Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:10169

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-10-2021
Datum publicatie
15-11-2021
Zaaknummer
200.297.070/01 en 200.299.601/01 en 200.299.601/02 en 200.300.962/01 en 200.300.962/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Door strijd tussen de moeder en de hulpverlening, wantrouwen en conflicten, dreigt het belang van het kind uit het oog te worden verloren. Het hof bepaalt dat het kind onder strikte voorwaarden voorlopig naar huis gaat en houdt het verzoek machtiging uithuisplaatsing voor beperkte tijd aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2022/19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.297.070/01, 200.299.601/01, 200.299.601/02, 200.300.962/01 en 200.300.962/02 (zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 178488, 179732 en 180470)

beschikking van 28 oktober 2021

in de zaken

200.297.070/01

[verzoekster] (de moeder),

wonende op een geheim te houden adres,

verzoekster in hoger beroep,

advocaat: mr. M.A. de Weerd te Den Haag,

en

de raad voor de kinderbescherming (de raad),

gevestigd te Leeuwarden,

verweerder in hoger beroep.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling

Regiecentrum Bescherming en Veiligheid (de GI),

gevestigd te Leeuwarden.

200.299.601/01, 200.299.601/02, 200.300.962/01 en 200.300.962/02

[verzoekster] (de moeder),

wonende op een geheim te houden adres,

verzoekster in hoger beroep,

advocaat: mr. M.A. de Weerd te Den Haag,

en

de gecertificeerde instelling

Regiecentrum Bescherming en Veiligheid (de GI),

gevestigd te Leeuwarden.

In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:

de raad voor de kinderbescherming (de raad),

regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.

1 Waar gaat het over

200.297.070/01

1.1

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden heeft op 1 juni 2021 de minderjarige dochter van de moeder, [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ) geboren [in] 2009 onder toezicht gesteld

200.299.601/01 en 200.299.601/02

1.2

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden heeft op 10 augustus 2021 een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een residentiële voorziening afgegeven.

200.300.962/01 en 200.300.962/02

1.3

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden heeft op 8 oktober 2021 de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] (d.d.17 september 2021) in een voorziening voor pleegzorg verlengd.

In alle zaaknummers

1.4

De moeder is het met alle drie beslissingen van de rechtbank niet eens en is daarvan in hoger beroep gekomen. Zij heeft ook gevraagd om schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad die de rechtbank bij de machtigingen tot uithuisplaatsing heeft bepaald.

2 Hoe is de procedure verlopen

Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:

200.297.070/01

2.1

- het verzoekschrift van de moeder in hoger beroep met bijlage(n) (ontvangen op 8 juli 2021);

- een brief van de raad van 20 augustus 2021;

- een brief van de raad van 14 september 2021.

200.299.601/01 en 200.299.601/02

- het verzoekschrift van de moeder in hoger beroep met bijlage(n) (ontvangen op 3 september 2021);

- een brief van de GI van 8 oktober 2021 met bijlage(n);

- een brief van de GI van 12 oktober 2021 met bijlage(n);

- een brief namens de moeder van 13 oktober 2021 met bijlage(n).

200.300.962/01 en 200.300.962/02

- het verzoekschrift van de moeder in hoger beroep met bijlage(n) (ontvangen op 13 oktober 2021.

- een mail namens de moeder van 20 oktober 2021 met bijlage(n).

In alle zaaknummers

- een brief van de GI van 8 oktober 2021 met bijlage(n);

- een brief van de GI van 12 oktober 2021 met bijlage(n);

- een brief van de GI van 19 oktober 2021 met bijlage(n);

- een mail van de moeder van 19 oktober 2021 met bijlage(n).

2.5

Op 21 oktober 2021 is [de minderjarige] verschenen, die buiten aanwezigheid van de overige belanghebbenden door een raadsheer van het hof is gehoord.

