Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:11841

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-12-2021
Datum publicatie
27-12-2021
Zaaknummer
21-003655-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling poging tot moord door als chauffeur op te treden van de bestelbus van waaruit het slachtoffer werd beschoten. Bezit explosieven (5,5 kilo TNT).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003655-20

Uitspraak d.d.: 27 december 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 12 oktober 2020 met parketnummer 16-121155-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedag] 1973,

wonende te [woonplaats] ,

thans verblijvende in PI [PI] .

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep ingesteld door het openbaar ministerie

Gang van zaken

In het dossier bevindt zich een akte instellen rechtsmiddel waaruit blijkt dat de officier van justitie op 22 oktober 2020 hoger beroep heeft ingesteld. Die akte is niet ondertekend door de comparant, maar er is verwezen naar een “aangehecht schrijven”. Dat betreft een e-mailbericht 22 oktober 2020 van officier van justitie mr. C-J Booij aan de afdeling appellen straf van de rechtbank Midden-Nederland. Het e-mailbericht was niet voorzien van een (elektronische) handtekening. Bij het e-mailbericht was niet een ondertekende bijzondere volmacht aan de griffier gevoegd. Op 4 november 2020 is de appelschriftuur ter griffie binnengekomen.

Op 27 januari 2021 heeft de officier alsnog een handtekening gezet.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in het hoger beroep. Zij heeft zich daarbij beroepen op een afspraak die tussen het openbaar ministerie en de gerechtshoven is gemaakt. Die afspraak houdt in dat in het begin van de coronatijd (toen de griffies dicht waren en OM-medewerkers niet naar het werk mochten komen) het mogelijk was voor het openbaar ministerie om door middel van een via de mail verstrekte machtiging aan de griffier hoger beroep in te stellen, zonder handtekening. Deze handtekening diende dan nog wel later gezet te worden. Nu de officier van justitie op 27 januari 2021 alsnog een handtekening heeft gezet, dient het ontbreken van de handtekening op de machtiging aan de griffier van 22 oktober 2020 niet te leiden tot niet-ontvankelijk van het openbaar ministerie in het appel. In dat verband heeft de advocaat-generaal nog gewezen op een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 19 oktober 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:3111). Door het hof Amsterdam werd het openbaar-ministerie niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep omdat de handtekening, die alsnog was gezet, niet de handtekening was van de officier van justitie die het hoger beroep had ingesteld. In deze zaak is dat wel het geval, aldus de advocaat-generaal.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep.

Oordeel van het hof

Ingevolge artikel 450, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering kan

het aanwenden van de rechtsmiddelen, bedoeld in artikel 449, ook geschieden door tussenkomst van een vertegenwoordiger die daartoe persoonlijk, door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd. Deze bepaling geldt voor elke procespartij en dus ook voor de officier van justitie die door tussenkomst van een vertegenwoordiger een rechtsmiddel wil aanwenden. Niet alleen de raadsman namens de verdachte en de verdachte zelf, maar ook de officier van justitie heeft de mogelijkheid om door middel van een bijzondere volmacht een medewerker van de griffie

te machtigen om hoger beroep in te stellen, zonder zelf naar het gerecht te hoeven reizen.

Uit HR 22 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2654 (en eerder: HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1241 alsmede HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3253) volgt dat een e-mailbericht dat niet van een elektronische handtekening is voorzien, op zichzelf niet kan worden aangemerkt als een bijzondere schriftelijke volmacht als bedoeld in artikel 450, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering. Een als bijlage bij een e-mailbericht gevoegde en daarmee binnen de appeltermijn ingekomen brief die voldoet aan de eisen die worden gesteld aan een bijzondere schriftelijke volmacht en die naar een voor het instellen van rechtsmiddelen aangewezen e-mailadres is gestuurd, geldt wel als bijzondere volmacht.

De e-mail van de officier van justitie van 22 oktober 2020 was kennelijk bedoeld als bijzondere volmacht in de zin van artikel 450, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering. Zoals hiervoor al is overwogen, was dit e-mailbericht -en daarmee de kennelijk als bijzondere volmacht bedoelde verklaring- niet van een elektronische handtekening voorzien. Het e-mailbericht ging ook niet vergezeld van een bijlage met een afzonderlijke, ondertekende volmacht. Het ontbreken van een handtekening is niet geheeld met de appelschriftuur, omdat deze buiten de appeltermijn ter griffie is binnengekomen.

