Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:1072

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-02-2021
Datum publicatie
12-02-2021
Zaaknummer
20/00356
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2020:188, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Uitleg vaststellingsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 12-02-2021
FutD 2021-0487
V-N Vandaag 2021/423
NTFR 2021/742
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 20/00356

uitspraakdatum: 2 februari 2021

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amsterdam (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 januari 2020, nummer AWB 19/126, in het geding tussen de Inspecteur en

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2009 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 4.209 negatief, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 700.144 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van
€ 5.938 (hierna: de navorderingsaanslag). Bij beschikking is € 19.990 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren tegen de navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente vernietigd.

1.4.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2020. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is belastingadviseur en als directeur-grootaandeelhouder werkzaam bij [A] B.V. te [B] .

2.2.

Belanghebbende is 100% (indirect) aandeelhouder van diverse vennootschappen en enig bestuurder van [C] (hierna: [C] ) en van [D] (hierna: [D] ).

2.3.

[C] is vanaf 25 oktober 2007 enig aandeelhouder van [E] B.V. en was tot 31 december 2009 enig aandeelhouder van [F] BV (hierna: [F] ).

2.4.

[D] was enig aandeelhouder van [G] B.V. (hierna: [G] ).

2.5.

Op 12 november 2007 is er tussen [G] en [E] B.V. een ‘Overeenkomst voor omzetting geldlening in kapitaal (agio)’ gesloten voor een bedrag van € 182.554.

2.6.

Belanghebbende heeft op 22 november 2007 39 van de 40 certificaten van de aandelen in [G] verkocht voor een bedrag van € 1.

2.7.

Op 20 december 2009 is er tussen [F] en [E] B.V. een ‘Overeenkomst voor omzetting geldlening in kapitaal (agio)’ gesloten voor een bedrag van € 175.351.

2.8.

Belanghebbende heeft op 31 december 2009 de aandelen in [F] verkocht voor een bedrag van € 1.

2.9.

Uit de jaarrekening 2009 van [F] blijkt dat deze vennootschap ultimo 2008 de volgende vorderingen had:

[H] B.V. 296.266

r.c. [I] B.V. 58.860

r.c. [J] B.V. 15.240

[K] B.V. 14.042

Overige vorderingen op korte termijn 200.000

In totaal 584.408

De schulden van [F] waren ultimo 2008:

r.c. [G] B.V. 609.895

r.c. [L] B.V. 8.220

In totaal 618.115

Ultimo 2009 bestond de balans van [F] enkel uit liquide middelen ter grootte van € 150 en een even groot eigen vermogen. In de resultatenrekening over 2009 is een buitengewone bate van € 246.235 vermeld.

2.10.

Uit de jaarrekening 2009 van [E] B.V. blijkt dat deze vennootschap ultimo 2008 de volgende vorderingen had:

r.c. [A] B.V. 133.088

r.c. [M] B.V. 1.372

Lening u/g [N] B.V. 5.000

r.c. [O] 8.000

r.c. [I] B.V. 10

r.c. [P] B.V. 15.175

In totaal 162.645

De schulden van [E] B.V. waren ultimo 2008:

r.c. [G] B.V. 182.554

r.c. [F] 176.201

r.c. [Q] B.V. 4.500

r.c. [R] B.V. 7.524

In totaal 370.779

Ultimo 2009 stondengenoemde schulden ter grootte van € 370.779 niet meer op de balans van [E] B.V. vermeld. In de resultatenrekening over 2009 is een buitengewone bate van
€ 297.710 vermeld.

2.11.

Belanghebbende heeft in de aangifte IB/PVV 2009 een bedrag van € 192.001 als voordeel uit aanmerkelijk belang vermeld, gespecificeerd als volgt:

- regulier voordeel uit aanmerkelijk belang uit [F] 210.000

- vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang [F] -/- 17.999

192.001

2.12.

Op 22 december 2011 heeft de inspecteur vennootschapsbelasting een brief aan [E] B.V. gestuurd, waarin vragen worden gesteld over de ingediende aangiften vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) 2009 en 2010.

2.13.

De Inspecteur heeft met betrekking tot de aangifte Vpb 2009 bij brief van 30 juli 2012 aan [E] B.V. geschreven:

“U voert in 2009 vrijgestelde winstbestanddelen op van € 297.710 (omschrijving: “informele kapitaalstortingen"); dit komt vrijwel overeen met de buitengewone bate van € 297.765. U geeft aan dat dit de omzetting van groepsleningen in agio betreft.

Uitgaand van de door u verstrekte toelichting en verstrekte stukken leidt dit niet tot correcties voor de

vennootschapsbelasting 2009 van [E] bv. De vermogensmutatie (omzetting groepsleningen in agio) lijkt niet juist verwerkt, maar dit heeft geen gevolgen voor het fiscale resultaat in de vpb. Ook heeft volgens u geen afwaardering van groepsleningen ten laste van het resultaat plaatsgevonden bij [E] bv; artikel 13ba e.v. Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is dan niet van toepassing.

Andere aspecten van de aangifte vpb 2009 zijn niet beoordeeld.

Ik zal de aangifte conform de gepresenteerde cijfers afhandelen. U ontvangt over enige tijd het aanslagbiljet.”

2.14.

De aanslag Vpb 2009 voor [E] B.V. is met dagtekening 18 augustus 2012 conform de aangifte Vpb 2009 opgelegd.

2.15.

De aanslag IB/PVV 2009 is met dagtekening 28 december 2012 conform de ingediende aangifte IB/PVV 2009 opgelegd.

2.16.

Bij brief van 24 juli 2013 is een boekenonderzoek aangekondigd inzake de aangifte Vpb 2009 van [E] B.V. Het onderzoek is beperkt tot het onderdeel bijzondere bate/informele kapitaalstorting.

2.17.

Op 23 september 2014 en op 25 november 2014 is in het Tripartite Overleg besloten om naar onder anderen belanghebbende een strafrechtelijk onderzoek in te stellen.

2.18.

