Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:10367

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-11-2021
Datum publicatie
15-11-2021
Zaaknummer
200.295.031
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak, Wwz. Opzegverbod bij ziekte. Heeft werkgever bewust aangestuurd op verstoorde arbeidsverhouding? Geen ernstige verwijtbaarheid werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-1431
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.295.031

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort 8907669)

beschikking van 8 november 2021

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats1] ,

verzoeker in hoger beroep,

in eerste aanleg: verweerder,

hierna: [verzoeker]

advocaat: mr. J.E. Jalandoni

tegen

1. de vennootschap onder firma

SCS Koerier V.O.F.

gevestigd te Amersfoort,

2. [geïntimeerde2]

3. [geïntimeerde3]

beiden wonende te [woonplaats2] ,

verweerders in hoger beroep,

in eerste aanleg: verzoekers,

hierna: SCS, [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] ,

advocaat: mr. U. Yildirim

1
1. De procedure bij de kantonrechter

Het verloop van de procedure in eerste aanleg blijkt uit de beschikking van 12 maart 2021 van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort.

2 De procedure in hoger beroep

[verzoeker] heeft de procedure bij het hof aanhangig gemaakt met een verzoekschrift in hoger beroep, dat bij de griffie is binnengekomen op 31 mei 2021. Daarna heeft SCS een verweerschrift in hoger beroep ingediend. Op 29 september 2021 is een mondelinge behandeling gehouden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. Hierna heeft het hof uitspraak bepaald.

3 De beoordeling van het hoger beroep

Inleiding

3.1.

SCS is een klein bedrijf dat zich bezighoudt met het bezorgen van pakketten. [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] zijn beiden vennoot van SCS. [verzoeker] is met ingang van 20 november 2017 als koerier/chauffeur in dienst getreden bij SCS. Hij heeft zich op 22 september 2019 ziekgemeld. Op 8 juli 2020 heeft SCS [verzoeker] per brief een aanzegging gestuurd dat zijn arbeidsovereenkomst op 1 september 2020 van rechtswege zou eindigen en dat zij deze niet zou voortzetten.

3.2

In reactie daarop is [verzoeker] een procedure bij de kantonrechter gestart waarin hij heeft gevorderd vast te stellen dat er sprake was van een dienstverband van onbepaalde tijd. SCS heeft vervolgens een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter ingediend, gebaseerd op de g-grond (verstoorde arbeidsverhouding). De kantonrechter heeft, nadat tussen partijen niet langer in geschil was dat sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, in de bestreden beschikking geoordeeld dat het ontslagverbod bij ziekte niet aan ontbinding in de weg stond. Hij heeft de arbeidsovereenkomst wegens een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding ontbonden per 1 mei 2021. De kantonrechter heeft [verzoeker] de transitievergoeding toegekend, maar zijn verzoek om toekenning van een billijke vergoeding afgewezen.

3.2.

Hiertegen is [verzoeker] in hoger beroep gekomen. Hij verzoekt in deze procedure primair herstel van de arbeidsovereenkomst en subsidiair toekenning van een billijke vergoeding, te verhogen met de wettelijke rente.

De beslissing van het hof

3.3.

Ook volgens het hof hield het ontbindingsverzoek van de werkgever geen verband met de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] . Het hof beslist daarnaast dat de arbeidsovereenkomst terecht door de kantonrechter is ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarbij heeft SCS niet ernstig verwijtbaar gehandeld zoals bedoeld in de wet. Daarom wijst het hof de verzoeken van [verzoeker] af. Het hof zal deze beslissing hierna toelichten.

Het verzoek tot herstel dan wel een billijke vergoeding op grond van artikel 7:683 lid 3 BW

3.4.