Een handtekening strekt tot waarborging van de authenticiteit van een (proces)stuk, in het bijzonder in verband met de herkomst daarvan. Artikel 450, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering biedt de mogelijkheid om een volmacht per elektronische voorziening over te dragen. Uit het Besluit digitale stukken Strafvordering blijkt de grote waarde die wordt gehecht aan de authenticiteit van digitale processtukken. In de artikelen 5 en 6 van dit besluit zijn eisen gesteld aan de elektronische voorziening en (de authenticatie van) de elektronische handtekening. Acceptatie van een niet-ondertekend e-mailbericht als geldige bijzondere volmacht zou die eisen overbodig maken.

Met de eis van een (elektronische) handtekening dan wel met het niet voor gedekt houden van het gebrek op grond van de buiten de termijn voor het instellen van hoger beroep overgelegde appelschriftuur, is naar het oordeel van het hof geen sprake van onnodig formalisme. Het verlenen van een bijzondere schriftelijke volmacht is een rechtshandeling waaraan omwille van de rechtszekerheid strikte eisen moeten worden gesteld die, zoals gezegd, niet alleen gelden voor de raadsman en de verdachte maar ook voor de officier van justitie. Bovendien is er een eenvoudige mogelijkheid - ook tijdens de coronamaatregelen - om met behulp van een als bijlage bij een e-mailbericht gevoegde en ondertekende volmacht hoger beroep te laten instellen.

Het hof constateert dat er naar aanleiding van de coronamaatregelen kennelijk op enig moment op enig niveau een afspraak is gemaakt tussen het openbaar ministerie en de hoven omtrent het instellen van appel door middel van het enkel sturen van een e-mail aan het hof waarin de griffier daartoe uitdrukkelijk gemachtigd wordt, en waarbij een natte handtekening in een als bijlage bij die e-mail gevoegd stuk - bedoeld als schriftelijke volmacht - mocht ontbreken. De ontbrekende handtekening kon dan op een later, niet nader gespecificeerd, moment alsnog worden gezet. Volgens het openbaar ministerie is er hierdoor sprake van opgewekt vertrouwen op grond van deze afspraak en het openbaar ministerie beroept zich op deze afspraak.

Het hof is niet gebleken dat deze afspraak bekend was bij de advocatuur. Bij de raadsheren van het hof Arnhem-Leeuwarden is het bestaan van de afspraak eerst naar aanleiding van de zaak die in het arrest van het hof van 30 november 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:9790) aan de orde was, bekend geworden. Desgevraagd heeft de advocaat-generaal verklaard dat de afspraak nergens is vastgelegd en het hof constateert daarnaast dat niet is gebleken dat de afspraak op enige wijze openbaar is gecommuniceerd of gepubliceerd.

Het hof overweegt dat - nog afgezien van de onbekendheid met de afspraak bij raadsheren en advocatuur en onduidelijkheden zoals hierboven geschetst - het hof de noodzaak voor toepassing van die afspraak in de periode waarin het hoger beroep is ingesteld -namelijk oktober 2020- niet duidelijk is geworden. Het hof betrekt bij dat oordeel het gegeven dat op het moment van het instellen van het hoger beroep in de onderhavige zaak de zwaarste beperkingen die in verband met corona door de overheid waren ingesteld, die destijds kennelijk aan die afspraak ten grondslag lagen, waren versoepeld en de gerechten en griffies inmiddels weer normaal functioneerden en ook fysiek toegankelijk waren. Er had gebruik gemaakt kunnen worden van een wel aanwezige collega officier van justitie of zelfs het per post toesturen van een schriftelijke volmacht met handtekening aan de griffier. Bovendien was er een eenvoudige mogelijkheid -ook tijdens de coronamaatregelen- om met behulp van een als bijlage bij een e-mailbericht gevoegde en ondertekende volmacht hoger beroep te laten instellen.