De Inspecteur heeft bij brief van 16 december 2014 aan belanghebbende geschreven, voor zover van belang:

“In de aangifte vennootschapsbelasting 2009 van [E] B.V. is in de verlies en winstrekening een bijzondere bate opgenomen van € 297.710. In de vermogensvergelijking wordt deze bate uit de winst geëlimineerd onder de noemer “overige vrijgestelde winstbestanddelen”.

Gebleken is dat het bedrag van € 297.710 als volgt is samengesteld:

Schuld aan [F] Holding B.V. 8149.14.093 € 175.351

Schuld aan [G] B.V. 8033.40.175 € 182.554

Vordering op [R] fa 8146.73.910 € 18.592

Vordering op [R] fd 8146.74.033 € 40.853

Vordering op [S] € 750

€ 60.195 € 357.905

U gaf aan dat u van mening bent dat verrekening binnen de vennootschappen waarvan u de aandelen bezit mogelijk is, omdat u in privé hierdoor niet verarmd.

Deze mening deel ik niet.

Schulden aan [F] B.V. en [G] B.V.

Door de omzetting van de schulden van [E] B.V. aan [F] B.V. en [G] B.V. in informeel kapitaal, ontstaat de mogelijkheid om als aandeelhouder dit kapitaal onbelast uit [E] B.V. te genieten.

Fiscaal is er sprake van een uitdeling door [F] B.V. en [G] B.V. aan de aandeelhouder ten bedrage van € 357.905 netto, waarna de aandeelhouder ( [X] ) dit geld als informeel kapitaal heeft gestort in [E] B.V..

Het feit dat de aandelen [G] B.V. zijn overgedragen in 2007 en ook de overdracht van de vordering in 2007 heeft plaatsgevonden leidt ertoe dat met betrekking tot deze vordering van

€ 182.554 in het jaar 2009 geen uitdeling plaats heeft gevonden.

Aangifte [F] B.V.

Ook in de aangifte vennootschapsbelasting 2009 van [F] B.V. is een bijzondere bate/ overige vrijgestelde winstbestanddelen ten bedrage van € 246.235 opgenomen.

Uitgaande van hetgeen over de aangifte vennootschapsbelasting 2009 van [E] B.V. inmiddels is gecorrespondeerd, kan niet anders geconcludeerd worden dat in de aangifte vennootschapsbelasting 2009 van [F] B.V. op dezelfde manier is gehandeld.

Overigens moet het bedrag niet € 246.235 zijn, maar € 332.792. In de aangifte vennootschapsbelasting van [F] BV over 2009 wordt een buitengewone bate van € 332.792 aangegeven in de fiscale winst en wordt deze voor € 246.235 aangemerkt als ‘vrijgestelde winstaandeel' en voor € 86.557 als 'netto voordelen uit deelnemingen’.

Geconcludeerd kan worden dat een aan de heer [X] gelieerde vennootschap een uitdeling aan de heer [X] heeft gedaan van € 332.792 in 2009.

Navorderingsaanslag Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2009

Op grond van bovenstaande wordt een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/ premievolksverzekeringen 2009 opgelegd ten name van [X] , BSN: [0000] , waarbij het inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) word vastgesteld op € 700.144 (aangegeven € 192.001 + € 175.351 + € 332.792).”

2.19.

De navorderingsaanslag IB/PVV 2009 is gedagtekend 31 december 2014. De Inspecteur heeft daarbij het aangegeven voordeel uit aanmerkelijk belang verhoogd met € 508.143.

2.20.

In de uitspraak op bezwaar van 4 december 2018 is het volgende vermeld:

“Hoewel ik van mening ben dat de navorderingsaanslag inkomstenbelasting juist is, ik verwijs u daarvoor naar mijn brief van 22 november 2018, zie ik aanknooppunten om te kunnen praten over een mogelijk compromis. Voor wat betreft de inkomstenbelasting zou de inhoud van een compromis mijns inziens moeten bestaan uit de volgende aspecten:

1. Het eerste aspect betreft de omzetting van de schuld die [G] BV had aan [F] BV van € 609.895 in informeel kapitaal. Tijdens het hoorgesprek heeft uw cliënt verklaard dat met betrekking tot deze omzetting geen dan wel nagenoeg geen stukken meer beschikbaar zijn. Uw cliënt heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting 2007 dit bedrag niet aangegeven als dividenduitkering en als informele kapitaalstorting. Nu [G] BV en [F] BV zustermaatschappijen waren van elkaar en er volgens uw cliënt kennelijk sprake is geweest van een informele kapitaalstorting door uw cliënt in .... (ja in wie eigenlijk: is dat in [E] BV of is dat in [G] BV??) dan kan de omzetting van deze schuld in informeel kapitaal alleen geschieden door een uitdeling door [F] BV aan uw cliënt in privé, waarbij uw cliënt voor hetzelfde bedrag een informele kapitaalstorting doet in ....? Zoals hierboven aangegeven, heeft uw cliënt de uitdeling niet verantwoord in zijn aangifte inkomstenbelasting over 2007, terwijl dit wel een voorwaarde moet zijn voor het stellen van een informele kapitaalstorting. Desondanks wenst uw cliënt het bedrag van de omzetting wel aan te merken als een informele kapitaalstorting waarvoor hij in 2009 een aanmerkelijk belangverlies wil claimen. Het niet aangeven van de omzetting in 2007 kan mijns inziens niet tot gevolg hebben dat uw cliënt ten

aanzien van deze omzetting wel een aanmerkelijk belangverlies claimt in 2009.

2. Het tweede aspect betreft de in de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2009 in aanmerking genomen informele kapitaalstorting. Deze informele kapitaalstorting verhoogt de verkrijgingsprijs van onder meer de aandelen [E] BV. Bij een mogelijk compromis zal mijns inziens moeten worden afgesproken dat bij een eventuele toekomstige vervreemding van het aanmerkelijk belang in [E] BV rekening dient te worden gehouden met de in aanmerking genomen uitdeling in 2009 gevolgd door de informele kapitaalstorting in [E] BV. Het bedrag van de informele kapitaalstorting heeft immers gevolgen voor de verkrijgingsprijs van de aandelen [E] BV.

