Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:11359

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-12-2021
Datum publicatie
20-12-2021
Zaaknummer
200.288.912/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof legt dwangsom op aan de vader ter verzekering van de nakoming van de omgangsregeling met zijn vijf kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.288.912/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 494630)

beschikking van 9 december 2021

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. R.A. Bruintjes te Hoogezand,

en

[verweerster] ,

wonende op een bij het hof bekend adres,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. W.F. Wienen te Almere.

In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:

de raad voor de kinderbescherming (de raad),

regio Utrecht.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 16 oktober 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 14 januari 2021;

- een brief namens de vader van 3 februari 2021 met bijlage(n);

- een brief namens de vader van 9 februari 2021 met bijlage(n);

- een brief namens de vader van 23 februari 2021 met bijlage(n);

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met bijlage(n);

- een brief van de raad van 8 juni 2021;

- een brief namens de vader van 27 oktober 2021 met bijlage(n).

2.2

De hierna nader te noemen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben bij afzonderlijke, ongedateerde brieven (bij het hof binnengekomen op 13 oktober 2021) hun mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 16 november 2021 plaatsgevonden. De vader en de moeder zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] , geboren [in] 2007;

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2009;

- [de minderjarige3] , geboren [in] 2010;

- de tweeling [de minderjarige4] en [de minderjarige5] , geboren [in] 2013.

De kinderen wonen bij de moeder. De vader heeft de kinderen erkend. De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag uit over de kinderen.

3.2

De vader heeft met zijn huidige partner nog een minderjarig kind.

3.3

Bij beschikking van 13 juni 2016 is een omgangsregeling bepaald waarbij, voor zover hier van belang, de kinderen eenmaal per 14 dagen van vrijdagmiddag 14.00 uur na school tot en met zondagavond bij de vader verblijven. De jongste twee kinderen zullen, voor zolang zij nog niet op school zitten, om 15.15 uur door de vader van de peuterspeelzaal worden gehaald. De vader brengt de kinderen gezamenlijk op zondag om 18.00 uur weer bij de moeder terug. Verder is bepaald dat de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld.

3.4

Bij ouderschapsplan, ondertekend door de ouders op 1 februari 2019, zijn de ouders overeengekomen dat de kinderen om de week een weekend bij de vader zijn (de even weekenden). De vader zorgt er voor dat de kinderen op de vrijdag van het laatste even weekend na schooltijd op en de vrijdag van de andere weekenden zo vroeg mogelijk worden gehaald. Op zondag worden de kinderen rond 19.30 uur teruggebracht. Verder zijn de ouders een verdeling van de vakanties en feestdagen overeengekomen.

3.5

Op 2 maart 2020 is door de kantonrechter over de (toekomstige) goederen van de vader een bewind ingesteld.

3.6

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang:

- het tussen de ouders overeengekomen ouderschapsplan van 1 februari 2019 met betrekking tot de omgangsregeling gewijzigd en de volgende omgangsregeling bepaald:

de kinderen verblijven bij de vader het eerste weekend van de maand van vrijdag 17.00 uur tot zondag 19.30 uur, waarbij de vader de kinderen haalt en brengt;

- de verzoeken van de moeder voor het overige afgewezen.

3.7

Eind 2020 heeft er voor het laatst omgang plaatsgevonden tussen de vader en de kinderen.

4 De omvang van het geschil

4.1

De vader komt met ongenummerde grieven in hoger beroep van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op de omgangsregeling. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de omgangsregeling als volgt te wijzigen:

de vader zal maandelijks gedurende het eerste weekend van de maand omgang met de kinderen hebben van vrijdag 17.00 uur tot en met zondag 19.30 uur, waarbij geldt dat de vader de ene maand de oudste drie kinderen bij zich zal hebben en de andere maand de jongste twee kinderen, waarbij de vader zal zorgdragen voor het halen en brengen van de kinderen. Kosten rechtens.