2.6

Op 21 oktober 2021 heeft het hof de verzoeken van de moeder op een zitting behandeld. Aanwezig bij de zitting waren de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mevrouw [naam1] en mevrouw [naam2] namens de raad en mevrouw [naam3] en mr. [naam4] namens de GI. Ter zitting hebben zowel mr. De Weerd als mr. [naam4] mede het woord gevoerd aan de hand van een overgelegde pleitnota.

3 De feiten

3.1

De moeder heeft, naast twee meerderjarige zoons, een nog minderjarige dochter;

[de minderjarige] , over wie zij alleen het ouderlijk gezag uitoefent.

3.2

Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking van 1 juni 2021 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 1 juni 2021 tot 1 december 2021.

3.3

Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking van 10 augustus 2021 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verleend van [de minderjarige] in een residentiele voorziening met ingang van 10 augustus 2021 tot uiterlijk 1 december 2021.

Deze machtiging kon niet ten uitvoer worden gelegd, omdat [de minderjarige] onvindbaar was.

3.4

Op 17 september 2021 is [de minderjarige] door de politie gevonden en is toen met een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing (die is verleend met ingang van 17 september 2021 voor de duur van vier weken) in een crisispleeggezin geplaatst, waar zij sindsdien verblijft.

3.5

Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking van 8 oktober 2021 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening tot pleegzorg verlengd tot uiterlijk 1 december 2021.

4 Wat wordt er verzocht

200.297.070/01

4.1

De moeder verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad om een ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van zes maanden af te wijzen.

4.2

De raad verzoekt het hof het verzoek van de moeder af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

200.299.601/01 en 200.299.601/02

4.3

De moeder verzoekt het hof om de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de bestreden beschikking te schorsen, de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI in eerste aanleg alsnog af te wijzen.

4.4

De GI verzoekt het hof het verzoek van de moeder af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen. De raad adviseert het hof de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

200.300.962/01 en 200.300.962/02

4.5

De moeder verzoekt het hof om de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de bestreden beschikking te schorsen, de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI in eerste aanleg alsnog af te wijzen.

4.6

De GI verzoekt het hof het verzoek van de moeder af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen. De raad adviseert het hof de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

5 Wat vindt [de minderjarige]

vindt dat er onnodig zorgen over haar zijn. Zij had het heel erg fijn bij de moeder thuis en is erg gehecht aan de moeder, haar broers en verdere familieleden. Zij begreep waarom zij niet naar school heeft kunnen gaan en vond dat wel goed. Zij heeft thuis geleerd uit leerboeken over rekenen en taal en heeft ook andere onderwerpen die haar interesse hadden bestudeerd. Ze vond de uithuisplaatsing heel naar en is vaak verdrietig en soms ook in paniek omdat ze niet thuis woont. Het allerliefst wil zij weer bij haar moeder wonen. Ze heeft het wel goed in het pleeggezin, dat zijn lieve mensen die haar goed opvangen. Ze wil ook naar school wanneer ze weer bij haar moeder woont, dat was ook al de bedoeling.

6 De motivering van de beslissing

De verzoeken tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad (200.299.601/02 en 200.300.962/02)

200.299.601/02

De moeder is niet-ontvankelijk in dit schorsingsverzoek omdat deze machtiging tot uithuisplaatsing is vervallen als gevolg van een latere, andere machtiging uithuisplaatsing. De moeder heeft dus geen belang meer bij dit schorsingsverzoek.

200.300.962/02

Het hof zal dit verzoek hieronder tegelijk met de bespreking van de hoofdzaak behandelen.

De ondertoezichtstelling (200.297.070/01)

6.3

Volgens het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

6.4

Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen en neemt de beslissing van de rechtbank en de overwegingen hiervan hier over. Het hof voegt hier het volgende aan toe. Voorop gesteld wordt door het hof dat de anonieme meldingen waarover in het rapport van de raad wordt gesproken door het hof niet worden betrokken in de beslissing (de rechtbank heeft dit evenmin gedaan) nu deze niet zijn komen vast te staan. De moeder heeft ook een verklaring gegeven over deze meldingen en de motieven van de anonieme melder, die mede maken dat het hof geen acht zal slaan op deze meldingen.

