslag, zoals hieronder nader aangegeven.

Voorwaardelijke verzoeken van de advocaten-generaal

Ter terechtzitting in hoger beroep van 10 december 2020 hebben de advocaten-generaal twee voorwaardelijke verzoeken ingediend:

  • -

    het benoemen van een Bayesiaans deskundige statisticus die in zijn berekeningen tevens de mogelijkheid van een misdrijf betrekt, in het geval dat het hof de eindconclusie van de slaapwandeldeskundige Schreuder tot de zijne maakt;

  • -

    onderzoek door een deskundige op het terrein van de werking van het geheugen naar de bewering van de verdachte dat zij geen herinnering heeft aan de periode tussen haar blik over de balustrade van de flat en haar verblijf op het politiebureau, in het geval dat het hof zou overwegen de verdachte vrij te spreken.

Het hof stelt vast dat deze voorwaardelijke verzoeken geen beoordeling behoeven aangezien de aan die verzoeken ten grondslag gelegde voorwaarde niet is ingetreden.

Overige verweren van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de advocaten-generaal in het requisitoir in hoger beroep hebben verzocht om hetgeen in het requisitoir in eerste aanleg is vermeld als herhaald en ingelast te beschouwen, voor zover thans geen andersluidend standpunt wordt ingenomen.

De raadsman heeft aangevoerd dat het hof niet kan instemmen met dat verzoek, omdat voor de verdediging zo onduidelijk is wat wel of niet deel uitmaakt van het requisitoir. Hierdoor zou in zoverre geen sprake van een eerlijk proces meer zijn omdat de verdediging niet zeker weet waarop het wel of niet moet reageren.

Het hof overweegt hierover dat ter terechtzitting van 14 december 2020 door de voorzitter van het hof hierop is ingegaan, middels de opmerking dat uitgangspunt is geweest dat het verzoek van de advocaten-generaal impliciet is ingewilligd door het hof. Daarnaast overweegt het hof thans dat de advocaat-generaal Grimbergen ter terechtzitting van

14 december 2020 heeft verklaard dat het verzoek van de advocaten-generaal ziet op de integrale tekst van het requisitoir in eerste aanleg.

Van enige onduidelijkheid op dit aspect kan naar het oordeel van het hof vanaf dat moment geen sprake meer zijn voor de raadsman. Het hof stelt voorts vast dat de raadsman - ondanks dat daarvoor tijd en gelegenheid is geweest - geen aanvullende opmerkingen over het requisitoir van de advocaten-generaal heeft gemaakt.

Indien en voor zover dit punt van bezwaar voor de raadsman hiermee niet als weggenomen kan worden beschouwd, stelt het hof vast dat de verdachte niet in haar verdedigingsbelang dan wel haar recht op een eerlijk proces is geschaad.

De bewezenverklaring

Op grond van wettige bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair aan haar ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 8 juni 2015 te [plaats] [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] vanaf een grote hoogte van een flatgebouw, gelegen aan [adres] , doen of laten vallen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde onder primair levert op:

doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte is een rapport van 17 april 2018 opgemaakt door T. den Boer, psychiater, B. Koudstaal, klinisch psycholoog, en S. te Lindert, forensisch milieuonderzoeker, allen verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht.

De conclusie van dit rapport is - zakelijk weergegeven - dat er bij verdachte sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis, met vermijdende en afhankelijke trekken en een stoornis in het gebruik van alcohol, ernstig, en dat deze stoornis ook aanwezig was ten tijde van het ten laste gelegde, want chronisch van aard.

Doorwerking op het ten laste gelegde delict kan niet beoordeeld worden door de onderzoekers, onder meer vanwege de ontkennende houding van de verdachte en haar beslissing om de omstandigheden rondom het ten laste gelegde feit niet te bespreken met de onderzoekers.

De vraag naar de (mate van) toerekeningsvatbaarheid en het recidiverisico kan niet worden beantwoord door de onderzoekers. Onderzoekers menen dat de verdachte baat kan hebben bij intensieve behandeling, gericht op verdere rijping van de persoonlijkheid en het vergroten van haar vaardigheden, alsmede aandacht voor haar middelenproblematiek.

