Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:123

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-01-2021
Datum publicatie
08-02-2021
Zaaknummer
Wahv 200.250.120
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5 Wahv. De ambtenaar heeft de sanctie terecht opgelegd aan de persoon die hij in een shoarmazaak herkende als de bestuurder van een scooter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.250.120/01

CJIB-nummer

: 207056793

Uitspraak d.d.

: 7 januari 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 7 november 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de beslissing van de officier van justitie berust op een ondeugdelijke motivering. De officier van justitie heeft overwogen dat de Wahv er niet in voorziet om rekening te houden met de financiële omstandigheden van de betrokkene, terwijl de officier van justitie wel degelijk de bevoegdheid heeft om sancties te matigen op grond van de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, waaronder de financiële omstandigheden. Dit gebrek kan niet met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht worden (Awb) gepasseerd. De kantonrechter heeft dit niet onderkend volgens de gemachtigde.

2. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 26 juni 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:5328) overweegt het hof dat de beslissing van de officier van justitie niet deugdelijk is gemotiveerd en dat in dit geval geen toepassing kan worden gegeven aan het bepaalde in artikel 6:22 van de Awb. De kantonrechter heeft dit miskend. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. Het hof zal vervolgens het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.

3. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 160,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 27 april 2017 om 14:20 uur op de Ridder van Catsweg in Gouda met het voertuig met het kenteken [Y-000-YY] .

4. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene ontkent de gedraging te hebben verricht. De betrokkene is ten onrechte als bestuurder aangemerkt. De betrokkene was werkzaam in de keuken van [B] , gevestigd aan de [a-straat] te [A] . Plots stapt er een ambtenaar de zaak binnen en vraagt om het legitimatiebewijs van de betrokkene. De ambtenaar zei dat er meerdere overtredingen zijn gepleegd en somde deze op. De betrokkene erkende dat dit behoorlijk heftige overtredingen waren, maar heeft nadrukkelijk aangegeven die overtredingen niet te hebben begaan. De bezorgers rijden met een helm op en met een jas van [C] . De betrokkene had geen helm op en ook geen jas van [C] omdat hij geen bezorger is. De ambtenaar geeft niet aan waaraan hij de betrokkene als bestuurder zou hebben herkend.

5. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat dit ongeveer 30 seconden op rood stond op het moment dat de betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde.

Verdachte/betrokkene: gaf geen verklaring. Omschrijving door de verbalisant: wilde niet verklaren.”

7. Het dossier bevat verder een aanvullende verklaring van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd, die op 10 november 2017 is ontvangen door de officier van justitie. Hierin verklaart de ambtenaar - voor zover hier van belang - het volgende:

“Op die bewuste dag stond ik op de Ridder van Catsweg te wachten voor het rode verkeerslicht. (…) Ik zag de bewuste bromfiets mij van achteren naderen en mij rechts passeren. Ik zag dat hij vervolgens door het rode licht het kruispunt opreed. Ik zag dat de bromfiets vervolgens tegen de regels van de Wegenverkeerswet in de busbaan op rijden in de richting van de Spoorstraat. Ik had goed zicht op het kenteken van deze bromfiets. Ik reed achter de bromfiets aan om de bestuurder staande te kunnen houden (…). Door het overige verkeer en de verkeerssituatie lukte het mij niet direct om bij hem te komen. Ik zag dat de bromfiets ter hoogte van de Burgemeester Jamessingel het rode verkeerslicht nogmaals negeerde en het kruispunt overstak om vervolgens over het fietspad de Spoorstraat op te rijden. Ik zag dat de bromfiets ter hoogte van het Kleiwegplein rechtsaf de [a-straat] opreed. Enkele seconden later sloeg ik ook rechtsaf de [a-straat] op. Ik zag dat de bromfiets, met het kenteken welke door mij reeds op de Ridder van Catsweg gezien was, voor de deur van een shoarmazaak op de stoep stond. Ik ben toen de shoarmazaak ingelopen alwaar ik een persoon achter de toonbank zag staan. Ik herkende deze persoon niet als zijnde de bestuurder van de bromfiets. Ik vroeg toen aan deze persoon waar de bestuurder van de bewuste bromfiets was. Ik zag toen dat de persoon voor mij naar rechts wees naar een andere ruimte in de zaak. Ik zag toen een persoon uit die ruimte tevoorschijn komen. Die persoon herkende ik als zijnde de bestuurder van de bromfiets ten tijde van de gedragingen. Ik ben met die persoon in gesprek gegaan en heb hem geconfronteerd met de gedragingen welke hij gepleegd had. Op geen enkel moment heeft die bestuurder de gedragingen ontkend. Sterker nog, op het moment dat ik hem wees op de gevaren die zijn gedraging met zich brengen, erkende de betrokkene dit ook. Om de betrokkene nog enigszins tegemoet te komen heb ik hem voor de overige gedragingen, zoals plaats op de weg en de andere verkeerslichten, een waarschuwing gegeven en me beperkt tot één proces-verbaal. Zowel zijn werkgever als hijzelf gaf toen aan hier blij mee te zijn. Op basis van herkenning van de bestuurder door de verbalisant en het desgevraagd beantwoorden van de uitbater van de shoarmazaak was ik overtuigd dat het de bestuurder was ten tijde van de gedragingen. De identiteit van bestuurder heb ik vastgesteld aan de hand van zijn geldig rijbewijs.”

8. De ambtenaar verklaart dat hij de betrokkene herkende als de bestuurder van de bromfiets. Dat de ambtenaar niet heeft verklaard hoe hij de betrokkene heeft herkend, is in het onderhavige geval onvoldoende om hieraan te twijfelen. De gemachtigde ontkent dat de betrokkene de gedraging heeft verricht met de stelling dat de betrokkene geen bezorger is en in de keuken werkte, maar onderbouwt deze stelling verder niet. Dat de betrokkene bij de staandehouding zou hebben aangegeven de gedragingen niet te hebben verricht, blijkt niet uit de verklaring van de ambtenaar. Gelet ook op hetgeen de ambtenaar verder uitgebreid en gedetailleerd verklaart over de staandehouding, ziet het hof geen reden eraan te twijfelen dat de betrokkene de bestuurder van de bromfiets was.

9. De gedraging wordt niet betwist door de gemachtigde. Gelet op de gegevens in het dossier kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht en dat de sanctie terecht aan de betrokkene als bestuurder is opgelegd. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking daarom ongegrond verklaren.

10. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is verhinderd te ondertekenen.