Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:1471

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-02-2021
Datum publicatie
18-02-2021
Zaaknummer
200.257.232
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werknemers worden door verschillende zorgaanbieders gedetacheerd bij gemeentelijke wijkteams, die op enig moment worden ondergebracht in een stichting. Geen overgang van onderneming; Albron-arrest niet van toepassing. Gemeente is niet te beschouwen als (niet-contractuele) werkgever. Werknemer is door de detachering geen deel gaan uitmaken van de overgedragen onderneming. Geen succesvol beroep op 7:662 e.v. BW.

Vervolg op: ECLI:NL:RBMNE:2018:5408.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0193
GZR-Updates.nl 2021-0052
JAR 2021/63
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.257.232

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort 6395053)

arrest van 16 februari 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonend in [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. R.A. Severijn,

tegen

de stichting

Stichting Sociale Wijkteams,

gevestigd in Amersfoort,
geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: SWA,

advocaat: mr. H.A. Hoving.

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in Amersfoort op 24 oktober 2018 tussen partijen heeft uitgesproken. [appellant] heeft het hoger beroep ingesteld bij het hof Amsterdam, dat de zaak vervolgens heeft verwezen naar dit hof omdat dit hof bevoegd is daarvan kennis te nemen. [appellant] heeft SWA opgeroepen voor dit hof en zijn bezwaren tegen het vonnis van de kantonrechter uitgewerkt in een memorie van grieven (met producties). SWA heeft schriftelijk gereageerd (waarbij een productie is overgelegd). Ten slotte hebben partijen het hof gevraagd uitspraak te doen.

2 Waar gaat deze zaak over?

2.1

Het gaat in deze procedure om de vraag of sprake is van overgang van onderneming als bedoeld in artikel 7:662 e.v. BW. Dit geschil heeft de volgende achtergrond.

2.2

[appellant] heeft in dienst van Sovee (Stichting Onderwijs Voorrang Eemland) vanaf 1 maart 2016 gewerkt als [functie] binnen de door de gemeente Amersfoort (de gemeente) ingerichte Sociale Wijkteams. Op deze arbeidsovereenkomst was de cao Welzijn van toepassing. [appellant] werkte 38 uur en verdiende € 4.455,69 bruto per maand. De wijkteams zijn, kort gezegd, door de gemeente opgericht ter uitvoering van de aan de gemeente opgedragen taken ten gevolge van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) en hebben onder meer tot doel het bieden van ondersteuning bij welzijn, opvoeding en jeugdzorg. Voor de organisatie en uitvoering daarvan heeft de gemeente menskracht ingehuurd van ongeveer 25 verschillende zorgaanbieders, waaronder Sovee. Per 1 januari 2017 heeft de gemeente de wijkteams ondergebracht in (de door haar opgerichte stichting) SWA. [appellant] is, na gesolliciteerd te hebben, per 1 januari 2017 bij SWA in dienst getreden (onder protest). Ook op deze arbeidsovereenkomst is de cao Welzijn van toepassing (die nu heet: cao Sociaal Werk, Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening). Het salaris van [appellant] is € 3.847 bruto per maand voor 36 uur per week.

2.3

Bij de kantonrechter heeft [appellant] in de eerste plaats (primair) gevorderd dat de kantonrechter bepaalt dat de rechten en verplichtingen die op 1 januari 2017 voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst tussen [appellant] en Sovee van rechtswege zijn overgegaan op SWA op grond van overgang van onderneming. Op grond daarvan heeft hij betaling gevorderd van het achterstallige loon (het verschil tussen zijn oude en nieuwe salaris) vanaf 1 januari 2017, met rente en (buitengerechtelijke) kosten. In de tweede plaats (als het eerste niet zou worden toegewezen, dus subsidiair) heeft [appellant] gevorderd dat de kantonrechter bepaalt dat SWA de opvolgend werkgever is.

2.4

De kantonrechter heeft de eerste vordering afgewezen en de tweede toegewezen. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat de eerste vordering alsnog wordt toegewezen.

3 Het oordeel van het hof

De beslissing

3.1

De conclusie van het hof is dat de bezwaren van [appellant] tegen het vonnis van de kantonrechter niet opgaan. Het vonnis van de kantonrechter blijft daarom in stand (wordt bekrachtigd). Het hof legt uit hoe het tot die beslissing is gekomen.

Geen overgang van onderneming

3.2

Vast staat dat [appellant] , die sinds 1 mei 1991 in dienst was van Sovee, sinds 1 maart 2016 door Sovee was gedetacheerd bij de gemeente als [functie] in het wijkteam [B] . Vanaf 1 januari 2017 zijn de activiteiten van de wijkteams ondergebracht in (de door de gemeente opgerichte) SWA. De gemeente en SWA hebben daarvoor een uitvoeringsovereenkomst gesloten. De gemeente heeft de door de verschillende zorgverleners gedetacheerde [functie] in de gelegenheid gesteld te solliciteren en in dienst te treden bij SWA als [functie] . Dat heeft [appellant] gedaan en hij heeft – onder protest – een arbeidsovereenkomst met SWA gesloten.