Gelet hierop acht het hof de verdachte strafbaar, aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde delict en de omstandigheden waaronder dat delict is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Met betrekking tot de aard en de ernst van het bewezen verklaarde delict heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat de verdachte haar eigen kind, een meisje van net 8 jaar, dat haar moeder als verzorgende ouder volledig moest kunnen vertrouwen en recht had op haar bescherming, het meest fundamentele recht, namelijk het recht om te leven, heeft ontnomen. Hierdoor heeft de verdachte de vader, de grootouders en andere familieleden van [slachtoffer] onherstelbaar veel leed aangedaan.

  • -

    Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de vader van [slachtoffer] een schriftelijke slachtofferverklaring voorgelezen waaruit blijkt hoe groot de impact van het overlijden van [slachtoffer] is op zijn leven. De gewelddadige dood van dit meisje, een jong en levenslustig kind, met nog een heel leven voor zich heeft ook een grote impact gehad buiten het directe verband van de familie, zoals op school- en klasgenootjes en buurtbewoners. De verdachte heeft tot op heden geen enkele verantwoordelijkheid voor haar daad genomen en geen inzicht gegeven in wat zich in die nacht heeft afgespeeld. Mogelijk heeft de verdachte plannen gehad om ook zichzelf om het leven te brengen. De verdachte wijst dat evenwel van de hand en blijft met klem ontkennen iets met het overlijden van [slachtoffer] te maken te hebben. Hierdoor blijven de nabestaanden met veel prangende, pijnlijke vragen achter.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op:

 de inhoud van het haar betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van

5 november 2020, waaruit blijkt dat zij niet is veroordeeld ter zake van een soortgelijk strafbaar feit.

Wel is verdachte op 31 oktober 2016 in Duitsland veroordeeld tot een geldboete van 1.800,- euro voor het onder invloed van alcohol besturen van een voertuig waarbij voorts lichamelijke letsels zijn toegebracht. Overigens zijn er geen justitiële antecedenten aanwezig die van belang kunnen zijn bij de strafoplegging.

 de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken.

Het hof heeft tevens gelet op een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, nu het hof niet binnen twee jaren nadat de verdachte hoger beroep heeft ingesteld tot een uitspraak is gekomen. De vertraging van de rechtsgang in hoger beroep bedraagt ruim zes maanden. Deze vertraging kan de verdachte of de verdediging niet verweten worden, aangezien deze daarin geen relevant aandeel hebben gehad. De overschrijding van de redelijke termijn bij de afdoening van de zaak is mede te wijten geweest aan de thans geldende coronabeperkingen. Anders dan de advocaten-generaal overweegt het hof dat deze onwenselijke vertraging in de afdoening van de zaak in de op te leggen straf tot uitdrukking dient te worden gebracht.

Gelet op deze overschrijding van de redelijke termijn in de fase van de behandeling van het hoger beroep ziet het hof aanleiding de passende gevangenisstraf voor de duur van tien jaar die het hof voornemens was op te leggen, te matigen met drie maanden, met aftrek van de periode die is doorgebracht in voorarrest.

Het hof hanteert hiermee als uitgangspunt - dat wil zeggen: zonder rekening te hebben gehouden met overschrijding van de redelijke termijn - eenzelfde straf als door de advocaten-generaal is gevorderd, ondanks dat het hof minder feitelijke handelingen (niet het wurgen van [slachtoffer] , althans de keel/hals van die [slachtoffer] dichtknijpen) bewezen acht dan de advocaten-generaal. Het hof ziet dit slechts als een andere juridische kwalificatie van de feitelijke gebeurtenissen die geen consequenties heeft voor de strafwaardigheid van het handelen van de verdachte.

De raadsman heeft in het kader van de door hem aangevoerde persoonsbeschrijving van de verdachte geen zodanig bijzondere of relevante feiten of omstandigheden aangevoerd dat het hof strafmatiging aangewezen acht. Ook overigens is het hof niet gebleken van dergelijke feiten of omstandigheden.