Om vast te kunnen stellen dat partijen uitgaan van dezelfde uitgangspunten om verzoek ik uw cliënt schriftelijk te bevestigen dat:

a. uw cliënt in 2007 een voordeel uit aanmerkelijk belang heeft genoten van € 609.895 dat niet is verantwoord in zijn aangifte inkomstenbelasting van het jaar 2007 of enig ander jaar;

b. uw cliënt in 2009 met betrekking tot het in onderdeel a. vermelde voordeel een extra verlies uit aanmerkelijk belang claimt van € 609.895;

c. uw cliënt in 2009 ter zake van de vervreemding van aandelen [F] BV in de aangifte inkomstenbelasting reeds een negatief vervreemdingsvoordeel van € 17.999 in aanmerking heeft genomen en dat het bedrag van deze aftrek reeds aan uw cliënt is toegekend;

d. uw cliënt van mening is dat de Belastingdienst bij het vaststellen van de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2009 ten onrechte een voordeel uit aanmerkelijk belang van € 508.143 in aanmerking heeft genomen;

e. uw cliënt met betrekking tot het in onderdeel d. vermelde voordeel bereid is de toekomstige aanmerkelijk belangclaim die hierop betrekking heeft, achterwege te laten.

Als uw cliënt bereid is uit te gaan van deze uitgangspunten zie ik een mogelijkheid om te kijken of partijen tot een compromis kunnen komen. In verband met mijn afwezigheid tot 12 januari 2019 verzoek ik u uw reactie hierop te sturen naar mijn collega de heer [T] van de Belastingdienst/kantoor Almere. Hij zal dan deze uitgangspunten meenemen in de reeds lopende onderhandelingen over de vennootschapsbelasting. Dit houdt in dat wij - mits u dat goeddunkt - verder praten over een voorstel in de beroepsfase.”

2.21.

De gemachtigde van belanghebbende (hierna: de gemachtigde) heeft op 24 december 2018 een e-mail gestuurd aan [T] (hierna: [T] ), [U] (hierna: [U] ) en [V] (hierna: [V] ) van de Belastingdienst. Hierin wordt geschreven, voor zover van belang:

“Hierbij zend ik u een concept vaststellingsovereenkomst waarin ik het onderhandelingsresultaat tot op heden heb getracht zo beknopt maar ook volledig mogelijk te verwoorden.

Ik heb daarin tevens de oplossing voor de navordering IB 2009 verwoord.

(…)

Voor de goede orde, meld ik u nog dat cliënt uw voorstel voor wat betreft de afschrijving van de klokken, uitsluitend heeft aanvaard in combinatie met het bereiken van overeenstemming over de navordering IB 2009. Het kan dus niet zo zijn dat door vakantie van de heer [V] de discussie nu weer wordt losgekoppeld. Om de intrinsieke wens van cliënt tot een totaaloplossing te komen te onderstrepen, heb ik maar vast het voortouw genomen met deze overeenkomst.”

2.22.

[T] heeft op 15 januari 2019 aan de gemachtigde gemaild:

“Hieronder treft u onze reactie aan naar aanleiding van uw email van 24 december 2018.

U geeft aan dat de heer [X] ons voorstel met betrekking tot de afschrijving van de klokken

uitsluitend heeft aanvaard in combinatie met het bereiken van overeenstemming over de navordering IB 2009 Wij waren in de veronderstelling dat wij tijdens ons telefoongesprek van 19 november 2018 hadden afgesproken om het bezwaar IB 2009 los te koppelen van de overige

geschilpunten die [W] BV, [E] BV, [Y] BV en [AA] BV raken. De bereidheid tot het loskoppelen had u overigens ook reeds aangegeven in uw email van 10 oktober 2018.

(…).

Nu u ons voorstel ten aanzien van de behandeling van het bezwaar IB 2009 van de heer [X] terzijde hebt geschoven kunnen wij niet anders concluderen dat een compromis op de overige geschilpunten niet mogelijk is. Wij zullen de behandeling van deze overige geschilpunten ter hand nemen.

(…).

Mocht de Belastingdienst volgens u abuis zijn ten aanzien van de bij u veronderstelde koppeling met het bezwaar IB 2009 dan vernemen wij dat graag vóór 1 februari 2019. Na ommekomst van deze termijn zullen wij de behandeling van de overige geschilpunten ter hand nemen.”

2.23.

De gemachtigde heeft op 21 januari 2019 een e-mail gestuurd aan [V] . Hierin schrijft de gemachtigde, voor zover van belang:

“U heeft in uw beslissing van 4 december 2018 van mijn cliënt een aantal schriftelijke bevestigingen verzocht, aan welk verzoek cliënt om overigens begrijpelijke redenen niet aan kan voldoen. In plaats daarvan heb ik in de bijgaande conceptvaststellingsovereenkomst feitelijk een voorstel gedaan om de aanslagregeling zo overeen te komen dat voor beide partijen over en weer de gevolgen van de kwijtscheldingswinsten in 2007 en 2009 volledig duidelijk zijn en er dus geen voor de fiscus nadelige financiële gevolgen kleven aan het accepteren van de kwijtscheldingswinsten.

(…).

Ik sta nu op het punt om het ingesteld beroep tegen uw beslissing van 4 december 2018 te motiveren. U en ik weten dat die beslissing c.q. de aanslag 2009 nooit stand kan houden bij de rechter en dat is tijdens de hoorzitting door uw collega ook in die zin uitgesproken. Het lijkt mij om die reden wenselijk dat wij op korte termijn toch nog even bezien of een regeling in der minne met betrekking tot de aanslag (eventueel losgekoppeld maar voorafgaand aan de regeling van de aanslagen Vpb) mogelijk is. Ik heb dit vorige week met de heer [T] besproken en hem in overweging gegeven hierop even af te wachten.