Op grond van artikel 7:683 lid 3 BW kan de rechter in hoger beroep de arbeidsovereenkomst herstellen of aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen als hij tot het oordeel komt dat het verzoek van de werkgever om de arbeidsovereenkomst te ontbinden in eerste aanleg ten onrechte is toegewezen. Volgens [verzoeker] moet het hof de arbeidsovereenkomst herstellen of een billijke vergoeding toekennen omdat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat:

  1. het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen verband houdt met het opzegverbod wegens ziekte;

  2. de arbeidsverhouding tussen partijen zodanig verstoord is dat van SCS niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren; en

  3. herplaatsing van [verzoeker] in een andere functie binnen SCS niet mogelijk is.

Het hof overweegt hierover als volgt.

a. a) Het opzegverbod tijdens ziekte

3.5.

Ondanks het bestaan van het opzegverbod tijdens ziekte kan de arbeidsovereenkomst toch worden ontbonden als de reden voor ontbinding geen verband houdt met de ziekte van [verzoeker] . In dit geval is ontbinding verzocht op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. Partijen zijn het erover eens dat er inderdaad sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. De vraag is dus of er een verband bestaat tussen die verstoorde arbeidsverhouding en de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] . Volgens het hof is dat niet het geval. Daartoe overweegt het hof als volgt.

3.6.

In de periode van 17 tot en met 21 september 2021 (dus voorafgaand aan de ziekmelding) is het volgende voorgevallen. [verzoeker] moest op 17 september 2019 een pakketje afleveren. Hij heeft - naar eigen zeggen - het pakketje niet kunnen afleveren omdat de geadresseerde inmiddels niet langer op dat adres woonde. In het registratiesysteem heeft [verzoeker] echter ingevoerd dat hij het pakketje wel bezorgd had. Het pakketje heeft hij weer meegenomen en in zijn bestelbus gelegd. Vervolgens is er op 20 september 2019 een klacht van Post NL bij SCS binnengekomen dat de geadresseerde het pakketje niet had ontvangen. SCS heeft deze melding diezelfde dag nog via Whatsapp doorgestuurd aan [verzoeker] . [verzoeker] heeft geantwoord dat hij het zou onderzoeken, waarop SCS heeft gereageerd met: “Ok, niet vergeten!” Het pakketje is op 21 september 2019 aangetroffen in de bestelbus van [verzoeker] .

3.7.

SCS heeft zich op het standpunt gesteld dat er door dit voorval een breuk is ontstaan in het vertrouwen dat SCS in [verzoeker] als pakketbezorger moet kunnen stellen. SCS heeft ter zitting toegelicht dat het van belang is dat pakketbezorgers de regels voor pakketbezorging volgen omdat de werkgever anders niet kan uitsluiten dat er fraude door de betreffende bezorger wordt gepleegd. In dit geval heeft [verzoeker] het pakketje ten onrechte als bezorgd geregistreerd. Dat kwam volgens [verzoeker] omdat hij dit al had ingevoerd in het systeem voordat hij had aangebeld en erachter kwam dat het pakketje voor de vorige bewoner was. Dat kan uiteraard gebeuren. Maar vervolgens heeft hij toen hij het pakketje mee terug had genomen en weer in zijn bus had gelegd, de onjuiste invoer niet aangepast en geen actie ondernomen om het pakketje te retourneren aan Post NL. Daar komt bij dat er in de periode voorafgaand aan het voorval op regelmatige basis klachten van Post NL bij SCS zijn binnengekomen dat een door [verzoeker] af te leveren pakketje niet door de geadresseerde was ontvangen terwijl geregistreerd stond dat het pakketje was afgeleverd. Weliswaar is niet gebleken dat SCS [verzoeker] hierop – anders dan via het doorsturen van de klacht via Whatsapp – heeft aangesproken maar dat dit heeft meegespeeld bij het ontstaan van een vertrouwensbreuk acht het hof wel aannemelijk. Het hof ziet in het voorgaande dan ook voldoende feitelijke aanknopingspunten voor het standpunt van SCS dat dit voorval bij haar heeft geleid tot een vertrouwensbreuk en dat die vertrouwensbreuk – en niet de ziekmelding van [verzoeker] – voor haar de aanleiding is geweest voor het ontslag op staande voet.

