Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:11282

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-12-2021
Datum publicatie
09-12-2021
Zaaknummer
200.300.669/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. De door de voorzieningenrechter toegewezen opheffing van het leveringsbeslag op de woning blijft in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.300.669/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 179950)

arrest in kort geding van 7 december 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats1] ,

appellant,

bij de rechtbank: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. D. van der Wal, die kantoor houdt te Drachten,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats2] ,

geïntimeerde,

bij de rechtbank: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.J. Blokzijl, die kantoor houdt te Groningen.

1 De procedure bij de voorzieningenrechter

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis in kort geding van 15 september 2021 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden (hierna: de voorzieningenrechter).

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 1 oktober 2021 (met grieven en 3 producties),

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof een datum voor arrest vastgesteld.

3. Samenvatting en beslissing van het hof

3.1

[appellant] heeft op 18 december 2020 conservatoir beslag tot levering gelegd op de woning aan de [adres] in [plaats] . [geïntimeerde] heeft in kort geding opheffing van dit beslag gevorderd. In het vonnis van 15 september 2021 heeft de voorzieningenrechter de vordering toegewezen en het beslag opgeheven. [appellant] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

3.2

Het hof oordeelt dat de bezwaren van [appellant] niet tot vernietiging van het vonnis kunnen leiden. Het beslag blijft dus opgeheven. Het hof legt hierna uit hoe het tot dit oordeel komt.

4 De vaststaande feiten

Het hof gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten.

4.1

Partijen zijn broers van elkaar en de enige kinderen van mevrouw [de moeder]

(hierna: moeder) en wijlen de heer [de vader] (hierna: vader). Vader en moeder zijn

lang geleden gescheiden en vader is niet hertrouwd.

4.2

Vader heeft over zijn nalatenschap beschikt bij testament van 6 juni 2018. In het

testament heeft vader zijn inboedel gelegateerd aan moeder, [appellant] onterfd en onder

bezwaar van voormeld legaat [geïntimeerde] tot enig erfgenaam benoemd. Voorts heeft hij in het

testament moeder tot executeur benoemd. Daarbij is bepaald dat de executeur in verband met de betaling van de schulden bevoegd is de door haar beheerde goederen van de nalatenschap te gelde te maken. Als reden voor onterving van [appellant] heeft vader in het testament laten opnemen dat [appellant] door hem in het verleden reeds voldoende bevoordeeld was ten opzichte van [geïntimeerde] .

4.3

[in] 2020 is vader overleden.

4.4

Bij onderhandse verklaring van 20 juli 2020 heeft [geïntimeerde] de nalatenschap zuiver

aanvaard.

4.5

Tot de nalatenschap van vader behoorden onder meer de door hem bij leven

bewoonde woning, aan de [adres] te [plaats] , (hierna: de

woning), een hypothecaire schuld behorend bij die woning van € 60.000,-, de inboedel en

een banksaldo.

4.6

Op 4 augustus 2020 is de verklaring van erfrecht opgesteld, waarin is aangegeven

dat [geïntimeerde] enig erfgenaam is en de nalatenschap zuiver heeft aanvaard, dat moeder de

benoeming tot executeur heeft aanvaard en dat alle bij de dienst van het kadaster en de

openbare registers staande registergoederen ten name van vader ten name van [geïntimeerde] dienden

te worden gesteld, dit met ingang van 29 mei 2020.

4.7

De tenaamstelling van de woning op naam van [geïntimeerde] heeft plaatsgevonden op

6 augustus 2020.

4.8

Op 14 oktober 2020 heeft moeder op verzoek van [appellant] een koopovereenkomst ondertekend, strekkende tot verkoop van de woning aan [appellant] tegen een koopsom van € 120.000,-. De woning had toen een WOZ-waarde van € 179.000,-.

4.9

Namens moeder heeft mr. Blokzijl de vernietiging van die koopovereenkomst

ingeroepen, omdat deze tot stand zou zijn gekomen onder invloed van een wilsgebrek,

bestaande uit dwaling en/of misbruik van omstandigheden.

4.10

[appellant] heeft moeder daarop in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland en levering van de woning gevorderd. Deze vordering heeft de voorzieningenrechter bij mondeling vonnis afgewezen.

4.11

Met verlof van de voorzieningenrechter heeft [appellant] op 18 december 2020 ten laste van moeder en [geïntimeerde] conservatoir beslag tot levering gelegd onder [geïntimeerde] op de woning. Het verzoek van [appellant] om op de woning ook verhaalsbeslag te mogen leggen was door de voorzieningenrechter afgewezen. Voorts is hij een bodemprocedure gestart tegen moeder en [geïntimeerde] .