Vriendelijk verzoek aan u is om in elk geval kennis te nemen van het voorstel zoals dat ligt vervat in de vaststellingsovereenkomst. Ik neem op korte termijn contact met u op om even te bespreken of wij de mijns inziens voor beide partijen ongewenste beroepsprocedure alsnog kunnen voorkomen.”

2.24.

[T] heeft op 29 januari 2019 aan de gemachtigde gemaild:

“Wij zijn nu al geruime tijd bezig met pogingen om voor alle lopende zaken (de zaken die de heer [X] zelve en zijn cliënten betreffen) tot een vergelijk te komen. Als laatste poging van de Belastingdienst is aangegeven dat de zaken [X] en de overige zaken niet gezamenlijk behandeld kunnen worden als er niet wordt voldaan aan een aantal passages in het concept-vso. U heeft aangegeven niet akkoord te gaan met die passages, hetgeen natuurlijk uw goed recht is, maar wel inhoudt dat er niet wordt voldaan aan onze voorwaarden. In het laatste telefoongesprek dat wij hebben gevoerd op 17 januari 2019 heb ik dat ook aangegeven.

In uw email van 24 januari geeft u aan dat u het rentevoorstel zou willen ontvangen om te bezien of er tot overeenstemming kan worden gekomen. Daaruit leid ik af dat u er (afhankelijk van het rentevoorstel) in berust dat de IB 2009 wordt losgekoppeld van van overige geschilpunten en dat u er niet de voorkeur aangeeft dat deze overige geschilpunten apart worden behandeld.”

2.25.

De gemachtigde heeft op 29 januari 2019 aan [T] gemaild:

“Van cliënt begreep ik eerder inderdaad dat vanwege de houding van de heer [V] hij de zaken toch wil loskoppelen.”

2.26.

[T] heeft op 30 januari 2019 aan de gemachtigde gemaild:

“Door de loskoppeling van de IB 2009 lijkt het erop dat een afspraak over de heffingsrente het laatste obstakel vormt voor een compromis”

2.27.

De gemachtigde heeft op 30 januari 2019 aan [T] gemaild:

“Naar ik van cliënt begreep, wil hij opteren voor de door u geboden mogelijkheid om alles in één aanslag over 2018 te regelen (kennelijk m.u.v. de KIA maar daarmee stemt hij in). Voor zover ik momenteel overzie, zijn wij om die reden op alle punten (IB 2009 daargelaten) tot overeenstemming geraakt.”

2.28.

[T] heeft op 1 februari 2019 aan de gemachtigde gemaild:

“Fijn dat de heer [X] ervoor opteert om alles in één aanslag over 2018 te regelen en daarmee het laatste obstakel voor een VSO is weggenomen. U geeft daarbij aan dat de heer [X] hiermee instemt “kennelijk met uitzondering van de KIA”. In mijn email had ik ook aangegeven dat de correcties [Y] en [AA] in 2010 en 2012 ook uitgezonderd worden en dus niet pas in 2018 worden geregeld. Ik begrijp dat de heer [X] hiermee dus ook instemt. Kunt u dit nog bevestigen?

Na uw bevestiging zal ik proberen om op korte termijn 4 aparte vaststellingsovereenkomsten van [E] , [W] , [Y] en [AA] in concept op te stellen. Op zich is het geen probleem als de aangiften vennootschapsbelasting 2018 voor [E] en [W] wel al ingediend worden en dat afgesproken correcties vervolgens bij het opleggen van de aanslagen conform de getekende VSO's wordt verwerkt.”

2.29.

[T] heeft op 15 maart 2019 inzake de concepten van de vaststellingsovereenkomsten aan de gemachtigde gemaild:

“De derde alinea is eveneens een standaard tekst in de vaststellingsovereenkomst en gaat specifiek over de aansprakelijkheid van eventuele schade die is toegebracht door de Staat/Belastingdienst/inspecteur of ontvanger en de afstand van recht op enige vergoeding van

schade, rente, kosten e.d. U geeft aan dat als is gedoeld om algehele finale kwijting over en weer overeen te komen tussen Staat, Belastingdienst, ontvanger en/ of betrokken ambtenaren in privé enerzijds en cliënten anderzijds, u wil voorleggen aan cliënt dit in overweging te geven.

Het lijkt mij niet nodig hier te veel nadruk op te leggen, maar als we over en weer algehele finale kwijting overeenkomen tussen Belastingdienst, ontvanger en / of betrokken ambtenaren in privé enerzijds en cliënten anderzijds zou dat wat mij betreft voldoende recht doen aan de derde alinea en zou dat aangepast kunnen worden, waarbij de ontvanger ook zal meetekenen.”

2.30.

In april 2019 is een vaststellingsovereenkomst (hierna: de vso) ondertekend. In de vso staat onder meer:

“Partijen

1. [X] , (BSN: [0000] ), wonende te [Z] , gemeente [BB] , aan de [a-straat] 16, ten deze handelend voor zichzelf (verder te noemen: [X] ) en

2. namens de besloten vennootschap [E] B.V. (RSIN [00001] )(verder te noemen [E] ) (…).

Hierna te noemen (zowel gezamenlijk als afzonderlijk) partij A

en

3. De Inspecteur van de Belastingdienst te Almere, (verder ook te noemen de fiscus) hierbij vertegenwoordigd door de heer S.P. [T]

Hierna te noemen Partij B

(…).

Bovengenoemde partijen nemen in aanmerking:

- Dat partijen een geschil hebben gekregen over de afschrijvingsmethodiek op aangekochte en ingebrachte klokken in [E] en – ten dele – de vraag of het mogelijk was kleinschaligheidsinvesteringsaftrek voor die klokken te claimen, zulks over de tijdvakken vanaf 2008;

(…).

- Dat partijen een verschil van inzicht hebben gekregen over de waardering van de schilderijen genaamd: (…), die door [X] vanuit privé zijn ingebracht;

(…).

- Dat partij B ook had aangekondigd correcties aan [X] privé op te (zullen) leggen, in verband met beweerdelijk in privé genoten voordelen die door [E] B.V. zouden zijn bekostigd;

Partijen komen (…) overeen dat:

(…).

