Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:1473

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-02-2021
Datum publicatie
18-02-2021
Zaaknummer
200.266.930
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsvoorwaarde. Gerechtvaardigd vertrouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.266.930

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, 7400640)

arrest van 16 februari 2021

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie tevens verweerster in reconventie,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. A.H.C. Heere,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Actor Bureau voor Sectoradvies B.V.,

gevestigd te Woerden,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie,

hierna: Actor,

advocaat: mr. M. H. van Daal.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

Het hof heeft in deze zaak op 19 november 2019 een tussenarrest uitgesproken waarbij een comparitie van partijen is bepaald. Die zitting is gehouden op 28 januari 2021. Partijen hebben geen overeenstemming kunnen bereiken. Vervolgens heeft [appellante] een memorie van grieven met een productie genomen en Actor een memorie van antwoord. Daarna hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 Samenvatting en beslissing

2.1

Kernvraag in deze procedure is of Actor mocht besluiten om de toekenning van een leaseauto aan [appellante] in te trekken. De kantonrechter heeft die vraag bevestigend beantwoord omdat aan de toekenning ervan een kilometervoorwaarde (minimaal 15.000 zakelijke kilometers per jaar rijden) is verbonden, aan welke voorwaarde [appellante] in ieder geval vanaf 2015 niet voldeed. Van een vaste arbeidsvoorwaarde (standpunt [appellante] ) is dan ook volgens de kantonrechter geen sprake; het gaat om een toekenning onder een voorwaarde. De kantonrechter heeft de vordering van [appellante] - een verklaring voor recht dat het gebruik van een leaseauto voor haar een tot haar functie behorende arbeidsvoorwaarde vormt ongeacht het aantal te rijden kilometers per jaar - daarom afgewezen. Ook het hof is van oordeel dat het gebruik van de leaseauto voor [appellante] geen vaste arbeidsvoorwaarde is geworden.

Hieronder legt het hof uit hoe het tot dit oordeel is gekomen.

de samenvatting van de zaak

2.2

[appellante] is per 1 augustus 1999 bij Actor in dienst getreden en vervult per 1 januari 2004 de functie van [functie] . Vanaf 1 september 2004 is aan haar een leaseauto ter beschikking gesteld. In de destijds geldende in de cao opgenomen leaseregeling is bepaald dat Actor een leaseauto aan een medewerker kan toekennen indien die medewerker structureel 15.000 of meer zakelijke kilometers per jaar rijdt, exclusief woon-werkverkeer. [appellante] heeft sinds 2004 vier verschillende leaseauto’s gehad.

Bij brief van 22 september 2016 heeft Actor [appellante] bericht dat zij na afloop van het leasecontract niet langer in aanmerking zou komen voor een leaseauto. Volgens Actor zijn de omstandigheden dusdanig veranderd (met de verhuizing van Actor van Zoetermeer naar Woerden zullen de meeste overleggen op kantoor plaatsvinden en is daarmee het aantal zakelijk te rijden kilometers aanzienlijk gereduceerd) dat niet te verwachten valt dat [appellante] boven de grens van jaarlijks 15.000 zakelijke kilometers gaat komen, zoals in de toen (en nu nog) geldende cao is opgenomen. Wel wordt aan [appellante] een (financiële) overgangsregeling aangeboden.

2.3

[appellante] stelt zich op het standpunt dat het gebruik van een leaseauto een vaste arbeidsvoorwaarde voor haar is geworden. Volgens [appellante] heeft zij van het begin af aan (2004) nooit aan de ’15.000 kilometer’ voorwaarde voldaan. Actor wist dit en heeft hierover nooit een opmerking gemaakt. Sterker nog, de opvolgende leasecontracten zijn simpelweg door de controller vernieuwd zonder dat haar vragen over het aantal gereden kilometers zijn gesteld. Ook de toenmalige directeur van Actor, de heer [B] , heeft haar de leaseauto destijds als arbeidsvoorwaarde toegekend omdat hij de functie van [appellante] als accountmanager bepalend vond en niet (tevens) het te verwachten aantal te rijden kilometers. Dit blijkt uit zijn woorden “Ik ga kijken wat ik kan doen”. Aan de terbeschikkingstelling van de leaseauto is dus van het begin af aan nooit een voorwaarde gesteld. Omdat zij sinds september 2004 meerdere leaseauto’s toegekend heeft gekregen, zonder daarbij te voldoen aan de kilometervoorwaarde, dient in elk geval geconcludeerd te worden dat de leaseauto inmiddels een vaste arbeidsvoorwaarde is geworden zodat Actor niet eenzijdig mocht besluiten dat zij geen recht meer had op een leaseauto.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

recht onder voorwaarde

3.1

Vaststaat dat [appellante] in 2004 een leaseauto heeft gekregen, waarbij de voorwaarde/eis gold dat zij minimaal 15.000 zakelijke kilometers per jaar zou rijden, exclusief woon-werkverkeer. In de brief van 14 september 2004, waarin haar voor het eerst een leaseauto ter beschikking werd gesteld, wordt verwezen naar de leaseregeling waarin deze voorwaarde stond. Die voorwaarde is dus voor haar ook van toepassing. Dat zij destijds uit de woorden van [B] “Ik ga kijken wat ik kan doen” redelijkerwijs mocht opmaken dat - in weerwil van de duidelijke bewoordingen in de leaseregeling - enkel haar functie en niet het aantal te rijden kilometers van belang waren voor het toekennen van een leaseauto, heeft [appellante] onvoldoende (onderbouwd) aannemelijk gemaakt. Dit betekent dat het gaat om een onder een duidelijke voorwaarde toegekend recht op een leaseauto.