Gelet op het bovenstaande, en uit het oogpunt van normhandhaving en vergelding, acht het hof passend en geboden de oplegging van de hierboven bedoelde gevangenisstraf.

Het hof beveelt tevens de gevangenneming van de verdachte.

De vordering van de benadeelde partij [naam vader]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van immateriële schade, in de vorm van shockschade, ten bedrage van € 100.000,-. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd. De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte is vrijgesproken.

De benadeelde partij heeft zich binnen de grenzen van de eerste vordering opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding voort in de strafzaak in hoger beroep, met dien verstande dat de benadeelde partij de vordering in hoger beroep heeft verlaagd tot een bedrag van € 50.000,- (vermeerderd met de wettelijke rente).

Het hof stelt vast dat door of namens de benadeelde partij geen nadere – méér recente – medische rapportage met betrekking tot de benadeelde partij is ingebracht ter terechtzittingen van het hof. Namens de benadeelde partij is gesteld dat de diagnose sinds het indienen van de vordering in eerste aanleg niet is veranderd.

Het hof stelt voorop dat bij de begroting van de immateriële schade de rechter rekening moet houden met alle omstandigheden, waarbij kan worden gedacht enerzijds aan de aard van de aansprakelijkheid en anderzijds aan de aard van het letsel, de duur en de intensiteit van het verdriet en de gederfde levensvreugde die voor het slachtoffer het gevolg is van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust. De rechter zal bij deze begroting ook rekening moeten houden met de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel van de benadeelde en acht slaan op hetgeen in vergelijkbare gevallen wordt toegekend door Nederlandse rechters.

De advocaat van de benadeelde partij heeft in dit kader het volgende aangevoerd ter terechtzitting van het hof van 7 december 2020.

Het gaat om een gruwelijke zaak waarin de benadeelde partij, de vader van [slachtoffer] , in het mortuarium is geconfronteerd met het stoffelijk overschot van zijn dochter en de schokkende, destructieve impact van de val op haar lichaam. Er is als direct gevolg van de gebeurtenis sprake van een posttraumatische stressstoornis, waarvan de benadeelde partij tot op heden de gevolgen ondervindt. Op dit moment zit hij in het voortraject van behandeling bij Centrum 45.

Aan verwerking van zijn klachten kon hij tot nu toe telkens niet toekomen vanwege zijn voortdurende inspanningen en aandacht voor de huidige strafzaak, onder meer en met name door het voeren van de klachtprocedure op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, die heeft geleid tot de strafrechtelijke vervolging van de verdachte.

De raadsman van de verdachte heeft deze door de advocaat van de benadeelde partij aangevoerde feiten en omstandigheden niet anders betwist dan door te stellen dat het accent in de onderbouwing van de vordering is gelegd op gebeurtenissen als de proceshouding en de keuzes van anderen. Daarmee is echter geen sprake van rechtstreekse schade, aldus de raadsman van verdachte.

Evenals de advocaten-generaal acht het hof een matiging van de vordering aangewezen, aangezien de lange procesduur en de negatieve gevolgen daarvan voor de benadeelde partij niet enkel de verdachte kunnen worden aangerekend.

Voor het overige stelt het hof vast dat hetgeen de advocaat van de benadeelde partij in de kern heeft aangevoerd ter onderbouwing van de vordering niet, dan wel onvoldoende is betwist door de raadsman van de verdachte. Het hof gaat dan ook uit van hetgeen namens de benadeelde partij is aangevoerd. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat hetgeen de advocaat van de benadeelde partij aanvoert op belangrijke onderdelen steun vindt in het bij de vordering tot schadevergoeding overgelegde correspondentierapport van prof. dr. A. de Keijser van 7 juni 2018 en 30 november 2018. Daarnaast neemt het hof – op grond van de omstandigheid dat PTSS een ernstige psychische aandoening is, waarvoor intensieve behandeling aangewezen is terwijl het tot nu toe nog niet is gekomen tot enige behandeling – als vaststaand aan dat deze diagnose jegens de benadeelde partij onveranderd is.