Al met al was het naar het oordeel van het hof mogelijk om binnen de daarvoor geldende termijn op een bij de wet voorziene wijze hoger beroep in te stellen. Nu de officier van justitie dat niet heeft gedaan zal het hof de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 december 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. N. Harlequin, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

1. primair
hij op of omstreeks 3 december 2018 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade van het leven te beroven, met een vuurwapen een of meerdere malen (een) kogel(s) in de richting van (het hoofd/lichaam van) die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair
[medeverdachte] of een (nog) onbekend gebleven persoon die op of omstreeks 3 december 2018 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door die [medeverdachte] of (nog) onbekend gebleven persoon en/of zijn/haar mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade van het leven te beroven met een vuurwapen een of meerdere malen (een) kogel(s) in de richting van (het hoofd/lichaam van) die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 3 december 2018 te Utrecht, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

- de auto te besturen waarmee die [medeverdachte] of (nog) onbekend gebleven perso(o)n(en) naar de plaats van het misdrijf is/zijn gereden en/of

- zich gereed te houden in de auto om op elk gewenst moment weg te rijden en/of op de uitkijk te staan en/of

- met de auto de weg voor die [slachtoffer] te blokkeren/versperren, waardoor [slachtoffer] moest stoppen en/of zijn weg niet kon vervolgen en/of

- de auto te besturen waarmee die [medeverdachte] of (nog) onbekend gebleven perso(o)n(en) de plaats van het misdrijf heeft/hebben verlaten;

2. hij op of omstreeks 21 mei 2019 te 's-Gravenhage , althans in Nederland, een wapen

van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten 5,5 kilogram TNT, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, zijnde geen explosief voor civiel gebruik, voorhanden heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten.

Daartoe is kort en zakelijk weergegeven aangevoerd dat verdachte, gelet op de inhoud van het dossier in onderling verband en samenhang bezien, zich tezamen en in vereniging met zijn mededader schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord, waarbij verdachte als bestuurder van de auto is opgetreden en zijn medeverdachte als schutter. De advocaat-generaal heeft zich hierbij -kort gezegd- op het volgende gebaseerd:

- het aantreffen van celmateriaal van verdachte op het stuur van de VW Transporter;

- het signalement van één van de daders, dat overeenkomt met dat van verdachte;

- de kleding van één van de daders, die overeenkomt met kleding die verdachte draagt;

- de printgegevens van de telefoon van verdachte; en

- het ontbreken van een alibi. Ook op de zitting bij het hof heeft verdachte niets aangedragen wat afdoende is om zijn bewering, dat hij bij een vriendin was op de bewuste dag, te onderzoeken.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van het hof vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Zij heeft daarbij kort en zakelijk weergegeven dat er slechts aanwijzingen zijn dat verdachte de bestuurder is geweest van de Volkswagen Transporter, maar dat zijn betrokkenheid verder nergens uit blijkt. Verdachte voldoet niet aan het door het slachtoffer en de getuigen gegeven signalementen. De getuigen hebben het over een Creoolse Surinamer, terwijl verdachte op Curaçao is geboren. Verdachte is geen Surinaamse man. Ook was de schutter, volgens het slachtoffer, een geschminkte, als Zwarte Piet, verkleedde man. Volgens de raadsvrouw zou geen enkele donkere persoon van de leeftijd van verdachte zijn gezicht (laten) schminken als Zwarte Piet. Verdachte past daarom niet in het signalement van de schutter. Ook het feit dat verdachte soortgelijke kleding bezit als de persoon op de camerabeelden, is onvoldoende onderscheidend om dit als bewijs te gebruiken. Het dossier bevat geen enkel direct bewijs voor de stelling dat verdachte de bestuurder is geweest van de Transporter of de schutter is geweest die vanuit de Transporter op het slachtoffer zou hebben geschoten. Weliswaar is er een DNA-profiel van verdachte aangetroffen op het stuur van de Transporter, maar dit heeft een zwakke bewijswaarde, omdat het slechts een mengprofiel betreft. Ook blijkt uit het procesdossier niet hoe dit DNA in de Transporter terecht is gekomen. Verdachte heeft verklaard dat hij als automonteur werkt en het kan best zo zijn dat zijn DNA op die manier in de auto terecht is gekomen. Daarnaast kan verdachte niet autorijden; hij heeft immers geen rijbewijs.

Op basis van de stukken uit het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte de Transporter heeft bestuurd dan wel dat hij in de bewuste Transporter heeft gezeten. Verdachte was op 3 december 2018 ook niet in Utrecht. Hij was bij een vriendin in Rotterdam. Verdachte heeft dit nu pas verklaard omdat deze vriendin getrouwd is en hij haar niet in een lastig parket wilde brengen. Verder heeft verdachte verklaard dat zijn telefoon op 3 december 2018 leeg was, hetgeen verklaart dat zijn telefoon op die dag enige tijd heeft uitgestaan.