11. De fiscus zal over de in geschil zijnde tijdvakken niet navorderen in de inkomstenbelastingsfeer bij [X] zelf c.q. reeds opgelegde navorderingsaanslagen vernietigen c.q. verminderen tot nihil;

(…).

18. Partijen doen uitdrukkelijk afstand van het recht om ontbinding van deze overeenkomst te vorderen, ook voor zover één der partijen een beroep zou kunnen toekomen op de werking van artikel 6:228 BW. Bij een verzuim in de nakoming door de andere partij, staat het de ene partij vrij nakoming van de overeenkomst te vorderen.

19. [X] ziet af van eventuele vorderingen tot verhaal van kosten van (verdere) renteschade, immateriële schade en kosten van bezwaarprocedures naar aanleiding van de in deze regeling opgenomen aanslagregelingen zowel jegens de fiscus, als jegens de Staat en jegens medewerkers van de belastingdienst.

(…)

Partij B.

De inspecteur van ’s Rijks Belastingdienst, namens deze de heer [T] ”

2.31.

De gemachtigde heeft bij brief van 17 juli 2019 aan [V] geschreven:

“Eerder kwamen wij te spreken over een compromismogelijkheid met betrekking tot de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2009 t.n.v. de heer [X] te [Z] . Inmiddels heeft cliënt een compromis gesloten (zie bijlage). Ik verzoek u daarom vriendelijk maar met klem de navorderingsaanslag alsnog te vernietigen, althans te verminderen tot nihil.

Overigens is cliënt wel te moveren om alsnog - indachtig ons eerder onderhandelingsresultaat - aan u toe te zeggen en - indien gewenst – schriftelijk vast te leggen dat hij niet in jaren na 2009 aanspraak zal maken op een verhoogde verkrijgingsprijs van aandelen in verband met de in 2009 veronderstelde informele kapitaalstorting.”

2.32.

De Inspecteur, in de persoon van mr. [CC] , heeft bij brief van 23 juli 2019 aan de gemachtigde geschreven:

“U hebt mijn collega de heer [V] in uw brief van 17 juli 2019 namens uw cliënt [X] gevraagd de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2009 te vernietigen.

Zoals u wellicht ook in het beroep heeft geconstateerd heb ik de behandeling van de betreffende navorderingsaanslag overgenomen van mijn college de heer [V] .

Ik zal hierbij dan ook uw verzoek behandelen.

Ik ben van mening dat de vaststellingsovereenkomst gesloten tussen uw cliënt en [E] B.V. en de belastingdienst geheel andere onderwerpen en rechtsperso(o)n(en) betreffen dan de beroepszaak welke wacht op zitting bij de Rechtbank. Ik zal de navorderingsaanslag dan ook in stand laten.”

2.33.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard omdat in de vso is overeengekomen dat de navorderingsaanslag moet worden vernietigd.

2.34.

[T] heeft op 12 november 2020 schriftelijk verklaard:

“Het lijkt een beetje 'onhandig’ dat in de VSO niet is opgenomen dat de navorderingsaanslag IB 2009 is losgekoppeld van de overige geschilpunten met betrekking tot [W] BV, [E] BV, [Y] BV en [AA] BV. Als echter op de correspondentie over de loskoppeling van de IB 2009 wordt ingezoomd dan kan naar mijn oordeel geen andere conclusie worden getrokken dat de loskoppeling voor ons een essentiële voorwaarde was om überhaupt een compromis te kunnen sluiten. Omdat deze essentiële voorwaarde zo overduidelijk was afgesproken is de loskoppeling niet in het compromis opgenomen. Vanwege deze overduidelijke afspraak is het daarom niet 'onhandig', maar eigenlijk logisch dat de loskoppeling van de IB 2009 niet nogmaals in de VSO is benoemd. Partijen waren het er immers al over eens geworden dat de IB 2009 geen onderdeel zou uitmaken van de VSO.

Ik wil hierbij - voor zover van belang - benadrukken dat ik uiteindelijk blij was toen de heer [DD] bevestigde akkoord te gaan met het loskoppelen van de IB 2009 zodat we over de overige

inhoudelijke geschilpunten die [W] BV, [E] BV, [Y] BV en [AA] BV raakten eindelijk tot een compromis konden komen.

De discussies over inhoud van de VSO zijn daarna altijd gevoerd met het idee dat reeds was afgesproken dat de IB 2009 was losgekoppeld. Alle afspraken die uiteindelijk zijn gemaakt hadden daarmee uitdrukkelijk dus geen betrekking op de IB 2009.

Kort samengevat komt het er naar mijn idee op neer dat in de IB 2009 het kernprobleem lag en dat de loskoppeling daarvan het mogelijk maakte om een compromis te kunnen sluiten. Het lange tijdsverloop tussen de loskoppeling van de IB 2009 en het uiteindelijke compromis lijkt nu te worden misbruikt om de IB 2009 alsnog in het compromis te betrekken.

Na de overeengekomen loskoppeling zie ik vanuit onze kant nergens een bevestiging dat de IB 2009 toch wel weer onderdeel uit zou maken van de VSO.

Ik hoop dat mijn verklaring voldoende de invloed en de reikwijdte van de VSO op de navorderingsaanslag IB 2009 weergeeft en dat dit bewijsaanbod kan worden meegenomen in de beoordeling of de navorderingsaanslag IB 2009 onderdeel uitmaakte van de VSO.”

2.35.

[U] heeft op 16 november 2020 schriftelijk verklaard:

“2. Historie

Enige jaren geleden verzocht de heer [EE] mij een aantal bezwaarschriften te behandelen ten name van diverse cliënten van [X] c.s., alsmede ten name van de vennootschap [E] B.V., laatstgenoemde een vennootschap van de heer [X] zelf.

De heer [EE] heeft mij bij deze gelegenheid de context toegelicht van bedoelde bezwaren.

