Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:10799

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-06-2021
Datum publicatie
23-11-2021
Zaaknummer
21-004774-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De strafzaak tegen de verzoeker is geëindigd met oplegging van straf. Vanwege het zeer uitzonderlijke procedureverloop in eerste aanleg en hoger beroep - zie de tussenbeschikking van 8 februari 2021 - is de verzoeker ontvankelijk in zijn verzoek op grond van artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering tot vergoeding van schade. Het hof heeft een schadevergoeding van € 15.000 toegekend.

Zie ook ECLI:NL:GHARL:2021:10707.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Arnhem

Afdeling strafrecht

parketnummer: 21-004774-18

AV-nummer: 001038-20

datum uitspraak: 28 juni 2021

Beslissing van de meervoudige raadkamer op het verzoek ex artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering van:

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982, .

te dezer zake domicilie kiezende te [woonplaats] , ten kantore van zijn raadsman, mr. J. Vlug,

hierna te noemen: verzoeker.

Procesgang

Verzoeker vraagt om een vergoeding ten laste van de Staat van€ 63.945,- voor schade die hij door in zijn strafzaak ondergane detentie heeft geleden, zoals nader in het verzoekschrift is omschreven.

Het hof heeft het verzoek behandeld in raadkamer op 11 januari 2021, waarbij zijn gehoord de advocaat-generaal en verzoeker, bijgestaan door mr. Vlug.

Bij tussenbeschikking van 8 februari 2021 heeft het hof het onderzoek heropend en de advocaat-generaal opdracht gegeven om met inachtneming van wat in de tussenbeschikking is overwogen de mogelijkheden te (laten) onderzoeken voor het buiten deze procedure om toekennen aan verzoeker van schadevergoeding ten laste van de Staat.

In een email van 23 mei 2021 heeft de advocaat-generaal het hof en de raadsman geïnformeerd.

Het verzoek is wederom behandeld in raadkamer op 14 juni 2021, waarbij zijn gehoord de advocaat-generaal en verzoeker, bijgestaan door mr. Vlug.

Beoordeling van het verzoek

Voor de relevante feiten en omstandigheden en in het bijzonder het procesverloop in de strafzaak in eerste aanleg en hoger beroep verwijst het hof naar zijn overwegingen in de tussenbeschikking van 8 februari 2021.

In het emailbericht van 23 mei 2021 heeft de advocaat-generaal laten weten dat (de afdeling Bestuurlijke en Juridische zaken van het Parket-Generaal van) het openbaar ministerie geen ruimte ziet voor het toekennen aan verzoeker buiten deze procedure om van schadevergoeding ten laste van de Staat.

Gezien de overwegingen uit de tussenbeschikking van 8 februari 2021 over het zeer uitzonderlijke procedureverloop in de strafzaak in eerste aanleg en hoger beroep acht het hof verzoeker ontvankelijk in zijn verzoek. In het bijzonder de navolgende feiten en omstandigheden zijn hierbij van belang.

De duur van de ondergane voorlopige hechtenis is zowel relatief als absoluut bezien veel langer dan de uiteindelijk opgelegde gevangenisstraf. Tussen de beslissing van het hof tot liet laten opmaken van rapportages Pro Justitia en het tot stand komen daarvan is een periode van een jaar verstreken terwijl verzoeker zich in voorlopige hechtenis bevond. Van die vertraging valt verzoeker niets te verwijten. In eerste aanleg en in hoger beroep was sprake van een strafoplegging die de verdediging en het openbaar ministerie heeft verrast. In eerste aanleg werd aan verzoeker de maatregel van tbs met verpleging opgelegd zonder dat dit was geëist, op basis van gedragskundige rapporten die in een andere strafzaak waren uitgebracht, en werd verzoeker op grond van een daartoe in het vonnis gegeven beslissing gevangen genomen. In hoger beroep heeft verzoeker ongeveer tweeëntwintig maanden in voorlopige hechtenis gezeten totdat hij na de inhoudelijke behandeling en nog vóór de uitspraak in hoger beroep onverwacht door opheffing van het bevel voorlopige hechtenis in vrijheid werd gesteld. Verzoeker keerde daardoor zonder enig hulpverleningskader terug in de maatschappij, terwijl in hoger beroep door het openbaar ministerie en de verdediging in navolging van de NIFP-rapporteurs en de reclassering juist was ingezet op het tot stand brengen van de noodzakelijke hulpverlening aansluitend aan verzoekers detentie. Verder is de voortduring van de voorlopige hechtenis in hoger beroep gegrond op vier door de rechtbank bewezenverklaarde feiten waarvoor tbs mogelijk is, waarvan het hof uiteindelijk slechts één bewezen heeft verklaard. Uit het arrest van 8 juli 2020 blijkt ten slotte niet dat het hof strafvermindering heeft toegepast terwijl daartoe vanwege de duur van de ondergane voorlopige hechtenis ten opzichte van de opgelegde gevangenisstraf in combinatie met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep met ongeveer zes maanden, wel aanleiding had kunnen zijn

Alle omstandigheden in aanmerking genomen zijn er naar het oordeel van het hof gronden van billijkheid om aan verzoeker een schadevergoeding van€ 15.000,- toe te kennen.

Het hof zal het verzoek voor het overige afwijzen.

BESLISSING

Het hof:

Kent toe aan verzoeker een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van € 15.000,­ (vijftienduizend euro).

Wijst af het meer of anders verzochte.

Beveelt de griffier om bovenstaand bedrag over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] , ten name van Stichting Derdengelden Vlug Huisman Maarsingh Strafpleiters, onder vermelding van Vlug/ [naam1] .

Aldus gegeven door

mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter,

mr. R.M. Maanicus en mr. D. Stoutjesdijk, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. M. Klein, griffier, door de voorzitter ondertekend en op 28 juni 2021 ter openbare zitting uitgesproken.

De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.