Alles overziend bestaat het dossier uit speculaties en aannames, maar de directe betrokkenheid van verdachte bij het primair en subsidiaire tenlastegelegde feit niet kan worden vastgesteld. Voorts is er in het dossier geen enkele link met de medeverdachte te vinden. Nu verdachte iedere betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit ontkent en hij daarnaast een sluitend alibi heeft dat hem op het tenlastegelegde tijdstip niet in de omgeving van het tenlastegelegde feit plaatst dient verdachte te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Overwegingen hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Ten aanzien van het onder 1 primair en/of subsidiair tenlastegelegde

Feiten

Op 3 december 2018 reed het slachtoffer [slachtoffer] in zijn auto, een Volkswagen Polo, weg van zijn huis aan de [straatnaam 1] in Utrecht. Aan het einde van de straat zag hij links van de weg een zwarte Volkswagen (VW) Transporter (hierna verder: Transporter) geparkeerd staan. Toen hij vlakbij deze Transporter kwam, zag hij dat de Transporter rechts de straat op reed en schuin de straat blokkeerde. Hij zag dat de rechter schuifdeur van die Transporter open ging en dat er een man, verkleed als Zwarte Piet, uit de schuifdeur hing. Deze Zwarte Piet hield zich met zijn rechterhand vast aan de binnenkant van de Transporter, terwijl hij in zijn linkerhand een zwart vuurwapen had. Het slachtoffer zag dat de Zwarte Piet het wapen op hem richtte en schoot. Het slachtoffer hoorde twee knallen en reed hard achteruit weg tot hij niet verder kon vanwege een vuilniswagen. De Transporter sloeg na het schieten rechtsaf in de richting van het [straatnaam 2] .

Het slachtoffer had één persoon, een Zwarte Piet, gezien. Omdat deze achterin zat toen de auto wegreed, vermoedde het slachtoffer dat er nog iemand in de Transporter zat als bestuurder. Volgens het slachtoffer had de schutter blauw-groene ogen en een tenger, smal gezicht. Door het geschminkte gezicht sprongen deze ogen er uit. Verder droeg de Zwarte Piet een zwarte muts, een soort baret, met een gele veer en een gele rand, een zwarte jas en een zwarte kort, gepofte broek, een zwarte maillot en zwart leren schoenen.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft camerabeelden van de [adres 1] bekeken. Hij zag dat de camerabeelden 34 minuten en 14 seconden achter liepen op de daadwerkelijke (atoom)tijd.

Op de camerabeelden was te zien dat op 3 december 2018 te 12:07:09 (hof: in werkelijkheid dus 12:41:23) een zwarte Transporter, voorzien van het kenteken [kenteken] , door het beeld reed. Er was te zien dat er één (1) persoon voor in de Transporter zat en dat dit de bestuurder betrof. Voorts was te zien dat op 3 december 2018 om 12:33:06 (hof: in werkelijkheid dus 13:07:20) de Polo links uit beeld reed. Vervolgens is te zien dat het voertuig van aangever met hoge snelheid achteruit rijdend terug in beeld komt.

Kort na het schietincident werd de Transporter aangetroffen in de [straatnaam 3] in Utrecht. Het voertuig bleek te zijn voorzien van valse kentekenplaten: [kenteken] .

De Transporter werd onderzocht en onder meer op DNA bemonsterd. Op het midden van het stuur werd een DNA-mengprofiel aangetroffen, waarvan het hoofdprofiel van verdachte [verdachte] is. De matchkans is kleiner dan één op één miljard. Op andere onderdelen van de bus, die bemonsterd waren op DNA, is geen celmateriaal aangetroffen.

De getuige [getuige 1] (woonachtig in de [adres 1] ) heeft verklaard dat hij een donkere Volkswagenbus in de straat heeft gezien. De bus was hem opgevallen omdat deze op verschillende plekken in de straat probeerde te parkeren en later geparkeerd had gestaan. De getuige vond het opvallend dat er niemand uit de bus was gestapt en dat de motor continu bleef draaien. De bestuurder van de bus was een man met een donkere huidskleur en een vol gezicht. Van de bus waren de achterramen geblindeerd.