Het kwam er kort en simpel samengevat op neer dat [X] c.s. onoirbare adviezen aan cliënten zou hebben gegeven voor het uitvoeren van transacties met als oogmerk het frustreren van fiscale claims in de sfeer van stamrechten en aanmerkelijk belangaandelen. Naar ik van de heer [EE] altijd heb begrepen, liep in dit verband een strafrechtelijk (FIOD)onderzoek tegen [X] c.s. Daarnaast liepen er dito onderzoeken tegen diverse cliënten van [X] .

Vervolgens ben ik als bezwaarinspecteur aan de slag gegaan met de diverse bezwaarschriften. In die hoedanigheid heb ik kennisgemaakt met [X] c.s. zowel voor zichzelf als in zijn hoedanigheid van gemachtigde van cliënten.

3. Fase van bezwaarbehandeling

Bij de bezwaarbehandeling van twee cliënten bleek mij dat een aantal van de bestreden correcties betrekking hadden op aandelentransacties die [X] c.s. zelf met zijn cliënten had verricht, kennelijk ook op zijn, [X] 's, advies. Over de fiscale duiding en de fiscale gevolgen van die transacties heb ik met [X] gecommuniceerd. Het waren geschilpunten waarvan de uitkomst zowel gevolgen zou hebben voor de bewuste cliënten als ook voor [X] (lees: [E] BV) zelf.

In potentie zou in dit verband ook een situatie kunnen ontstaan van tegengestelde fiscaal/financiële belangen tussen [X] c.s enerzijds en de betreffende twee cliënten anderzijds.

In 2018 ontstond ter gelegenheid van een aantal gecombineerde hoorgesprekken een situatie waarin partijen de mogelijkheid van compromissoire oplossingen zijn gaan verkennen. Toen heeft [X] c.s. ook op tafel gelegd dat hij geschillen in relatie tot zijn eigen dossier op deze wijze zou willen beslechten.

Voor de goede orde merk ik op dat ik tot dat moment nog geen enkele betrokkenheid bij of inzicht had in de fiscale dossiers van [X] c.s. zelf, anders dan de behandeling van enige bezwaren ten name van [E] B.V.

Het dossier van [X] c.s. werd voor zover mij bekend behandeld door diverse collega's van het locale kantoor Almere waar [X] c.s onder ressorteren. De heer [EE] had in dit dossier een begeleidende/coördinerende rol. Voor mijzelf lag dat anders. In het bijzonder met de heffing van IB/PVV ten name van [X] privé heb ik zelf nooit enige formele of materiële bemoeienis gehad. Ik wist toen niet eens precies wat daar speelde.

4. Context compromisbesprekingen

De compromisbesprekingen met [X] c.s. hebben vanuit mijn perspectief steeds plaatsgevonden in de volgende bezetting: De heer [X] zelf, zijn gemachtigde advocaat [DD] , de heer [EE] , de heer [T] en mijn persoon. Met deze personen heb ik ook steeds in wisselende samenstellingen contact gehad tijdens de compromisbesprekingen.

Het accent van mijn eigen werkzaamheden lag op het doen van voorstellen voor de afwikkeling van de bezwaren van de cliënten en complementair daaraan de afwikkeling van de bezwaren van [E] B.V. Als ik zeg 'complementair', doel ik in het bijzonder op de fiscale duiding van de transacties die [E] B.V. zelf met de cliënten van [X] c.s. had verricht. Simpel gezegd zou [X] / [E] B.V. akkoord moeten gaan met een hogere belastingverplichting voor zichzelf als gevolg van het accepteren van aftrekposten bij de cliënten.

Verder is concreet onderhandeld over naar mij bijstaat diverse aftrekposten (afschrijvingen met name) in de zakelijke sfeer van [X] c.s. Deze kwesties raakten de reguliere aanslagregeling van [X] c.s. over een reeks van jaren en hadden voor zover ik weet ook geen raking met (de achtergrond van) het FIOD-onderzoek. Aangezien ik vond dat ik geen rol had of zou moeten hebben bij de reguliere klantbehandeling van dossier [X] c.s., heb ik (de uitkomst van) de onderhandelingen hierover voor kennisgeving aangenomen. Het zijn in mijn beleving steeds de heren [T] en [EE] geweest die over deze aftrekposten hebben onderhandeld. Uiteraard hielden we elkaar wel op de hoogte van de ontwikkelingen gelet op het streven van partijen om - idealiter - zoveel geschilpunten als mogelijk compromissoir af te doen. Ook heb ik wel eens met de heer [EE] vaktechnisch gespard over het onderwerp afschrijving op antiek. Maar daar bleef het dan bij.

Mij staat tot slot ook bij dat in de contacten met heren [X] en [DD] diverse malen op tafel is gekomen dat als een breed compromis niet haalbaar zou zijn, wij eventueel ook op deel-onderwerpen compromissen zouden kunnen sluiten. Bijvoorbeeld over de bezwaarafdoening van alleen de cliënten. Van een alles-of-nietssituatie is in mijn beleving nooit sprake geweest.

5. Navorderingsaanslag IB/PVV 2009 ten name van de heer [X]

Tijdens en rondom de hiervoor bedoelde compromisbesprekingen hebben de heer [X] en/of de heer [DD] zich voor zover ik mij herinner wel een aantal malen uitgelaten over het lopende geschil over de aan de heer [X] opgelegde navorderingsaanslag IB/PVV 2009. Naar ik begreep, was daar het nodige procedurele gedoe over. Ook de heer [EE] maakte daar wel eens gewag van, maar dat was voor mij meer in de sfeer van een update 'en marge' over hoe het ging met het dossier [X] in den brede. Ik nam het voor kennisgeving aan. Het was mij wel overduidelijk dat deze kwestie een 'heet hangijzer' was voor alle partijen.

Los van het benoemen van de kwestie is over de aan de heer [X] opgelegde navordering

IB/PVV 2009 zeker geen compromis bereikt. Zoals volgt uit het voorgaande, hadden [EE] , [T] en ikzelf afhankelijk van het onderwerp wel een soort rolverdeling, maar we wisten over en weer uiteraard wel wat er speelde. Richting de heren [X] en [DD] waren wij gedrieën immers 'het gezicht' van de Belastingdienst in het kader van de compromisbesprekingen.