4.2

De moeder voert verweer tegen het principaal hoger beroep en verzoekt het hof de verzoeken van de vader in hoger beroep af te wijzen, althans de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken. De moeder komt op haar beurt met ongenummerde grieven in incidenteel hoger beroep. Zij verzoekt het hof haar verzoeken in eerste aanleg alsnog toe te wijzen (te weten, kort gezegd: omgang om het weekend van vrijdag tot en met zondag met daaraan gekoppeld een dwangsom) met de volgende wijzigingen:

- dat het tijdstip op de vrijdagen wordt aangepast naar 14.15 uur, althans naar het moment dat de kinderen uit school komen;

- dat de afgesproken verdeling van de vakanties en feestdagen nader wordt gepreciseerd, en wel als volgt: waarbij in ieder geval zal gelden dat de kinderen in de zomervakantie ieder jaar drie weken bij een van de ouders zullen verblijven, en wel de even jaren de eerste drie weken bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader, en in de oneven jaren andersom, alsmede alle andere schoolvakanties, ieder de helft, waarbij de kinderen op de woensdagen om 12.00 uur bij de moeder worden teruggebracht of bij de moeder worden opgehaald, afhankelijk waar de kinderen dan verblijven, en dan de even jaren de eerste helft van de vakantie vanaf vrijdagmiddag bij de vader en de tweede helft bij de moeder, en in de oneven jaren andersom. Indien een vakantie twee weken duurt, is het wisselmoment op de zondagavond op het gebruikelijke tijdstip. Tevens vraagt de moeder te bepalen dat de nationale feestdagen ook bij helfte worden verdeeld, dit in onderling overleg af te spreken.

Verder verzoekt de moeder de gevraagde dwangsom tevens op deze gewijzigde regeling toe te passen.

Dit met veroordeling van de vader in de kosten van zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hoger beroep.

4.3

De vader verzoekt het hof het verzoek van de moeder om het tijdstip op de vrijdagen aan te passen naar 14.15 uur, althans naar het moment dat de kinderen uit school komen, toe te wijzen (mits de omgang één weekend per maand plaatsvindt). De vader verzoekt het hof de moeder in haar overige verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoeken af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

Wettelijk kader

5.1

Ingevolge artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

5.2

De rechter beproeft alvorens te beslissen op voormeld verzoek, een vergelijk tussen de ouders en kan, ook ambtshalve, indien geen vergelijk tot stand komt en het belang van het kind zich daartegen niet verzet, een door de wet toegelaten dwangmiddel opleggen dan wel bepalen dat de beschikking of onderdelen daarvan met toepassing van artikel 812 tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten uitvoer kunnen worden gelegd.

Omgangs- en vakantieregeling

5.3

Tijdens de zitting heeft het hof met de ouders de mogelijkheden onderzocht om overeenstemming tussen de ouders te bereiken over de omgangsregeling. De ouders zijn het in ieder geval - na een schorsing van de zitting - eens geworden dat er één keer per maand een weekend omgang plaatsvindt met alle kinderen tegelijk, tot zondagavond 19.30 uur. Ook is de mogelijkheid besproken om de omgang het tweede weekend van de maand te laten plaatsvinden, omdat de opa vaderszijde dan (in ieder geval voorlopig) kan helpen bij het halen van de kinderen. De ouders hebben over de overige invulling echter geen overeenstemming bereikt. Het hof zal daarom over de resterende geschilpunten een beslissing nemen en een omgangsregeling vaststellen die het hof het meest in het belang van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] , [de minderjarige4] en [de minderjarige5] acht en die qua uitvoering, onder meer gelet op de reistijd, het meest haalbaar is.

Het hof zal bepalen dat de kinderen gezamenlijk elk tweede weekend van de maand van zaterdag 9.30 uur tot zondag 19.30 uur omgang met de vader hebben, waarbij de vader de kinderen ophaalt en weer terugbrengt.

