Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:10009

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-10-2021
Datum publicatie
05-11-2021
Zaaknummer
20/00341
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:6137, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Vermindering (afschrijving).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 5-11-2021
FutD 2021-3428
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 20/00341

uitspraakdatum: 26 oktober 2021

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 december 2019, nummer AWB 19/174, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM), aanslagnummer [nummer1] , opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar van de Inspecteur vernietigd, en de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente verminderd.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft via beeldbellen plaatsgevonden op 29 september 2021. Bij deze zitting waren aanwezig, de gemachtigde van belanghebbende mr. [naam1] en [naam2] , en namens de Inspecteur mr. [naam3] en mr. [naam4] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 6 juni 2017 aangifte BPM gedaan voor een Ford Transit Custom 300 (hierna: de auto) met als datum eerste toelating 18 augustus 2015. Tenaamstelling in het kentekenregister heeft plaatsgevonden op 22 juni 2017. De verschuldigde BPM heeft belanghebbende aan de hand van een taxatierapport van [naam5] van [naam6] berekend op € 4.632 en voldaan op aangifte. Het taxatierapport vermeldt een waarde van de auto van € 13.168. De waarde in onbeschadigde staat is op basis van een koerslijst van Eurotaxglass’s bepaald op € 21.531. Hierop heeft de taxateur een waardevermindering vanwege schade toegepast van € 8.363. Blijkens de overgelegde Zulassungsbescheinigung Teil I betreft het een ex-huurauto.

2.2.

De Inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd de auto op 9 juni 2017 bij de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ) te tonen. DRZ heeft met dagtekening 14 juni 2017 een verslag van haar bevindingen gemaakt.

2.3.

Met dagtekening 11 juni 2018 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag BPM opgelegd van € 2.328, vermeerderd met € 41 belastingrente. De Inspecteur heeft de waarde van de auto vastgesteld op € 20.111. Dit is de waarde volgens een koerslijst van Eurotaxglass’s van € 20.816, verminderd met een correctie van € 705 wegens schade. Bij het opleggen van de naheffingsaanslag heeft de Inspecteur rekening gehouden met een extra leeftijdskorting van één maand.

2.4.

De Rechtbank heeft, rekening houdend met een waardevermindering van € 1.761, alsmede een korting van 5% wegens de marktsituatie van de handelaar, de handelsinkoopwaarde van de auto vastgesteld op € 18.014. De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 1.600 en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de onderhavige naheffingsaanslag – na te zijn verminderd door de Rechtbank – tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Tussen partijen is in geschil de hoogte van de vermindering (afschrijving) als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Wet BPM ter zake van de auto.

4.2.

Belanghebbende stelt dat de handelsinkoopwaarde lager is vanwege (meer dan gebruikelijke) schade aan de auto. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. De belastingplichtige die bij het vaststellen van de vermindering van BPM uitgaat van de handelsinkoopwaarde uit een koerslijst en stelt dat die handelsinkoopwaarde moet worden verminderd vanwege – niet in deze koerslijst verwerkte – beschadigingen aan de te registreren personenauto, draagt bij betwisting dan ook de last te bewijzen dat en in hoeverre beschadigingen een waardedaling ten opzichte van de uit die koerslijst volgende waarde tot gevolg hebben.1

Korting voor markt- en dealersituatie

4.3.

In hoger beroep heeft belanghebbende gesteld dat – in aanvulling op de door de Rechtbank reeds toegekende korting van 5% wegens bijstelling dealersituatie – bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde rekening moet worden gehouden met een korting van 10% wegens bijstelling marktsituatie. Daarbij heeft belanghebbende ter zitting aangegeven dat de totaal in aanmerking te nemen korting berekend dient te worden op basis van de Eurotaxglass’s koerslijst zoals opgenomen in het taxatierapport van DRZ nu dit voor belanghebbende gunstiger is. De Inspecteur heeft ter zitting bevestigd in dit geval in te stemmen met een extra korting van 10% wegens bijstelling marktsituatie. Volgens de Inspecteur dient de totale korting echter berekend te worden over de Eurotaxglass’s koerslijst zoals opgenomen in het door belanghebbende overgelegde taxatierapport.