Anders dan de moeder vindt het hof het jarenlang niet naar school gaan van [de minderjarige] terwijl over haar leerprestaties al die tijd verder niets verifieerbaar is en er geen zicht is op de ontwikkelingssituatie van [de minderjarige] wel een zodanig zorgelijke situatie dat er sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige] . Er was geen zicht op haar cognitieve ontwikkeling en ook niet op haar sociaal-emotionele ontwikkeling. Omgang en contact met klasgenoten en in schoolverband is van belang voor de ontwikkeling en ontplooiing van kinderen. Dat heeft [de minderjarige] moeten missen en daar heeft het hof zorgen over.

[de minderjarige] heeft als ieder kind recht op onderwijs (artikel 28 Verdrag inzake de rechten van het kind). Voor de overheid levert dit ook een plicht op om dit recht voor alle kinderen te waarborgen. Er is een leerplicht die mede inhoudt dat ouders verplicht zijn hun kinderen naar school te laten gaan. Wanneer dit niet mogelijk is en alleen thuisonderwijs een optie is, kan dit in uitzonderlijke omstandigheden worden toegestaan. Er moet dan een ontheffing van de leerplicht worden gevraagd. Op deze wijze kan zicht blijven op de ontwikkeling van kinderen die thuisonderwijs krijgen. De moeder heeft deze ontheffing niet gevraagd en er was geen enkel zicht op (het thuisonderwijs van) [de minderjarige] .

De moeder heeft aangegeven dat zij lang onder de radar heeft geleefd uit angst voor ernstige bedreigingen (met de dood) door de vader van [de minderjarige] . Het hof wil van de moeder aannemen dat dit de achtergrond is geweest van het niet naar school gaan van [de minderjarige] , maar dat verklaart en rechtvaardigt niet dat de moeder geen ontheffing van de leerplicht heeft gevraagd en geen medewerking wilde verlenen en inzicht geven in de thuissituatie van [de minderjarige] toen Veilig Thuis en de raad onderzoeken deden naar de opvoedingssituatie.

De moeder heeft voor het niet willen meewerken aan onderzoek als verklaring gegeven dat zij slachtoffer is van de toeslagenaffaire en daardoor geen vertrouwen meer heeft in overheidsinstanties. Het is voorstelbaar dat dat een rol heeft gespeeld, maar de zorgen en ontwikkelingsbedreiging voor [de minderjarige] worden daar niet anders van. Met de rechtbank vindt het hof daarom een ondertoezichtstelling noodzakelijk waarbij binnen deze ondertoezichtstelling in ieder geval gewerkt moet worden aan het zicht krijgen op de ontwikkelingssituatie van [de minderjarige] en het opstarten van de schoolgang van [de minderjarige] .

De machtiging tot uithuisplaatsing (200.299.601/01)

6.5

Volgens artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

6.6

De bestreden machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een residentiele voorziening is verleend van 10 augustus 2021 tot uiterlijk 1 december 2021. Hoewel deze machtiging is vervallen doordat er een andere machtiging van latere datum is afgegeven, heeft de moeder een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de machtiging in hoger beroep te laten toetsen.

6.7

Het hof is van oordeel dat deze machtiging terecht en op goede gronden is verleend. Het hof verwijst voor de reden van ondertoezichtstelling naar wat hiervoor onder de gronden voor de ondertoezichtstelling is opgenomen (rechtsoverweging 6.4). Bij de uitvoering van deze ondertoezichtstelling kon de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet worden weggenomen omdat de moeder niet wilde meewerken aan die ondertoezichtstelling. Het lukte de GI op geen enkele wijze om zicht te krijgen op de veiligheid en het welzijn van [de minderjarige] . Om alsnog zicht te krijgen op de ontwikkelingssituatie van [de minderjarige] was daarom de machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk.