3.2

Vaststaat verder dat in ieder geval sinds 2015 [appellante] niet meer aan deze voorwaarde voldoet; volgens [appellante] heeft zij zelfs nooit aan deze voorwaarde voldaan. De vraag rijst vervolgens of [appellante] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat het gebruik van een leaseauto, los van het aantal te rijden kilometers, inmiddels tot haar arbeidsvoorwaarden is gaan behoren.

verworven recht/arbeidsvoorwaarde?

3.3

De vraag of een vaste gedragslijn als een arbeidsvoorwaarde kan worden aangemerkt, kan niet in algemene zin beantwoord worden. Het gaat erom hoe partijen zich in het concrete geval ten opzichte van elkaar hebben gedragen en wat zij tegen elkaar hebben gezegd, en welke betekenis zij aan die gedragingen en uitingen in redelijkheid mochten toekennen. Hierbij kunnen verschillende gezichtspunten van belang zijn, zoals: de inhoud van de gedragslijn, de aard van de arbeidsovereenkomst en de positie die de werkgever en de werknemer jegens elkaar innemen, de lengte van de periode gedurende welke de werkgever de desbetreffende gedragslijn heeft gevolgd, en de aard van de voor- en nadelen die voor de werkgever en de werknemer uit de gedragslijn voortvloeien (zie HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976, FNV/Pontmeyer).

3.4

Toepassing van dit toetsingskader in deze zaak leidt het hof tot het oordeel dat [appellante] er niet op mocht vertrouwen dat zij tot het einde van haar dienstverband recht had op een leaseauto. Voor dit oordeel acht het hof van belang dat [appellante] op een gegeven moment (al dan niet van aanvang af) wist of althans wel heeft moeten begrijpen dat het gebruik van de leaseauto in strijd was met de destijds (en nog steeds) geldende leaseregeling van minimaal 15.000 zakelijke kilometers per jaar, temeer omdat die regeling in de arbeidsvoorwaardenregelingen/cao (ook na wijzigingen) bleef staan. Zij had er rekening mee moeten houden dat waar Actor deze voorwaarde voorheen ‘soepel’ hanteerde, dit in de toekomst wel eens anders zou kunnen uitpakken, bijvoorbeeld omdat er minder ‘zakelijk’ met de auto zou worden gereden dan wel dat afspraken op kantoor zouden gaan plaatsvinden in plaats van bij de klanten. Van belang acht het hof verder dat het hier gaat om het gebruik van een leaseauto dat verband houdt met de functie die de werknemer vervult. Ook al is het zo dat aan het verstrekken van een leaseauto een zeker privévoordeel voor de werknemer is verbonden, dan is het niet zo dat de leaseauto uitsluitend vanwege dat privévoordeel voor de werknemer is gegeven. Tegen de achtergrond van het doel van het verstrekken van een leaseauto komt aan de werkgever dan ook een ruimere beleidsvrijheid toe. Dat laat onverlet dat er redenen kunnen zijn dat de werkgever voor het verlies van het privé voordeel een zekere compensatie biedt, maar dat is hier ook door de werkgever gedaan. Het nadeel dat [appellante] ondervindt door het wegvallen van de leaseauto is door Actor immers gecompenseerd in die zin dat zij gedurende de looptijd van haar leasecontract (tot eind november 2020) gebruik mocht blijven maken van haar leaseauto, waarna zij tot juni 2023 maandelijks een (aflopende) compensatie krijgt ter hoogte van het huidige leasebedrag. Na afloop van deze periode kan [appellante] aanspraak maken op een kilometervergoeding voor zakelijk gereden kilometers.

Het feit dat [appellante] gedurende een lange periode de beschikking heeft gehad over een leaseauto terwijl zij niet aan de vereiste kilometervoorwaarde voldeed, doet onvoldoende aan het voorgaande af om tot een ander oordeel te komen.

3.5

Het hof gaat voorbij aan het betoog van [appellante] dat haar collega [C] wel gebruik mag blijven maken van zijn leaseauto, omdat hij een leaseauto kreeg toegekend vóórdat het criterium van een minimaal aantal zakelijke kilometers gold. Bovendien voert Actor onbetwist aan dat [C] , anders dan [appellante] , vlak voor zijn pensioen zit. Zijn situatie is dus niet vergelijkbaar met die van [appellante] .

3.6

Omdat [appellante] onvoldoende concrete stellingen heeft gedaan die, indien ze zouden worden bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden, passeert het hof haar bewijsaanbod.

4 De slotsom

4.1

Het hoger beroep faalt. Het bestreden vonnis zal dus worden bekrachtigd.

4.2

Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten daarvan aan de zijde van Actor zullen worden vastgesteld op € 741,- voor griffierecht en € 2.228,- voor salaris advocaat (2 punten x tarief II).

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Utrecht, rechtbank Midden-Nederland, van 10 juli 2019;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Actor vastgesteld op € 741,- voor griffierecht en op € 2.228,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. van Rossum, A.E.F. Hillen en R.J.A. Dil en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2021.