Zou er echt over de navorderingsaanslag 2009 onderhandeld zijn, dan zou ik op zijn minst wel iets hebben meegekregen over de precieze inhoud van de kwestie en zou ik vermoedelijk ook in vaktechnische zin daarover hebben gespard met de heren [EE] en [T] . Daarvan is echter in het geheel geen sprake geweest.

De procedure in eerste aanleg over de bewuste navorderingsaanslag is naar ik van de heer [EE] begreep gevoerd door een van de kantoorinspecteurs van Almere, mevrouw [CC] , met de heer [EE] als haar bijstand. Voor zover ik mij herinner, heb ik zelf zelfs nog nooit enig zakelijk contact met mevrouw [CC] over wat dan ook gehad. Pas nadat de procedure in eerste aanleg was verloren, heeft de heer [EE] mij om bijstand verzocht voor het hoger beroep. Pas toen ben ik mij inhoudelijk gaan verdiepen in het geschil over de bewuste navorderingsaanslag en heb ik de heer [EE] ook inhoudelijke suggesties gedaan voor het opstellen van het hoger beroepschrift.”

3 Geschil

3.1.

In geschil is of:

- artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht is geschonden;

- een deel van de door de Inspecteur – in zijn nader stuk van 4 december 2020 – ingebrachte stukken moet worden geweigerd wegens strijd met de goede procesorde;

- de navorderingsaanslag op grond van de vso moet worden vernietigd;

- ingevolge artikel 16, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, navordering mogelijk is;

- de navorderingsaanslag in strijd met een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is opgelegd, meer in het bijzonder détournement de pouvoir, het motiveringsbeginsel en het vertrouwensbeginsel;

- sprake is van schending van de cautieplicht; en

- sprake is van schending van het nemo tenetur-beginsel.

Met betrekking tot de hoogte van de navorderingsaanslag heeft de Inspecteur zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de navorderingsaanslag moet worden verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 4.209 negatief, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 581.962 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van
€ 5.938.

3.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat – als op grond van de vso de navorderingsaanslag niet moet worden vernietigd – het Hof de zaak niet naar de Rechtbank hoeft terug te wijzen.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de vso niet ziet op de navorderingsaanslag. Hieraan heeft de Inspecteur ten grondslag gelegd dat dit belanghebbende en de gemachtigde altijd duidelijk is geweest, hetgeen zij ook als zodanig hebben verklaard. [V] was degene die het bezwaar en beroep inzake de navorderingsaanslag behandelde en [T] en [U] behandelden de vennootschapsbelasting. Belanghebbende en de gemachtigde hebben op 30 januari 2019 ermee ingestemd dat de navorderingsaanslag geen deel uitmaakte van de vso, aldus de Inspecteur. Verder valt volgens de Inspecteur uit de tekst van de vso af te leiden dat deze niet ziet op de navorderingsaanslag. In de vso worden bij het onderdeel ‘partijen nemen in aanmerking’ acht geschilpunten opgesomd, waarbij het geschilpunt ‘inkomen uit aanmerkelijk belang in 2009’ niet wordt vermeld, aldus de Inspecteur. Bovendien heeft volgens de Inspecteur punt 11 van de vso alleen betrekking op in privé genoten voordelen die door [E] B.V. zouden zijn bekostigd en zijn er meer navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd.

4.2.

Belanghebbende heeft gesteld dat niet – zoals de Inspecteur heeft gedaan – moet worden gekeken naar de fase voorafgaand aan de totstandkoming van de vso. [T] heeft op 8 april 2019 de – door hem zelf opgemaakte – vso toegestuurd. Er zijn in de loop van de tijd diverse zaken telefonisch besproken, onder meer over een totaalcompromis en met name ook over het niet langer strafrechtelijk en civielrechtelijk aansprakelijk houden van de Belastingdienst en/of haar medewerkers voor de door belanghebbende, de vennootschappen waarvan hij directeur was en de klanten van de vennootschappen waarvan hij directeur was. Vanaf 15 maart 2019 was er overeenstemming over het schrappen van de navorderingsaanslag, aldus belanghebbende. Er zijn meerdere medewerkers van de Belastingdienst bij de navorderingsaanslag betrokken geweest, in welk geval het volgens belanghebbende niet zo kan zijn dat het door [T] gesloten compromis door een andere medewerker niet wordt gevolgd. Belanghebbende stelt verder dat de considerans niet compleet is en dat het in de vso onder punt 11 vermelde niet voor meerderlei uitleg vatbaar is: de navorderingsaanslag moet worden vernietigd. Het kan ook volgens belanghebbende niet anders dan dat het om de navorderingsaanslag gaat, aangezien de overige navorderingsaanslagen IB/PVV die aan belanghebbende waren opgelegd reeds van tafel waren. De navorderingsaanslag IB/PVV 2009 was de nog enige bestaande aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag ten tijde van ondertekening van de vso, aldus belanghebbende.

4.3.

Het Hof stelt voorop dat de vraag wat tussen partijen op grond van een door hen gesloten (vaststellings)overeenkomst (mondeling dan wel schriftelijk) rechtens is, niet kan worden beantwoord door middel van alleen een taalkundige uitleg, maar dat de zogenoemde Haviltex-maatstaf (arrest van de Hoge Raad van 13 maart 1981, nr. 11647, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, (Haviltex)) toegepast dient te worden. In het Haviltex-arrest heeft de Hoge Raad overwogen:

“2. (...) De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van pp. is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die pp. in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen pp. behoren en welke rechtskennis van zodanige pp. kan worden verwacht.”.

4.4.