5 De beoordeling door het hof

5.1

De voorzieningenrechter in deze procedure heeft geoordeeld dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de leveringsvordering van [appellant] op [geïntimeerde] en dat tegenover het belang van [geïntimeerde] bij opheffing van het leveringsbeslag het belang van [appellant] bij handhaving daarvan onvoldoende gewicht in de schaal legt. [appellant] komt met twee grieven op tegen die beslissing en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

5.2

Volgens artikel 705 lid 2 Rv dient het beslag, onder meer en voor zover in deze zaak van belang, te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de [appellant] ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Het is aan [geïntimeerde] om die ondeugdelijkheid of het onnodig zijn van het beslag aannemelijk te maken. De beoordeling van de opheffingsvordering kan niet los geschieden van een afweging van de wederzijdse belangen.

5.3

Naar voorlopig oordeel van het hof dient de door [appellant] op [geïntimeerde] gepretendeerde vordering, die ten grondslag ligt aan het conservatoir leveringsbeslag, als summierlijk ondeugdelijk te worden aangemerkt. Daartoe overweegt het hof als volgt.

5.4

[in] 2020 is vader overleden. Hij heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt. In dit testament is [geïntimeerde] tot enig erfgenaam benoemd en is [appellant] onterfd. Op grond van het testament wist [appellant] dat hij geen aanspraak kon maken op goederen van de nalatenschap, dus ook niet op de woning, en dat hem alleen de legitieme portie toekwam als hij daarop aanspraak zou maken.

Vader heeft tevens moeder benoemd tot executeur en moeder heeft die benoeming aanvaard. [geïntimeerde] heeft de nalatenschap zuiver aanvaard, waardoor hij vader van rechtswege is opgevolgd in zijn voor overgang vatbare rechten en in zijn bezit en houderschap en hij van rechtswege schuldenaar is geworden van de schulden van vader die niet met zijn dood tenietgaan (artikel 4:182 BW).

5.5

Moeder heeft op 6 augustus 2020 meegewerkt aan de tenaamstelling van de woning op naam van [geïntimeerde] . Niet is weersproken dat partijen gezamenlijk die woning hadden ontruimd en dat de inboedel naar moeder was gegaan. Met haar medewerking aan de tenaamstelling van de woning heeft moeder uitvoering gegeven aan de aan haar op grond van het testament toebedeelde taak en bevoegdheid als executeur. Gesteld noch gebleken is dat moeder op dat moment nog andere taken als executeur te vervullen had. Gelet hierop kan voorshands worden aangenomen dat moeder, door het tot de nalatenschap van vader behorende registergoed aan de erfgenaam (in dit geval [geïntimeerde] ) ter beschikking te stellen, het beheer van de goederen van de nalatenschap van vader heeft beëindigd (artikel 4:150 BW)1.

5.6

Bij brief van 14 oktober 2020 heeft [appellant] aanspraak gemaakt op zijn legitieme portie. Op diezelfde datum is tevens een koopovereenkomst gesloten tussen [appellant] en moeder, waarbij de woning aan [appellant] is verkocht. Het hof oordeelt voorshands dat ten tijde van de totstandkoming van die overeenkomst moeder niet (meer) bevoegd was tot verkoop van die woning en dat [appellant] daar ook niet op mocht vertrouwen. Zoals hiervoor is overwogen kan worden aangenomen dat moeder haar taken als executeur reeds voor de verkoop van de woning aan [appellant] had voltooid en haar beheer had beëindigd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden waaraan [appellant] de verwachting mocht ontlenen dat moeder ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst nog wel activiteiten als executeur had te verrichten en/of dat zij tot de koopovereenkomst met [appellant] moest overgaan om schulden uit de nalatenschap te voldoen.

Daarbij komt dat [geïntimeerde] voor de totstandkoming van de koopovereenkomst tussen [appellant] en moeder reeds van rechtswege eigenaar van de woning was geworden door zuivere aanvaarding van de nalatenschap. Dat [appellant] er ook vanuit ging dat [geïntimeerde] bevoegd was om over de woning te beschikken, volgt onder meer uit de (onweersproken) stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] begin augustus 2020 aan [geïntimeerde] heeft gevraagd of hij de woning van hem mocht kopen.

5.7

Op grond hiervan oordeelt het hof dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat [geïntimeerde] op grond van de door [appellant] met moeder gesloten koopovereenkomst kan worden gehouden tot levering van de woning aan [appellant] . Dit betekent dat voor het leveringsbeslag geen titel aanwezig is.

5.8

Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. [geïntimeerde] heeft toegelicht dat hij er belang bij heeft om over de woning te kunnen beschikken en niet te hoeven afwachten totdat in een bodemprocedure over de vordering van [appellant] is beslist. Daar staat het belang van [appellant] tegenover om te voorkomen dat de woning aan een derde wordt overgedragen en daarmee een onomkeerbare situatie ontstaat. Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de ondeugdelijkheid van het door [appellant] ingeroepen recht, oordeelt het hof dat het belang van [geïntimeerde] in dit geval moet prevaleren. De conclusie is dat het leveringsbeslag opgeheven dient te blijven.

6 De slotsom

6.1

De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

6.2

Gelet op de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke rechtsbetrekking tot elkaar staan en het geschil hieruit voortvloeit, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in kort geding in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 15 september 2021;

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Willemse, I. Tubben en O.E. Mulder en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

7 december 2021.

1 ECLI:NL:HR:2013:39.