3.8.

Daarbij komt dat het er volgens het hof voor moet worden gehouden dat er een gesprek over het ontslag op staande voet heeft plaatsgevonden vóór [verzoeker] zich in de nacht van 21 op 22 september 2019 ziek meldde. Deze door SCS gestelde gang van zaken wordt ondersteund door de verklaring van [naam1] (hierna: [naam1] ), ook koerier bij SCS, die volgens SCS bij het gesprek aanwezig was. [verzoeker] heeft het plaatsvinden en de inhoud van dit gesprek, gelet op de steeds wisselende standpunten die hij heeft ingenomen, onvoldoende gemotiveerd betwist. Zo heeft hij in de ingetrokken procedure over de vernietiging van het ontslag op staande voet weliswaar betoogd dat in het gesprek op 21 september 2019 niet over een ontslag is gesproken maar alleen over een week vrij om bij te komen van zijn lange werkdagen en/of dat hij het busje moest inleveren in verband met een Apk-keuring (zie randnummers 13 en 18 van productie 1 bij productie 2 van het verweerschrift in hoger beroep (dat betreft het verzoekschrift tot vernietiging van het ontslag op staande voet)). Maar in de schriftelijke stukken in deze ontbindingsprocedure heeft [verzoeker] tot uitgangspunt genomen dat SCS inderdaad geprobeerd heeft hem op 21 september 2019 op staande voet te ontslaan (zie o.a. randnummer 4 van het hoger beroepschrift en randnummer 8 van productie 2 bij het hoger beroepschrift (dat betreft het verweerschrift in eerste aanleg)). Ter zitting heeft [verzoeker] aangegeven dat er op 21 september 2019 helemaal geen gesprek heeft plaatsgevonden en voor het eerst – zonder nadere feitelijke onderbouwing – bepleit dat de verklaring van [naam1] over het gesprek vals is. De standpunten die [verzoeker] heeft ingenomen zijn inconsistent en innerlijk tegenstrijdig, waardoor de geloofwaardigheid aan zijn betwisting van de door SCS gestelde gang van zaken op 21 september 2019 ontvalt. Daarbij komt dat [geïntimeerde2] direct heeft gereageerd op de ziekmelding van [verzoeker] onder verwijzing naar het eerder die dag gegeven ontslag op staande voet. Het hof acht het moeilijk voorstelbaar dat [geïntimeerde2] ’s nachts binnen tien minuten uit het niets een ontslag op staande voet opbrengt en daarin concreet verwijst naar het melden van een fraude incident bij Post NL. Daarnaast heeft [verzoeker] ook niet op deze e-mail van [geïntimeerde2] gereageerd. Als het ontslag op staande voet voor hem uit de lucht was komen vallen, had dat wel voor de hand gelegen. Deze omstandigheden maken dat het hof SCS volgt in het door haar gestelde tijdpad.

3.9.

Daar komt nog bij dat uit de stukken blijkt dat de persoonlijke relatie tot het voorval goed was. Zo heeft SCS zich bijvoorbeeld bereid getoond [verzoeker] , die afkomstig is uit een oorlogsgebied en daarom soms met problemen te kampen heeft, financieel te helpen. Naar het oordeel van het hof vindt de verstoring van de arbeidsverhouding haar oorsprong dan ook niet in de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] maar in de ontstane vertrouwensbreuk. Dit betekent dat het opzegverbod bij ziekte niet aan een eventuele ontbinding in de weg staat. Daarmee komt het hof toe aan de inhoudelijke beoordeling van de door SCS aangevoerde ontbindingsgrond.

b) Terechte beëindiging van de arbeidsovereenkomst op basis van de g-grond?