Het hof stelt voorts vast dat hetgeen de advocaat van de benadeelde partij heeft aangevoerd over de huidige situatie van de benadeelde partij een ongunstige prognose met betrekking tot de verwachtingen omtrent het herstel van de benadeelde partij rechtvaardigt. Er is op dit moment immers enkel nog maar sprake van een voortraject voor behandeling.

Er dient dan ook van te worden uitgegaan dat de benadeelde partij langdurig ernstige psychische klachten zal ondervinden als gevolg van de gebeurtenis waarvoor de verdachte jegens hem aansprakelijk is, en dat die klachten het functioneren en het welbevinden van de benadeelde partij in aanzienlijke mate negatief zullen beïnvloeden. Van belang is ook dat de schade is veroorzaakt door opzettelijk handelen en dat met de wijze waarop de schade is ontstaan is gegeven dat daardoor een zeer ernstige inbreuk is gemaakt op het rechtsgevoel van de benadeelde partij, die in het mortuarium werd geconfronteerd met de gevolgen van de door de verdachte op zijn dochter uitgeoefende handelingen, die de dood tot gevolg had.

Gelet op het bovenstaande – de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel en de ernst en de duur van het psychisch letsel van de benadeelde partij en de gevolgen daarvan voor hem – en mede gelet op hetgeen blijkens de jurisprudentie in vergelijkbare gevallen door Nederlandse rechters wordt toegekend ter zake van shockschade stelt het hof de shockschade naar billijkheid vast op een bedrag van € 20.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2015 tot aan de dag van algehele voldoening.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan de benadeelde partij diens vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dienen de benadeelde partij en de verdachte, als over en weer deels in het ongelijk gestelde partijen, ieder de eigen kosten te dragen van het geding.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren en

9 maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de gevangenneming van de verdachte.

Vordering van de benadeelde partij [naam vader]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam vader] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam vader] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 135 (honderdvijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 8 juni 2015.

Aldus gewezen door

mr. H.J. Deuring, voorzitter,

mr. L.J. Hofstra en mr. A.J. Rietveld, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 11 januari 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Proces-verbaal van terechtzitting van het hof van 7 december 2020.

2 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers of andere vindplaatsen heeft dit - tenzij anders aangegeven - telkens betrekking op in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, die als bijlagen zijn opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal "Markab" van de Dienst Regionale Recherche Noord-Nederland, registratienummer NN3R015035, gesloten en ondertekend op 20 november 2017 door M.T.J. Bouwman, Generalist Tactische Opsporing, werkzaam bij de eenheid Noord-Nederland (mappen 1 tot en met 8).

3 Pagina’s 105 t/m 107 van map 4 van het politieonderzoek Markab.

4 Processen-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] van 8 juni 2015 en 10 juni 2015, opgenomen in de pagina’s 167 t/m 173 van map 2.

5 Pagina 357, map 2.

6 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] van 10 mei 2017, opgenomen in de pagina’s 27 t/m 32 van map 7.

7 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2] van 8 juni 2015, opgenomen in de pagina’s 174 t/m 177 van map 2.

8 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2] van 11 mei 2017, opgenomen in de pagina’s 22 t/m 25 van map 7.

9 Proces-verbaal van bevindingen van 8 juni 2015, opgenomen in de pagina’s 16 en 17 van map 2.

10 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3] , opgenomen in de pagina’s 20 t/m 22 van map 2.

11 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 4] , opgenomen in de pagina’s 23 en 24 van map 2.