4.4.

Nu tussen partijen niet in geschil is dat een extra korting van 10% wegens bijstelling dealer- en marktsituatie in aanmerking moet worden genomen, zal het Hof partijen daarin volgen. Het Hof ziet daarbij geen aanleiding af te wijken van de Eurotaxglass’s koerslijst zoals opgenomen in het rapport van DRZ. Het Hof stelt de handelsinkoopwaarde aldus vast op € 17.807 (handelsinkoopwaarde volgens Eurotaxglass’s koerslijst exclusief opties € 20.058 * 0,85 vermeerderd met waarde opties € 758).

Waardermindering wegens schade

4.5.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet is geslaagd de door haar bepleitte waardevermindering wegens schade van € 8.363 aannemelijk te maken. Het Hof overweegt daartoe als volgt.

Invloed “ex-rental”

4.6.

Bij het bepalen van de schade heeft belanghebbende een bedrag van € 1.193 in aanmerking genomen wegens schade omdat de auto een “ex-rental” is. Ter onderbouwing van dit bedrag heeft belanghebbende onder meer verwezen naar X-ray koerslijsten.

4.7.

Het Hof is van oordeel dat de gestelde vermindering niet in aanmerking kan worden genomen. Belanghebbende heeft ervoor gekozen de handelsinkoopwaarde te bepalen aan de hand van een Eurotaxglass’s koerslijst, waarin de variabele “ex-rental” niet is opgenomen. Het staat belanghebbende in dat geval niet vrij om – onder verwijzing naar andere koerslijsten die een dergelijke variabele wel kennen – een vermindering wegens “ex-rental” in aanmerking te nemen.2

Overige schade

4.8.

Wat betreft de overige schade is belanghebbende er naar het oordeel van het Hof niet in geslaagd aannemelijk te maken dat een hogere waardevermindering wegens schade in aanmerking moet worden genomen dan het bedrag van € 705 waarvan de Inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag is uitgegaan. Tegenover het taxatierapport van belanghebbende heeft de Inspecteur een eigen taxatierapport op laten stellen waarin is vermeld dat – afgezien van schade aan het achterzijpaneel L – de geconstateerde schade de normale gebruiksschade niet te boven gaat. Op de foto’s in het dossier zijn weliswaar meerdere beschadigingen te zien, maar dit betreffen kleine beschadigingen die – mede gelet op de leeftijd en kilometerstand van de auto – naar het oordeel van het Hof de normale gebruiksschade niet te boven gaat. Meer dan normale gebruiksschade is ook anderszins niet aannemelijk gemaakt door belanghebbende.

4.9.

Wat betreft de schade aan het achterzijpaneel L heeft belanghebbende evenmin aannemelijk gemaakt dat een grotere waardevermindering in aanmerking dient te worden genomen dan waarvan de Inspecteur is uitgegaan. Zoals belanghebbende in haar hogerberoepschrift heeft aangegeven, zijn de herstelkosten van dit onderdeel in het taxatierapport van DRZ begroot op € 813, waarvan € 705 (87%) in aanmerking is genomen. Het door belanghebbende overgelegde taxatierapport gaat uit van een schadebedrag voor dit onderdeel van € 744, waarvan € 710 (95,44%) als waardevermindering in aanmerking zou moeten worden genomen. Nog daargelaten dat belanghebbende het door haar gestelde correctiepercentage van 95,44% niet nader heeft onderbouwd en – gelet op de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur – dus niet aannemelijk heeft gemaakt, acht het Hof dit verschil dusdanig klein dat daarvoor geen extra waardevermindering in aanmerking hoeft te worden genomen. Gelet op het voorgaande behoeft de vraag of belanghebbende voor wat betreft het uurtarief van de schadehersteller uit mocht gaan van een uurtarief van € 84 geen verdere behandeling.

4.10.

Het Hof merkt nog op dat het geen reden ziet om te twijfelen aan de deskundigheid van de taxateur van DRZ en evenmin aanleiding heeft om vanwege de werkwijze van DRZ geen, dan wel minder, waarde aan het rapport van DRZ te hechten.3

4.11.