De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij op 3 december 2018 in de wijk [wijknaam] achter de vuilniswagen liep. Omstreeks 13.15 uur reed hij met zijn collega via de [straatnaam 4] de [adres 1] in. Hij hoorde drie of vier knallen en zag een zwarte Transporter heel hard wegrijden. Die auto had hij eerder al ter hoogte van de [straatnaam 4] met draaiende motor zien staan. Hij was langs dat voertuig gelopen en had gezien dat de bestuurder zat te slapen. Volgens de getuige [getuige 2] was de bestuurder een Creoolse Surinamer. De bestuurder was tussen de 20 en 50 jaar oud en droeg een zwarte coltrui. De Transporter had getinte ruiten bij de cabine en de getuige [getuige 2] had in de laadruimte geen ramen gezien.

Verbalisant [verbalisant 2] heeft camerabeelden van perceel [adres perceel] te Utrecht bekeken. Om 13:08:09 zag hij een zwartkleurige Transporter, voorzien van het kenteken [kenteken] . Voorts zag verbalisant dat aan de buitenzijde van de rechterbroekspijp van de broek van de bestuurder een aantal witte strepen zichtbaar waren.

De getuige [getuige 3] hoorde tussen 13.00 uur en 13.10 uur sirenes. Vanuit haar woonkamer had zij vrij zicht op de [straatnaam 3] in Utrecht. Zij zag, dat er een zwart busje met hoge snelheid aan kwam rijden, hard afremde en in de straat werd geparkeerd. Vervolgens zag zij dat er twee mannen uit het busje stapten (de bestuurder links en de bijrijder aan de rechterkant) en dat deze mannen wegrenden via de [straatnaam 5] , rechtsaf de [straatnaam 6] in richting de [straatnaam 7] . De getuige [getuige 3] heeft om 13.11 uur een foto gemaakt van de wegrennende mannen. De mannen zagen er als volgt uit:

Man 1:

tussen de 1.70 en 1.80 meter lang

slank postuur

zwarte jas met capuchon

zwarte broek

zwarte schoenen

Man 2 :

tussen de 1.70 en 1.80 meter lang

gezet postuur

zwarte jas met capuchon

zwarte broek

zwarte schoenen met een witte zool

Man 1 droeg in zijn rechterhand een rode plastic tas en een vuilniszak. Dit was de bijrijder.

Vanaf de plek van het schietincident naar de plek waar de Transporter in de [straatnaam 3] is achtergelaten, is het ongeveer 5 minuten rijden.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft camerabeelden van de [straatnaam 6] bekeken. Op de camera-beelden zijn twee personen zichtbaar, die aan het signalement, dat de getuige [getuige 3] heeft opgegeven, voldoen. De camerabeelden zijn van maandag 3 december 2018, 13.10 uur. Op de beelden is te zien dat de linker man een rode plastic tas in zijn rechterhand heeft (man 1). De rechterman had een gezet postuur en droeg een donkergekleurde jas met een grijze capuchon. Voorts had hij een trainingsbroek aan met drie witte strepen en zwarte schoenen met witte zolen.

De getuige [getuige 4] liep omstreeks 13.00 uur via de [straatnaam 8] naar het spoortunneltje richting de [straatnaam 9] . Plotseling hoorde ze 2 à 3 harde knallen. In het tunneltje kwamen twee jongens haar hard tegemoet lopen. Dit was ongeveer 3 à 4 minuten, nadat ze de knallen had gehoord. De twee jongens hadden bivakmutsen op. Beide mannen waren tussen de 1.70 en 1.80 meter lang. Ze droegen alle twee een donkere spijkerbroek. De ene man was breed en fors en de andere man was slank van postuur.

Oordeel hof

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden concludeert het hof dat de mannen die zijn waargenomen op de camerabeelden van de [straatnaam 6] , ook de inzittenden zijn geweest van de Transporter van waaruit is geschoten op het slachtoffer [slachtoffer] .

De vraag die aan de orde is of verdachte [verdachte] één van de twee mannen op de camerabeelden van de [straatnaam 6] was.