Uit het Haviltex-arrest volgt dat met een zuiver taalkundige uitleg van een schriftelijke overeenkomst niet noodzakelijkerwijs duidelijkheid wordt verkregen over de inhoud daarvan. Anderzijds is het niet zo dat de tekst nimmer beslissend kan zijn. De rechter dient alle omstandigheden in aanmerking te nemen; de bewoording van de overeenkomst vormt één van die omstandigheden. Dat volgt, zo niet uit het Haviltex-arrest zelf, dan toch uit de nadien door de Hoge Raad gewezen arresten van 19 januari 2007, C05/266HR, ECLI:NL:HR:2007:AZ3178, Meyer Europe BV/PontMeyer BV en van 29 juni 2007, C05/285HR, ECLI:NL:HR:2007:BA4909, Derksen/Homburg.

4.5.

Het Hof is van oordeel dat op grond van de vso de navorderingsaanslag moet worden vernietigd. Hierbij heeft het Hof het volgende in aanmerking genomen.

4.6.

Uit de feiten kan worden afgeleid dat tussen partijen in discussie was of de navorderingsaanslag in een compromis kon worden betrokken en dat er ook telefonisch overleg tussen partijen heeft plaatsgevonden. Het is voor het Hof niet duidelijk geworden of partijen vóór het opstellen van de vso zijn overeengekomen dat de navorderingsaanslag in het compromis zou worden betrokken.

4.7.

Verder staat vast dat de langlopende onderhandelingen – ook over de tekst van de vso – zijn gevoerd door twee gelijkwaardige professionele partijen. Dit brengt naar het oordeel van het Hof mee dat aan de tekst van de vso veel betekenis moet worden toegekend.

4.8.

Bij de uitleg van de vso stelt het Hof voorop dat naar de vso als geheel moet worden gekeken en dus niet alleen naar een enkele bepaling uit de vso. Het Hof leidt uit de tekst van de vso af dat:

- deze betrekking heeft op tijdvakken vanaf 2008;

- reeds opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelastingsfeer zullen worden vernietigd dan wel verminderd tot nihil;

- belanghebbende – kort gezegd – afziet van eventuele vorderingen tot verhaal van schade naar aanleiding van de in de vso opgenomen aanslagregelingen zowel jegens de fiscus, als jegens de Staat en jegens medewerkers van de Belastingdienst; en

- deze ondertekend is door de ‘inspecteur van de Belastingdienst’, zonder vermelding van een specifieke eenheid of belasting.

4.9.

De Inspecteur heeft gesteld dat in de vso onder ‘Bovengenoemde partijen nemen in aanmerking’ acht geschilpunten worden opgesomd, waarbij het geschilpunt ‘inkomen uit aanmerkelijk belang in 2009’ niet wordt vermeld. Het Hof is van oordeel dat de opsomming van de acht geschilpunten niet doorslaggevend is bij de uitleg van de vso omdat ook moet worden gekeken naar datgene wat daadwerkelijk is overeengekomen (de punten 1 tot en met 21).

4.10.

Verder heeft de Inspecteur gesteld dat punt 11 van de vso alleen betrekking heeft op in privé genoten voordelen die door [E] B.V. zouden zijn bekostigd. Deze bepalingen van de vso luiden, zoals hiervoor al in punt 2.30 van deze uitspraak geciteerd:

“- Dat partij B ook had aangekondigd correcties aan [X] privé op te (zullen) leggen, in verband met beweerdelijk in privé genoten voordelen die door [E] B.V. zouden zijn bekostigd;

11. De fiscus zal over de in geschil zijnde tijdvakken niet navorderen in de inkomstenbelastingsfeer bij [X] zelf c.q. reeds opgelegde navorderingsaanslagen vernietigen c.q. verminderen tot nihil;”

4.11.

Het Hof is van oordeel dat punt 11 van de vso niet alleen betrekking heeft op in privé genoten voordelen die door [E] B.V. zouden zijn bekostigd omdat het hierbij gaat om aankondigingen om aan belanghebbende correcties op te (zullen) leggen, terwijl het in punt 11 van de vso ook gaat om reeds opgelegde navorderingsaanslagen.

4.12.

De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof betoogd dat op het moment van de totstandkoming van de vso (april 2019) er – behalve de navorderingsaanslag – nog andere navorderingsaanslagen IB/PVV waren opgelegd, hetgeen door belanghebbende gemotiveerd is weersproken. Dit heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof echter niet aannemelijk gemaakt. Hierbij merkt het Hof op dat het tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 7 mei 2018 gegrond is verklaard en dat het tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar van eveneens 7 mei 2018 gegrond is verklaard. Met betrekking tot de IB/PVV 2014 en 2015 heeft belanghebbende ter zitting van het Hof onweersproken gesteld dat het alleen ging om voorgenomen correcties.

4.13.

Het Hof wijst er nog op dat belanghebbende heeft afgezien van vorderingen tot verhaal van schade jegens (medewerkers van) de Belastingdienst en de Staat, wat er naar het oordeel van het Hof op duidt dat ook de navorderingsaanslag in de vso is betrokken.

4.14.

Het Hof merkt ten slotte nog op dat de Inspecteur in zijn nader stuk van 4 december 2020 de navorderingsaanslag op een lager bedrag heeft berekend, waarbij hij ervan is uitgegaan dat de (vermomde) winstuitdelingen door [F] zijn gedaan, waarna deze door belanghebbende als informeel kapitaal in [E] B.V. zijn ingebracht. Deze gestelde gang van zaken leidt niet tot een ander oordeel omdat deze vennootschappen gelieerd waren en de vso ook met belanghebbende zelf is gesloten.

4.15.

Op grond van het voorgaande komt het Hof, evenals de Rechtbank, tot de conclusie dat de navorderingsaanslag moet worden vernietigd. De overige geschilpunten hoeven geen behandeling.

4.16.

Het voorgaande brengt ook mee dat de beschikking heffingsrente moet worden vernietigd.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.068 (2 punten (verweerschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 534).

6 Beslissing

Het Hof:

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.068,

– bepaalt dat van de Inspecteur op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 532.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.

De beslissing is op 2 februari 2021 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.W.J. de Kort) (B.F.A. van Huijgevoort)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 3 februari 2021.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.