Met betrekking tot het aanvangstijdstip van zaterdag om 9.30 uur had de vader in de stukken weliswaar ingestemd met het verzoek van de moeder om het aanvangstijdstip op vrijdag om 14.15 uur (althans na school) te bepalen, maar ter zitting is gebleken dat de ouders het toch niet eens konden worden over op welke dag en welk tijdstip het omgangsweekend dient te starten. Dit geschilpunt heeft (net als de overige geschilpunten) met name te maken met de werktijden van de vader, zijn financiële situatie en de afstand tussen de woonplaatsen van de ouders. Het hof vindt het voor de kinderen van groot belang dat er een omgangsregeling wordt vastgesteld die door de vader wordt nagekomen. Daarom zal het aanvangsmoment van het omgangsweekend bepaald worden op zaterdag om 9.30 uur.

5.4

Met betrekking tot de vakantieregeling acht het hof het ook in het belang van de kinderen dat er een omgangsregeling wordt vastgesteld die door de vader wordt nagekomen. In het belang van de kinderen zal het hof daarom bepalen dat zij in de zomervakantie de laatste twee weken van juli gezamenlijk bij de vader verblijven. Voor de kerstvakantie zal het hof bepalen dat de kinderen gezamenlijk het ene jaar de eerste week bij de vader verblijven en in het andere jaar de tweede week, verder in onderling overleg door de ouders af te spreken.

Dwangsom

5.5

Het hof is er niet van overtuigd dat de vader, zonder de stimulans van een dwangsom, bovenstaande omgangsregeling zal nakomen. Dit gelet op de houding van de vader met betrekking tot de omgang in het verleden en het feit dat de vader de bij de bestreden beschikking gewijzigde omgangsregeling niet is nagekomen, waardoor er nu inmiddels ongeveer een jaar geen omgang heeft plaatsgevonden tussen de vader en de kinderen. Dit terwijl uit de stukken, waaronder brieven van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , naar voren komt dat de kinderen hun vader graag willen zien. Het hof zal daarom de door de moeder verzochte dwangsom toewijzen met dien verstande dat deze, met het oog op de financiële draagkracht van de vader, zal worden gematigd. Het hof zal de dwangsom bepalen op € 150,- voor iedere keer dat de vader niet voldoet aan de in deze beschikking vastgestelde omgangsregeling, met een maximum van € 5.000,-.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

6.2

De moeder verzoekt het hof de vader te veroordelen in de kosten van zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hoger beroep. De vader voert hiertegen verweer en verzoekt het hof de kosten rechtens vast te stellen. Het hof ziet in het door de moeder aangevoerde geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt. Het hof zal dan ook de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure de uit die relatie geboren kinderen betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 16 oktober 2020, en opnieuw beschikkende:

wijzigt het tussen de ouders overeengekomen ouderschapsplan van 1 februari 2019 met betrekking tot de omgangsregeling en stelt de volgende omgangs- en vakantieregeling vast:

- [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] , [de minderjarige4] en [de minderjarige5] verblijven elk tweede weekend van de maand van zaterdag 9.30 uur tot zondag 19.30 uur gezamenlijk bij de vader, waarbij de vader de kinderen ophaalt en weer terugbrengt;

- in de zomervakantie verblijven [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] , [de minderjarige4] en [de minderjarige5] de laatste twee weken van juli gezamenlijk bij de vader;

- in de kerstvakantie verblijven [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] , [de minderjarige4] en [de minderjarige5] gezamenlijk het ene jaar de eerste week bij de vader en in het andere jaar de tweede week, verder in onderling overleg door de ouders af te spreken;

bepaalt dat de vader aan de hiervoor vastgestelde omgangsregeling dient mee te werken, en wel op straffe van een dwangsom van € 150,- voor iedere keer dat de vader niet of niet volledig meewerkt aan de in deze beschikking vastgestelde omgangsregeling, met een maximum van € 5.000,-;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, M.P. den Hollander en M.A.F. Veenstra, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 9 december 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.