Uit de genoemde getuigenverklaringen en de camerabeelden komt naar voren dat de vermoedelijke bestuurder van de Transporter gekleed was in een donkergekleurde jas met een grijze capuchon, een trainingsbroek met drie witte strepen en zwarte schoenen met witte zolen. Voorts is in de Transporter op het midden van het stuur een DNA-mengprofiel aangetroffen, waarvan het hoofdprofiel van verdachte [verdachte] is. Door de politie is er ter observatie een camera gericht op de voordeur van de woning van verdachte [verdachte] . Op de beelden van de camera-observatie is [verdachte] te zien met een capuchon op, die overeenkomt met de capuchon, die man 2 op de eerdergenoemde camerabeelden droeg. Daarnaast komt de jas die de man met de broek met witte strepen droeg (man 2), overeen met de jas, die verdachte [verdachte] aanheeft op zijn Facebookprofielfoto.

Verdachte heeft ter zitting van de rechtbank verklaard dat hij meer dan 120 kilogram weegt. Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat hij obesitas heeft.

Het hof overweegt dat, gelet op het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, verdachte [verdachte] past in het signalement van man 2. Man 2 is de bestuurder van de Transporter geweest en dat past weer bij het feit, dat op het stuur van die Transporter celmateriaal van [verdachte] is aangetroffen.

Het verweer van de raadsvrouw dat verdachte niet past in het signalement van de bestuurder van de VW Transporter en de persoon op de camerabeelden van de [straatnaam 6] , wordt gelet hetgeen hiervoor is overwogen weerlegd door de bewijsmiddelen.

Zoals hiervoor overwogen is in de Transporter op het midden van het stuur een DNA-mengprofiel aangetroffen, waarvan het hoofdprofiel van verdachte [verdachte] is. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurige persoon overeenkomt met dit DNA-profiel (de matchkans) is kleiner dan één op één miljard. Verdachte heeft bij de politie en bij de rechtbank geen redelijke en aannemelijke verklaring gegeven voor deze omstandigheden. De enkele en op geen enkele wijze verifieerbare verklaring van verdachte - die hij pas ter zitting van het hof heeft afgelegd - dat hij wel eens als automonteur werkt, acht het hof, mede daarom maar ook in het licht van al het vorenstaande, niet aannemelijk geworden.

Daarnaast zijn van de telefoon van [verdachte] de historische verkeersgegevens rondom 3 december 2018 opgevraagd. Hieruit kwam naar voren dat de telefoon van verdachte (eindigend op … [telefoonnummer] ) op 3 december 2018 tussen 08.17 uur en 14.20 uur heeft uitgestaan. Uit onderzoek aan de Samsung telefoon van verdachte, die bij de doorzoeking van zijn huis was aangetroffen, blijkt eveneens van inactiviteit van de telefoon op 3 december 2018 tussen 09.03 en 14.03 uur. Verdachte heeft bij de politie en bij de rechtbank geen redelijk en aannemelijke verklaring gegeven voor deze omstandigheden. De enkele en op geen enkele wijze verifieerbare verklaring van verdachte - die hij pas ter zitting van het hof heeft afgelegd - dat zijn telefoon op die dag leeg was, acht het hof, mede daarom maar ook in het licht van al het vorenstaande, niet aannemelijk geworden.

Verdachte heeft ter zitting bij het hof verklaard dat hij op 3 december niet in Utrecht was, maar bij zijn vriendin in Rotterdam. Nu verdachte geen naam of andere gegevens van deze vriendin wil noemen, is deze verklaring ook niet verifieerbaar en zal als volstrekt onaannemelijk terzijde worden geschoven.

Op grond van al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat verdachte betrokken is geweest bij de schietpartij en dat hij hierbij de bestuurder van de Transporter is geweest.

Voorbedachten rade en opzet

Voor een bewezenverklaring van het bestandstanddeel “voorbedachten rade” moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedstoestand, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Daarnaast dient het hof te beoordelen of er bij verdachte sprake is van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin op de dood van [slachtoffer] .