3.3

De bezwaren van [appellant] tegen het vonnis van de kantonrechter komen op het volgende neer. Volgens [appellant] is sprake van overgang van onderneming zoals bedoeld in artikel 7:662 BW: de gemeente heeft op grond van een met SWA gesloten overeenkomst de wijkteams, die volgens [appellant] moeten worden gezien als een economische eenheid met een eigen identiteit, overgedragen aan SWA. De werkzaamheden die voorheen door de wijkteams werden uitgevoerd, worden nu door SWA verricht. Het rechtsgevolg van een overgang van onderneming is dat de verkrijger van de onderneming, in dit geval SWA, van rechtswege treedt in de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten tussen de overdragende werkgever (de gemeente dus volgens [appellant] ) en de in die onderneming werkzame werknemers.

Albron-arrest mist toepassing: niet vergelijkbare situatie

3.4

In deze zaak staat de vraag centraal of [appellant] als een in de overdragende onderneming werkzame werknemer kan worden beschouwd, ondanks dat hij met de gemeente geen arbeidsovereenkomst heeft gesloten. Onder verwijzing naar het Albron-arrest1 stelt [appellant] dat moet worden aangenomen dat hij als een bij de wijkteams gedetacheerde werknemer mee is overgegaan naar SWA. Hij meent dat de gemeente moet worden gezien als de feitelijke/niet-contractuele werkgever.

3.5

Het hof deelt dat standpunt niet. Vast staat dat [appellant] een arbeidsovereenkomst had met Sovee, in het kader waarvan hij was gedetacheerd bij de gemeente en feitelijk werkzaam was in het wijkteam [B] . De stelling van [appellant] dat het ontbreken van een arbeidsovereenkomst tussen de gemeente en [appellant] er op zichzelf niet aan in de weg hoeft te staan dat hij mee is overgegaan naar SWA, is juist. Dat is in de kern waar het in het Albron-arrest om gaat. Maar net als de kantonrechter vindt het hof dat de vergelijking met de situatie in het Albron-arrest in dit geval niet opgaat. In dat arrest ging het, anders dan hier, om een situatie waarbij de formele werkgever -de personeelsvennootschap- en de overdragende vennootschap tot één concern behoorden en de werknemer door de personeelsvennootschap -die zelf geen andere ondernemingsactiviteiten ontplooide- permanent tewerk was gesteld bij het concernonderdeel dat verantwoordelijk was voor de economische activiteit van de overgedragen onderneming. Er was in dat geval dus sprake van een zodanig nauwe samenhang tussen de formele werkgever en het (concern)onderdeel waarvoor feitelijk werd gewerkt, dat de arbeidsbetrekking van de werknemer daarmee behoorde tot de overgedragen onderneming.

3.6

Dat ligt in deze zaak anders. Vast staat dat Sovee, de werkgever van [appellant] , slechts een van de ongeveer 25 zorgaanbieders was waarbij de gemeente uren inkocht om de organisatie van de wijkteams in te richten. Sovee was voor de invulling van de werkzaamheden van de wijkteams dus een van (veel) meer opdrachtnemers van de gemeente. Sovee selecteerde zelf de bij haar in dienst zijnde werknemers op basis van geschiktheid voor de uit te voeren werkzaamheden in de wijkteams en stelde daarvoor slechts een aantal van haar werknemers ter beschikking aan de gemeente. Daarnaast verrichtte Sovee nog tal van (andere) activiteiten op het gebied van sociale zorg- en dienstverlening, ook voor andere opdrachtgevers. Ook [appellant] heeft -naar aangenomen wordt omdat het tegendeel niet is gesteld of gebleken- vóór zijn detachering bij de gemeente voor Sovee zelf (hij was al sinds 1 mei 1991 in dienst) of andere opdrachtgevers van haar werkzaamheden verricht. Hij zou na het einde van de detachering bij de gemeente in opdracht van Sovee weer andere werkzaamheden voor Sovee moeten doen, indien hij zijn dienstverband daar had voortgezet. Gelet op al die feiten en omstandigheden -en bij gebreke van andere feiten of omstandigheden, die ook in hoger beroep niet zijn gesteld of gebleken- gaat het hof ervan uit dat [appellant] werknemer van Sovee is gebleven totdat hij zelf zijn dienstverband daar beëindigde. Niet gezegd kan worden dat de gemeente als (niet-contractuele) werkgever van [appellant] is te beschouwen en dat [appellant] door de detachering deel is gaan uitmaken van de door de gemeente aan SWA overgedragen onderneming. [appellant] kan zich daarom niet beroepen op artikel 7:662 e.v. BW.

De conclusie

3.7

Het hoger beroep slaagt niet. Het hof zal daarom het vonnis van de kantonrechter bekrachtigen. Omdat [appellant] ongelijk krijgt moet hij de kosten van SWA voor het hoger beroep betalen. Die kosten worden vastgesteld op: € 741 aan griffierecht en € 1.114 voor salaris van de advocaat (1 punt x appèltarief II). Het hof wijst ook het nasalaris toe zoals hieronder vermeld.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep,

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Amersfoort van 24 oktober 2018,

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van SWA vastgesteld op € 741 voor verschotten en op € 1.114 voor salaris van de advocaat,

veroordeelt [appellant] in het nasalaris, vastgesteld op € 163, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85 in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan èn betekening heeft plaatsgevonden,

verklaart dit arrest wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.E.L. Fikkers, C.J.H.G. Bronzwaer en S.C.P Giesen, ondertekend door de rolraadsheer en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2021.

1 Hoge Raad 5 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ1780