3.10.

Beëindiging op de g-grond vereist dat de arbeidsverhouding tussen partijen zodanig ernstig en duurzaam verstoord is geraakt dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarbij speelt de verwijtbaarheid van het verstoord zijn van de arbeidsverhouding in beginsel geen rol bij de beoordeling van het ontbindingsverzoek op deze grond. Dat kan anders zijn als de werkgever doelbewust een verstoring van de arbeidsverhouding heeft gecreëerd. Volgens [verzoeker] is daar in dit geval sprake van geweest, en hij heeft dat onderbouwd door te wijzen op de volgende gedragingen van SCS: i) het onterechte ontslag wegens dringende redenen, ii) het niet volledig en niet tijdig betalen van het salaris, iii) het weigeren mee te werken aan re-integratie tijdens arbeidsongeschiktheid, iv) het weigeren van toestemming bij vakantieaanvragen en v) tot slot het bewust en opzettelijk misleiden van de rechtbank door cruciale informatie omtrent de aard van het dienstverband te verstrekken. Volgens het hof zijn de omstandigheden onder i) tot en met iv) niet komen vast te staan. Van gedraging v) kan niet gezegd worden dat SCS hiermee doelbewust een verstoorde arbeidsverhouding heeft veroorzaakt, omdat de verhouding op het moment van die gedraging al ernstig en duurzaam was verstoord. Daartoe overweegt het hof als volgt.

3.11.

In november 2019 is in overleg tussen partijen besloten dat SCS het ontslag op staande voet intrekt en dat partijen gaan proberen tot herstel van de verhoudingen te komen. Daarmee is in het midden gebleven of het ontslag op staande voet al dan niet terecht was. Na intrekking van het ontslag op staande voet, heeft SCS actief pogingen ondernomen in contact te komen met [verzoeker] . Op 8 november 2019 heeft er een gesprek plaatsgevonden, waarin [verzoeker] heeft aangegeven niet meer ziek te zijn en tot werkhervatting over te willen gaan. Vervolgens hebben er op 12 en 18 november 2019 gesprekken plaatsgevonden, maar deze zijn niet positief verlopen. Dat de lucht tussen partijen niet is geklaard en de verhouding eind november 2019 nog steeds is verstoord, volgt uit de bevindingen van de bedrijfsarts naar aanleiding van het eerste consult op 28 november 2019. SCS heeft deze bedrijfsarts direct na intrekking van het ontslag op staande voet ingeschakeld. Daarmee kan niet gezegd worden dat SCS onvoldoende voortvarend te werk is gegaan bij het inschakelen van een bedrijfsarts. Dat zij de bedrijfsarts pas heeft ingeschakeld na intrekking van het ontslag op staande voet, valt te begrijpen gelet op het gegeven dat het ontslag op staande voet tot dat moment nog stond en SCS er daarmee vanuit ging dat zij geen verdere re-integratieverplichtingen richting [verzoeker] had.

3.12.

In het kader van het in november 2019 opgestarte re-integratietraject is vervolgens een plan van aanpak opgesteld. De uitvoering daarvan heeft tot verdere problemen in de relatie tussen partijen geleid. Zo heeft SCS [verzoeker] verweten dat hij in december 2019 meerdere malen afspraken met de casemanager heeft afgezegd. [verzoeker] op zijn beurt is de mening toegedaan dat hem in januari 2020 ten onrechte is gevraagd aangepaste werkzaamheden te verrichten en dat deze werkzaamheden niet passend waren. Dat SCS heeft geweigerd mee te werken aan de re-integratie van [verzoeker] is daarmee evenmin komen vast te staan.

3.13.