Voor de bewezenverklaring van de bestanddelen “voorbedachten rade” en “opzet” acht het hof, met de rechtbank, in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend. Verdachte en een vooralsnog onbekend gebleven tweede persoon zijn in een gestolen Transporteer naar de straat gereden waar het slachtoffer woont. Zij hebben hier met een draaiende motor op hem staan wachten. Dat verdachte en de onbekend gebleven tweede persoon het slachtoffer bewust hebben opgezocht, blijkt uit het feit dat het slachtoffer zijn woning heeft verlaten en in zijn auto is weggereden, waarna verdachte en de onbekend gebleven tweede persoon hem vrijwel meteen met de Transporter hebben klemgereden. De onbekend gebleven tweede persoon heeft op dat moment de zijdeur van de Transporter geopend en met een vuurwapen meerdere keren gericht op het slachtoffer geschoten. Hij droeg daarbij een vermomming. Hierna is de Transporter weggereden en zijn de verdachte en de schutter in de [straatnaam 3] uitgestapt en weggerend. Dit alles heeft zich afgespeeld in een tijdsbestek van minder dan 15 minuten. Uit deze gang van zaken leidt het hof af dat sprake moet zijn geweest van een grondige en intensieve voorbereiding tussen de schutter en de bestuurder. De plaats delict en het tijdstip, te weten midden in een woonwijk op klaarlichte dag, maakte een goed voorbereide vlucht na het delict ook noodzakelijk. Dit vereist snelheid van handelen en daarmee een zeer goede samenwerking tussen de vooralsnog onbekend gebleven schutter, zijnde Zwarte Piet, en de bestuurder van de Transporter. Het kan niet anders dan dat deze schutter en de bestuurder van de Transporter van tevoren afspraken hebben gemaakt over de uitvoering van het delict en dat hun opzet was gericht op het doden van [slachtoffer] .

Het hof is dan ook, met de rechtbank, van oordeel dat voorbedachten rade is bewezen en de poging om slachtoffer [slachtoffer] te doden dient te worden aangemerkt als poging tot moord.

Medeplegen

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking, welke samenwerking in de onderhavige zaak moet zijn gericht op het met voorbedachten rade opzettelijk van het leven beroven van slachtoffer [slachtoffer] .

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder het kopje “voorbedachten rade”, is het hof van oordeel dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de onbekende schutter en verdachte. Hoewel verdachte niet degene is geweest die heeft geschoten, heeft hij als bestuurder van de Transporter een essentiële, materiële bijdrage geleverd vóór, tijdens en na het delict. Zijn rol kwalificeert het hof daarom als medeplegen van de poging tot moord.

Op grond van al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof het onder feit 1 primair tenlastegelegde medeplegen van poging tot moord wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. primair
hij op of omstreeks 3 december 2018 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en /of zijn mededader (s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade van het leven te beroven, met een vuurwapen een of meerdere malen (een) kogel (s) in de richting van (het hoofd/lichaam van) die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. hij op of omstreeks 21 mei 2019 te 's-Gravenhage , althans in Nederland, een wapen

van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten 5,5 kilogram TNT, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, zijnde geen explosief voor civiel gebruik, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van poging tot moord.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de rechtbank een beslissing genomen met betrekking tot inbeslaggenomen goederen.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis waarvan beroep te vernietigen en verdachte voor het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen heeft de advocaat-generaal gevorderd te beslissen conform de rechtbank.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair voor het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde vrijspraak bepleit. Subsidiair, in het geval van een veroordeling, heeft de raadsvrouw verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de inwerkingtreding van de ‘Wet straffen en beschermen’ met ingang van 1 juli 2021 waarmee onder meer de regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling is gewijzigd.

Met betrekking tot het beslag heeft de raadsvrouw geen standpunt ingenomen.

Oordeel van het hof

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich samen met een vooralsnog onbekende schutter schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord op het slachtoffer [slachtoffer] . Vanuit een voertuig is op korte afstand met een vuurwapen een aantal maal gericht op het slachtoffer geschoten. Het slachtoffer was op dat moment nietsvermoedend op weg naar school om zijn kinderen op te halen. Bij de schietpartij is het slachtoffer één keer geraakt en hij mag van geluk spreken dat hierbij geen vitale lichaamsdelen zijn geraakt en dat hij het heeft overleefd. Dat is niet te danken geweest aan verdachte en zijn mededader. Door onmiddellijk achteruit te rijden toen hij werd klemgereden, heeft het slachtoffer vermoedelijk een ernstigere afloop weten te voorkomen. Dit schietincident heeft alle schijn van een kille en zorgvuldig voorbereide liquidatie, waarbij verdachte de bestuurder van het voertuig is geweest. De link tussen de verdachte en zijn mededader en het slachtoffer is onbekend gebleven. Naar het motief en de achtergrond voor de poging tot moord is het gissen.

Verdachte heeft met zijn handelen een bijzonder grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het voorval heeft een grote impact op het slachtoffer gehad. Uit de verklaringen van het slachtoffer en zijn vrouw blijkt dat hij door de schietpartij last heeft gekregen van paniekaanvallen en daarvoor ook medicatie voorgeschreven heeft gekregen. Daarnaast heeft het slachtoffer verklaard dat hij bang was dat als hij zijn aangifte zou ondertekenen, hij weer met geweld geconfronteerd zou worden.