12 Proces-verbaal van aanhouding, opgenomen in de pagina’s 25 en 26 van map 2.

13 Proces-verbaal van overlijdensonderzoek en lijkschouw, op pagina’s 351 e.v. van map 2.

14 Pagina 357 van map 2.

15 Pagina 434 e.v. van map 2

16 verklaringen van de getuige [getuige 3] op 10 juni 2015 (pagina 180 e.v. van map 2) en op 30 mei 2017 (pagina 63 e.v. van map 7)

17 Zie ook de verklaring van [getuige 7] , pagina 199 van map 2.

18 Verklaringen van [getuige 8] d.d. 8 juni 2015 (pagina 153 e.v. van map 2) en d.d. 15 juni 2017 (pagina 119 e.v. van map 7); verklaring van [getuige 9] d.d. 9 juni 2015 (pagina 160 e.v. van map 2)

19 Proces-verbaal van bevindingen, opgenomen in de pagina’s 30 en 31 van map 2 en eerdergenoemd proces-verbaal van overlijdensonderzoek en lijkschouw, op de pagina’s 360 en 362 (foto 13).

20 Rapport Onderzoek naar tekst op vel papier “mama ik haat je”, d.d. 7 september 2015, met bijlage, opgenomen in de pagina’s 91 t/m 107 van map 2.

21 Rapport, met bijlage, zoals opgenomen in de pagina’s 46 t/m 62 van map 2.

22 Zie in dit verband met name de verklaringen van de getuigen [getuige 10] (pagina 210 e.v. van map 2) en [getuige 11] (pagina 226 en 227 e.v. van map 2).

23 Pagina 192 e.v. van map 2).

24 Proces-verbaal van de terechtzitting bij de rechtbank Noord-Nederland van 14 juni 2018.

25 Brief van huisarts H.G. Grotenhuis van 25 april 2018, door de raadsman overhandigd aan het gerechtshof bij brief van 22 mei 2018.

26 Zie het rapport van 11 juli 2017 van de deskundige dr. H.G.T. Nijs, forensisch arts, werkzaam bij het NFI; het rapport Deskundigen rapportage medicolegale expertise van 28 september 2017 van de deskundige D.J. Rijken; de schriftelijke reactie van V. Soerdjbalie-Maikoe, zoals opgenomen in haar e-mailbericht van 29 maart 2018, verzonden naar de rechtbank Noord-Nederland; en de aanvullende schriftelijke reactie d.d. 24 mei 2018 van de deskundige Rijken.

27 Pagina 111 van map 4 en pagina 333 van map 5.

28 De aanvullende rapporten van dr. Soerdjbalie-Maikoe, alsmede de rapporten van deskundigen die in eerste aanleg en in hoger beroep zijn ingeschakeld zullen hierna nog nader worden besproken.

29 Pagina 228-230 van map 4.

30 Pagina 88-92 van map 7.

31 Proces-verbaal van telefonisch contact getuige, pagina 93 van map 7.

32 Proces-verbaal van bevindingen van 28 september 2017, pagina 339 van map 5.

33 Proces-verbaal contact maatschappelijk werker van 31 januari 2018; Proces-verbaal van verhoor van de getuige [maatschappelijk werker 1] van 22 januari 2018, met als bijlagen een drietal afschriften (gespreksverslagen) uit het registratiesysteem van de Stichting Welzijn Werk [plaats] ; Proces-verbaal van verhoor van de getuige [maatschappelijk werker 2] van 29 januari 2018, telkens opgenomen in een map “Nagekomen stukken”, op 9 december 2018 door de officier van justitie Homans-De Boer verstrekt aan het kabinet van de rechter-commissaris van de rechtbank te Assen.

34 Proces-verbaal van verhoor van getuige van 21 december 2017, los opgenomen in de RC-map.

35 Verslag auditief onderzoek zaak Jonkman van 6 juni 2018, opgemaakt door ir. A.R. Eises, werkzaam bij TNO in Den Haag, los opgenomen in een omslag “Akoestisch onderzoek”.

36 Rapportage betreffende een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 4] in de zaak tegen [verdachte] van 11 juli 2019, opgemaakt door dr. G. Wolters.

37 Proces-verbaal van terechtzitting van het gerechtshof van 8 december 2020.

38 Zie het Forensisch proces-verbaal onnatuurlijk overlijden d.d. 12 november 2015, met bijlagen, pagina 349 e.v. van map 2.