De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing (200.300.962/01)

6.8.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

6.9

[de minderjarige] verblijft nu ongeveer een maand in het pleeggezin. Op dit moment is er nog geen diagnostiek geweest waaruit de ontwikkelingssituatie van [de minderjarige] blijkt. Zij is daarvoor wel aangemeld. Het hof stelt vast, zoals op de zitting besproken, dat er de afgelopen periode veel is gebeurd voorafgaand aan en na de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] waarbij er zoveel strijd, wantrouwen en conflicten (en klachtprocedures) spelen dat het belang van [de minderjarige] uit het oog verloren dreigt te raken. Het hof maakt zich hierover zorgen. De ontstane situatie geeft bij alle partijen veel onrust en stress. Dit gaat ten koste van de tijd en energie die gestoken zou moeten worden in het uiteindelijke doel van de kinderbeschermingsmaatregelen: zorgen dat het goed met [de minderjarige] gaat en dat zij zich in een veilige omgeving goed kan ontwikkelen. De samenwerking tussen de moeder en de GI komt niet tot stand en het contact lijkt zelfs steeds verder te escaleren. De GI heeft al wel op verzoek van de moeder een andere gezinsvoogd voorgesteld, maar de moeder lijkt ook deze gezinsvoogd niet te willen accepteren. Het hof heeft grote zorgen over de lange termijn. Gaat het lukken om in de situatie van uithuisplaatsing op voortvarende wijze stappen te zetten in de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Stappen die in het belang van [de minderjarige] moeten zijn.

6.10

Het hof heeft geen aanwijzingen gekregen, ook niet vanuit pleegzorg of de gezinsvoogd na ruim een maand verblijf in het pleeggezin, dat bij [de minderjarige] sprake is van zorgelijke kindsignalen. [de minderjarige] zelf geeft aan dat de uithuisplaatsing voor haar erg zwaar is en dat zij haar gezin en familie erg mist.

Het hof vindt het nodig dat op korte termijn in beeld gebracht wordt hoe de ontwikkelingssituatie van [de minderjarige] is en dat [de minderjarige] zo snel mogelijk naar school gaat. De moeder heeft aangegeven dat zij bereid is hieraan mee te werken Voor de vraag of dit gaat lukken vanuit de situatie dat [de minderjarige] bij de moeder woont, acht het hof zich op dit moment onvoldoende voorgelicht om een eindbeslissing te geven. Daarom zal het hof de beslissing over de machtiging uithuisplaatsing aanhouden in afwachting van de hieronder opgenomen nadere informatie.

In afwachting van deze beslissing vindt het hof dat [de minderjarige] nu eerst terug naar huis moet. Het hof hoopt dat dit de-escalerend zal werken op de hiervoor genoemde zorgen die het hof heeft; onder andere over het ontbreken van samenwerking en de gevolgen daarvan voor [de minderjarige] . Van de moeder en van de GI verwacht het hof hierin de nodige stappen/inspanningen zoals genoemd in 6.11. Het hof verzoekt partijen om het hof uiterlijk op 19 november 2021 te berichten over het verloop hiervan. Dit geeft partijen weinig tijd, maar naar het oordeel van het hof vergt de samenwerking en de focus op het belang van [de minderjarige] geen verder uitstel. Het hof zal de beslissing dus aanhouden in afwachting van de nadere berichten en een nieuwe zitting bepalen op …. november 2021.

Welke stappen/inspanningen verwacht het hof van de GI en/of de moeder

6.11

- meer de focus op [de minderjarige] en haar belang en minder op de eigen belangen/emoties;

- openstaan voor een nieuwe start en samenwerking;

- accepteren van de moeder van de nieuwe gezinsvoogd mw. [naam3] ;

- een respectvolle en invoelende wijze van communiceren in woord en geschrift hanteren;

- afspraken maken en nakomen, zonder voorwaarden vooraf;

- ruimte geven aan de moeder voor het toelaten van een vertrouwenspersoon bij afspraken met GI of andere professionals;

- regelen en meewerken aan ambulante diagnostiek van [de minderjarige] ;

- regelen en meewerken aan de schoolgang van [de minderjarige] waarbij de adviezen van [naam5] leidend zijn;

- regelen van netwerkgesprekken met familie genoemd in het door moeder ingebrachte familiegroepsplan om te bekijken of zij -in het belang van [de minderjarige] - betrokken kunnen worden bij de hulpverlening aan [de minderjarige] en eventueel een vangnet voor [de minderjarige] kunnen zijn.