Vervolgens blijkt uit de stukken dat er in februari 2019 een discussie heeft gespeeld over een vakantieaanvraag van [verzoeker] . [verzoeker] is daar een procedure over gestart die hij heeft ingetrokken toen vanuit SCS alsnog akkoord kwam op de aanvraag. Maar wat er precies is gebeurd en op welke manier SCS hierin kwalijk heeft gehandeld, heeft [verzoeker] niet nader feitelijk onderbouwd. Datzelfde geldt voor het verwijt dat [verzoeker] SCS maakt over niet tijdige en/of volledige betaling van zijn salaris. Het dossier bevat meerdere e-mails van [verzoeker] in de periode maart tot en met mei 2020 waarin hij SCS er – in stevige bewoordingen – op wijst dat zij zijn salaris niet tijdig betaalt en aangeeft dat voor hem niet duidelijk is waarom er bepaalde bedragen op zijn salaris worden ingehouden. Maar hij heeft geen berekeningen, loonstroken en/of rekeningoverzichten overgelegd die zijn standpunt ondersteunen. SCS heeft deze verwijten gemotiveerd weersproken, zodat dit wel op zijn weg had gelegen. Op basis van alleen deze e-mails kan in ieder geval niet als vaststaand worden aangenomen dat SCS het salaris van [verzoeker] niet tijdig en/of niet volledig heeft betaald. Dat neemt niet weg dat het niet de schoonheidsprijs verdient als een werkgever niet reageert op dergelijke verzoeken van een werknemer om opheldering. SCS heeft [verzoeker] in dit opzicht op haar beurt verweten dat hij aan collega’s heeft verteld dat SCS hem ten onrechte op staande voet heeft ontslagen en zijn salaris niet tijdig en/of volledig betaalt.

3.14.

Hieruit volgt dat de gedragingen – genoemd in r.o. 3.10 onder i) tot en met iv) – die [verzoeker] SCS heeft verweten, niet zijn komen vast te staan. Maar duidelijk is wel dat in de periode van november 2019 tot en met mei 2020 sprake is geweest van acties en reacties over en weer waardoor de arbeidsverhouding zich steeds verder in een neerwaartse spiraal heeft ontwikkeld en deze in ieder geval eind mei 2020 ernstig en duurzaam verstoord was. Die verstoring is veroorzaakt door gedragingen van beide partijen en daar kan hen beiden een verwijt van worden gemaakt. Dat de verstoorde arbeidsverhouding door SCS zou zijn gecreëerd met het uitsluitende doel om een ontbinding van de arbeidsovereenkomst te forceren, acht het hof gelet op wat hij hierboven onder a) en b) heeft overwogen, daarmee niet aannemelijk gemaakt. Het hof is het wel met [verzoeker] eens dat SCS kwalijk heeft gehandeld door ten onrechte het standpunt in te nemen dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (omstandigheid v) in r.o. 3.10). Maar dat maakt het hiervoor gegeven oordeel van het hof niet anders. Toen SCS in juli 2020 overging tot opzegging van de arbeidsovereenkomst was er namelijk al sprake van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie.

3.15.

De conclusie is dan ook dat de kantonrechter tot het oordeel heeft kunnen komen dat sprake is van een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst, te weten een zodanig verstoorde arbeidsverhouding, dat niet van SCS kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

c) Herplaatsing

3.16.

Het hof overweegt dat de arbeidsverhouding tussen partijen inmiddels gekenmerkt wordt door een zodanig diepgeworteld gebrek aan vertrouwen in elkaar dat herplaatsing niet in de rede ligt. Gelet op de wijze waarop partijen met elkaar corresponderen en zich ook ter zitting richting elkaar hebben opgesteld, lijkt herplaatsing – mede gelet op de zeer beperkte omvang van de onderneming van SCS – geen serieuze kans van slagen te hebben. Daarbij komt dat er volgens het arbeidsdeskundig rapport van augustus 2020 ook geen structurele mogelijkheden binnen SCS zijn voor ander passend werk. Met het oog daarop had het op de weg van [verzoeker] gelegen nader te concretiseren welke feitelijke mogelijkheden voor herplaatsing er binnen SCS volgens hem dan toch bestonden, maar dat heeft hij niet gedaan.