Naast het persoonlijk leed van het slachtoffer kan voorts worden gesteld dat verdachte in de samenleving het gevoel van onveiligheid heeft doen toenemen. Het hof acht het feit bijzonder ernstig en neemt het verdachte ook zeer kwalijk dat het schietincident plaatsvond op klaarlichte dag, midden in een woonwijk in Utrecht, vlakbij een basisschool rond lunchtijd. Een tijdstip waarop ouders hun kinderen van school halen om thuis te lunchen. Verdachte en zijn mededader hebben zich op geen enkel moment bekommerd om de mogelijkheid dat anderen (dodelijk) getroffen konden worden door de kogels. Verdachte heeft hiermee bijgedragen aan de publiek onrust en gevoelens van angsten en onveiligheid die bij dit soort ernstige geweldsdelicten ontstaan.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van 5,5 kilogram TNT. Explosieven brengen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en goederen met zich mee en het onbevoegd bezit van dergelijke explosieven is, gelet op de enorme risico’s, maatschappelijk onaanvaardbaar. De forse hoeveelheid springstof, die verdachte in zijn huis had liggen, had bij ontploffing tot ernstige schade en (dodelijk) letsel kunnen leiden.

Bij de strafoplegging heeft het hof ook een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 november 2021 in aanmerking genomen, waaruit volgt dat verdachte weliswaar eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, maar niet voor soortgelijke strafbare feiten.

Alles afwegend, acht het hof een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden om de ernst van de feiten te benadrukken. Het hof heeft als uitgangspunt voor de hoogte van de straf de straffen in acht genomen die doorgaans ten aanzien van soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 14 jaar met aftrek van voorarrest in beginsel een passende straf is.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof verder van oordeel dat aanleiding bestaat om in de strafoplegging rekening te houden met het feit dat na het wijzen van het vonnis in eerste aanleg, de regeling inzake de voorwaardelijke invrijheidsstelling per 1 juli 2021 is gewijzigd, teneinde in de nieuwe situatie niet een hogere netto strafduur van de gevangenisstraf te verkrijgen als ware dit arrest vóór 1 juli 2021 gewezen. Daarom komt het hof uit op een lagere gevangenisstraf dan door de rechtbank opgelegd, te weten een gevangenisstraf van twaalf jaren.

Alles afwegend is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Inbeslaggenomen voorwerpen

Het hof zal verbeurd verklaren de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- AALS2230NL: plastic zak;

- AALS2240NL: plastic zak;

- AALS2241NL: plastic zak;

- AALS2242NL: plastic zak;

- AALS2222NL: Primark tas;

- AALS2228NL: bruine tape.

Dit betreft de goederen waarin en waarmee de explosieven van het onder 2 bewezenverklaarde feit waren verpakt,

Het hof zal de onttrekking aan het verkeer bevelen van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- AALS2221NL: meerkleurige nylon tas met blokken explosief;

- AALS2229NL: 5 blokken explosief (2 soort) verpakt in een plastic zak en ontwikkeld met bruine tape;

- AAMN8721NL: magneet baken met simkaart [simkaart] .

Voornoemde inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte onder 1 primair begane feit aangetroffen. Zij behoren aan verdachte toe en kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten dan wel tot belemmering van de opsporing daarvan. Zij zullen worden onttrokken aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33b, 36b, 36c, 36d, 45, 47, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- AALS2230NL: plastic zak;

- AALS2240NL: plastic zak;

- AALS2241NL: plastic zak;

- AALS2242NL: plastic zak;

- AALS2222NL: Primark tas;

- AALS2228NL: bruine tape.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- AALS2221NL: meerkleurige nylon tas met blokken explosief;

- AALS2229NL: 5 blokken explosief (2 soort) verpakt in een plastic zak en ontwikkeld met bruine tape;

- AAMN8721NL: magneet baken met simkaart [simkaart] .

Aldus gewezen door

mr. R.M. Maanicus, voorzitter,

mr. E.W. van den Heuvel en mr. H.W. Samson-Geerlings, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.P. Fuchs-van Dis, griffier,

en op 27 december 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Samson-Geerlings is buiten staat dit arrest mede te onderteken.