Wat betreft het ontbreken van een Nederlandstalig boekenpakket en de kosten van het rijklaar maken van de auto is het Hof van oordeel deze posten niet zijn aan te merken als schade die van invloed zijn op de handelsinkoopwaarde van de auto. Voor het in aanmerking nemen van een extra waardevermindering ten opzichte van de gehanteerde koerslijst is dan ook geen plaats.

4.12.

Gelet op het voorgaande acht het Hof slechts een waardevermindering van € 705 wegens schade aannemelijk.

Berekening verschuldigde BPM

4.13.

Uitgaande van een handelsinkoopwaarde van € 17.807 en een waardevermindering als gevolg van schade van € 705, bedraagt de gecorrigeerde handelsinkoopwaarde € 17.102. Tussen partijen is niet in geschil dat de historische nieuwprijs € 52.183 bedraagt, zodat de afschrijving 67,23% bedraagt. De historische BPM bedraagt € 18.363 en de verschuldigde BPM ten tijde van de aangifte € 6.018. Op het moment van aangifte was de auto een jaar en bijna tien maanden oud. De tabelkorting bedroeg op dat moment 44,668%. De herrekende BPM komt daarmee op € 10.876. Op het moment van tenaamstelling was de auto een jaar en bijna elf maanden oud, zodat de verschuldigde BPM op het moment van registratie nog € 5.918 bedraagt (€ 10.876 * (1-0,45585)). Dit betekent dat de naheffingsaanslag van € 2.328 verminderd dient te worden tot een naheffingsaanslag van € 1.286.

4.14.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is in zoverre slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van de naheffingsaanslag betreft.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

5.1.

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

5.2.

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep.

5.3.

De Rechtbank heeft de kosten voor de behandeling van het bezwaar en het beroep vastgesteld op € 1.278. Daartegen zijn in hoger beroep geen grieven aangevoerd, zodat het Hof daarvan zal uitgaan.

5.4.

Belanghebbende heeft verzocht om forfaitaire vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. De Inspecteur heeft gesteld dat, indien het hoger beroep enkel gegrond zou worden verklaard omdat aan belanghebbende alsnog een extra korting van 10% op de handelsinkoopwaarde van de auto voor bijstelling wegens marktsituatie toegekend moet worden, belanghebbende geen recht heeft op vergoeding van deze kosten nu belanghebbende dit standpunt eerst in hoger beroep heeft ingenomen. De noodzaak om hoger beroep in te stellen is niet veroorzaakt door een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid, aldus de Inspecteur.

5.5.

Het Hof is van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor een veroordeling van de Inspecteur in de kosten die belanghebbende heeft moeten maken voor de behandeling van het hoger beroep, nu dat enkel gegrond is verklaard vanwege de toekenning van een extra korting van 10% wegens marktsituatie. Uit het verhandelde ter zitting bij de Rechtbank volgt dat belanghebbende bekend was met het arrest van de Hoge Raad4 waarop de nu geclaimde extra aftrek is gebaseerd. Het had op de weg van belanghebbende gelegen reeds in beroep een vermindering wegens deze korting te vragen. Onder die omstandigheden zijn de kosten voor beroepsmatig verleende bijstand geen kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de vergoeding van proceskosten en het griffierecht,

– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraken op bezwaar van de Inspecteur,

– vermindert de naheffingsaanslag tot een aanslag van € 1.286,

– vermindert de belastingrente dienovereenkomstig,

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 532 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.H.J. Verhagen, voorzitter, mr. M. Harthoorn en mr. A.E. Keulemans, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is op 26 oktober 2021 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(E.D. Postema) (T.H.J. Verhagen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 26 oktober 2021.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

1 Vgl. onder meer HR 17 januari 2020, nr. 18/03802, ECLI:NL:HR:2020:63.

2 Zie HR 28 februari 2020, nr. 19/00619, ECLI:NL:HR:2020:331, r.o. 2.3.3.

3 Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 februari 2021, nrs. 20/00279 en 20/00280, ECLI:NL:GHARL:2021:1242.

4 HR 15 november 2019, nr. 18/00246, ECLI:NL:HR:2019:1783.