3.17.

De conclusie is dat het verzoek van SCS om de arbeidsovereenkomst te ontbinden in eerste aanleg terecht is toegewezen. Dat betekent dat er geen grondslag is om de arbeidsovereenkomst te herstellen of een billijke vergoeding toe te kennen op grond van artikel 7:683 lid 3 BW.

Billijke vergoeding op grond van artikel 7:671b lid 9 aanhef en onder c BW

3.18.

Voor zover het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding geacht moet worden te zien op de door de kantonrechter afgewezen billijke vergoeding op grond van artikel 7:671b lid 9 aanhef en onder c BW, geldt het volgende.

3.19.

Op grond van dit wetsartikel kan de rechter een billijke vergoeding toekennen als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich alleen zal voordoen in uitzonderlijke gevallen. Als, zoals in deze zaak, de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op grond van verstoorde arbeidsverhoudingen, is daarvoor nodig dat de werkgever de verstoorde arbeidsverhouding heeft veroorzaakt door zich laakbaar te gedragen of door op een stuitende manier de verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst niet na te komen. Daar is hier geen sprake van, gelet op het volgende.

3.20.

[verzoeker] heeft zijn standpunt over dit onderwerp (ernstig verwijtbaar handelen door SCS) slechts zeer summier onderbouwd. Bovendien vloeit al voort uit dat wat het hof hiervoor heeft overwogen over de verstoorde arbeidsverhouding, dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet is veroorzaakt door ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van SCS. SCS heeft de arbeidsverhouding niet doelbewust verstoord. De gedragingen van SCS in de periode van september 2019 tot en met mei 2020 die [verzoeker] aan de ernstige verwijtbaarheid ten grondslag heeft gelegd, zijn niet komen vast te staan. Dat wel duidelijk is dat de opstelling van SCS, naast die van [verzoeker] , heeft bijgedragen aan een steeds dieper en fundamenteler geworteld wantrouwen over en weer, is niet genoeg om ernstig verwijtbaar handelen aan de kant van SCS aan te kunnen nemen. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig en daarvan is in dit geval niet gebleken. Zelfs al zou de aanzegging door SCS, gebaseerd op het onjuiste uitgangspunt dat sprake was van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, wel als ernstig verwijtbaar aan te merken zijn, dan geldt dat dit geen aanleiding kan geven tot het toekennen van een billijke vergoeding. Zoals eerder overwogen was de arbeidsverhouding namelijk al ernstig en duurzaam verstoord toen SCS in juli 2020 de aanzegging deed. Daarmee kan er geen direct verband worden aangenomen tussen deze gedraging en het einde van het dienstverband. Het hof zal daarom ook het verzoek tot toekenning van de billijke vergoeding als bedoeld in art. 7:671b lid 9 aanhef onder c BW afwijzen.

Slotsom

3.21.

De grieven falen. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen en het verzoek van [verzoeker] in hoger beroep om de arbeidsovereenkomst te herstellen dan wel om aan hem een billijke vergoeding toe te kennen, afwijzen.

Proceskosten

3.22.

Omdat [verzoeker] in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof hem in de proceskosten in hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van SCS zullen tot aan deze beschikking worden vastgesteld op € 772 voor griffierecht en op

€ 2.228 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten, tarief II in hoger beroep).

3.23.

Het hof ziet geen aanleiding om [verzoeker] alsnog te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg zoals SCS (ongemotiveerd) heeft verzocht.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de bestreden beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort, van 12 maart 2021;

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van dit hoger beroep, tot aan deze beschikking aan de zijde van SCS vastgesteld op € 772 voor griffierecht en op € 2.228 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart deze beschikking, voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. D.W.J.M. Kemperink, M.P.C.J. van Bavel en K. Mans en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 november 2021.