De schorsing 200.300.962/02

6.12

De overweging van het hof dat [de minderjarige] nu terug moet naar de moeder maakt dat het hof het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal toewijzen. Dit betekent dat zolang het hof niet een eindbeslissing heeft genomen over de machtiging tot uithuisplaatsing de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 8 oktober 2021 niet kan worden tenuitvoergelegd en [de minderjarige] met ingang van heden terug bij de moeder moet worden geplaatst.

Uitleg aan [de minderjarige] van de beslissing

6.13

Het hof geeft in een aparte brief aan [de minderjarige] uitleg van deze beslissing in kindvriendelijke taal. Deze brief stuurt het hof naar [de minderjarige] en zit ook als bijlage aan deze beschikking.

7 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof beslissen als na te melden.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

200.297.070/01

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 1 juni 2021;

wijst af het meer of anders verzochte;

200.299.601/02

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar schorsingsverzoek.

200.299.601/01

wijst af het verzoek in hoger beroep;

200.300.962/01

houdt de beslissing aan in afwachting van de hiervoor onder 6.10 en 6.11 genoemde informatie en bepaalt, tenzij alle partijen het hof laten weten dat een nadere zitting niet nodig is en de zaak schriftelijk afgedaan kan worden, een nadere zitting op 29 november 2021 om 10.00 uur, in het gebouw van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, te Zaailand 102, 8911 BN Leeuwarden, waarvoor partijen zonder nadere oproeping dienen te verschijnen.

200.300.962/02

schorst de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 8 oktober 2021;

bepaalt dat [de minderjarige] met ingang van heden bij haar moeder wordt teruggeplaatst;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, G.M. van der Meer en B.J. Voerman, bijgestaan door mr. L.N. Tabak als griffier, en is op 28 oktober 2021 uitgesproken in het openbaar in aanwezigheid van de griffier.

Beste [de minderjarige] ,

Vorige week heb je met één van de rechters van het hof een gesprek gehad over de rechtszaak die gaat over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van jou. Jij hebt toen als jouw mening verteld dat niemand zich zorgen over jou hoeft te maken en dat jij graag weer naar huis wilt. Wij hebben nu een beslissing hierover genomen en deze op papier gezet. Omdat deze beslissing in grote mensentaal is geschreven krijg jij ook deze brief waarin we uitleggen wat onze beslissing is.

Eerst de beslissing, dan legt het hof daarna uit waarom die beslissing is genomen.

Het hof laat de ondertoezichtstelling doorlopen maar jij kunt nu terug naar huis. Het hof wil wel dat je naar school gaat en dat er een onderzoek komt naar hoe het met jou gaat.

Dan de uitleg:

We hebben besloten niet iets te veranderen aan de ondertoezichtstelling die door de rechtbank is uitgesproken. Dus die blijft en de gezinsvoogd blijft haar werk doen. We vinden het net als de rechtbank wel een grote zorg dat je zolang niet naar school bent gegaan en dat ook niet uitgezocht kon worden wat je hebt geleerd in die tijd en hoe het verder met jou is. Kinderen hebben er recht op dat ze naar school gaan. Dit staat ook in het Kinderrechtenverdrag wat in alle landen in Europa geldt. Dat recht hebben ze omdat het belangrijk is voor de ontwikkeling van kinderen dat ze onderwijs krijgen op een school. Dit om allerlei dingen te leren zoals taal en rekenen maar ook om te leren met andere kinderen om te gaan. Zodat ze wanneer ze ouder worden goed overeind kunnen blijven in de maatschappij. Soms lukt het niet voor kinderen om naar school te gaan. Er kunnen verschillende redenen hiervoor zijn. Dan kan met een leerplichtambtenaar iets geregeld worden over thuisonderwijs. Dat moet het liefst niet lang duren en het is belangrijk dat het duidelijk is hoe dat thuisonderwijs dan gaat en of je wel genoeg leert zo. Dat is bij jou niet gebeurd. Jouw moeder heeft aan het hof uitgelegd waarom zij jou niet naar school durfde te laten gaan. Wat wel had moeten gebeuren was dat een leerplichtambtenaar daarvan had geweten en toestemming had gegeven en dat hij kon bekijken of dat thuisonderwijs wel voldoende voor jou was. Voor jouw thuisonderwijs is geen overleg geweest en toen jouw moeder werd gevraagd hoe het met jou ging thuis en hoe het met jouw leerprestaties was wilde jouw moeder dat niet vertellen. Toen had ook de raad voor de kinderbescherming geen idee hoe het nu eigenlijk met jou ging en maakten ze zich wel heel veel zorgen over jou. Voor het niet willen praten met de mensen van de kinderbescherming had jouw moeder wel een reden namelijk dat ze nare dingen had meegemaakt en vervelende ervaringen had met mensen die voor de overheid werken. Dat begrijpt het hof echt, alleen wat de reden voor jou moeder ook was, het ging nu om jou en de zorg die er voor jou was over dat naar school gaan en hoe het met jouw ontwikkeling was. Jij en jouw moeder hebben verteld dat het de bedoeling is dat je nu wel naar school gaat en dat jullie ook al bezig waren met een school zoeken in [plaats] . Dat is een mooie stap en het hof vindt het belangrijk dat de gezinsvoogd in de gaten houdt dat dit allemaal goed gaat.

De uithuisplaatsing is voor jou een heel naar gebeuren geweest. Dat heb je ook verteld aan de rechter. En je bent vaak verdrietig en mist jouw moeder en broers en familie. Het liefst ga je weer naar huis. Omdat er een ondertoezichtstelling over jou was, was de gezinsvoogd verplicht om te bekijken hoe het met jou ging en zij moest iets doen aan de zorgen over jou. Dat heeft de gezinsvoogd geprobeerd maar het lukt niet en kon alleen nog door jou naar een plek te brengen waar zicht op jou was en onderzoek gedaan kon worden naar jou.

Inmiddels ben je nu een maand in een pleeggezin en het hof heeft geen redenen en ook niet van of via het pleeggezin iets gehoord om te denken dat je nu beslist niet naar huis kunt. Je zult naar school gaan en dat zal al een groot deel van de zorgen over jou wegnemen. Verder gaat er een onderzoek komen naar jou. Dat vindt het hof wel belangrijk om te kunnen bekijken hoe het na het zo lang niet naar school gaan nu met jou is en of het nodig is om voor jou de komende tijd extra hulp of les te krijgen. Maar het hof vindt dat dit onderzoek ook kan terwijl je thuis woont. Jouw moeder heeft verteld dat ze hieraan mee zal werken.

Het hof vindt het lastig en jammer dat het de afgelopen tijd tussen jouw moeder en de raad voor de kinderbescherming en de gezinsvoogd niet goed liep. Hopelijk gaat dat de komende tijd beter als iedereen daarvoor zijn best doet. Jij kunt daar allemaal niets aan doen maar hebt daar wel last van.

Het hof wil wel in de gaten houden dat wanneer jij weer thuis woont de dingen gebeuren die voor jou belangrijk zijn, het naar school gaan, het onderzoek en dat je moeder en de gezinsvoogd gaan samenwerken. Daarom zal het hof over een tijdje nog eens bekijken hoe het gaat en dan de echte beslissing nemen. Het hof heeft jouw moeder en de gezinsvoogd gevraagd het hof over een aantal dingen de nieuwste informatie te geven. Intussen ga jij weer naar huis. Het hof hoopt dat er voor jou rust komt en dat je een fijne plek op school krijgt waar je met plezier naar toe zult gaan.

Leeuwarden, 28 november 2021